Leerplannen Leerplandoelen
Leerjaar
Verwerkingsaspect

622 doelen — de eerste 500 worden getoond

CSV downloaden filters wissen

vak: NL ✕

  1. NL.001 Begrijpen K1 KO 1.1.1

    Herkennen eenvoudige eindrijm.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonologisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eindrijm:
    via rijmpjes en versjes

    Voorbeelden

    Eenvoudige eindrijm:
    kat-mat, koe-moe
  2. NL.002 Begrijpen K2 K3 KO 1.1.1

    Herkennen rijm.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonologisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    het rijm, rijmen
  3. NL.003 Gebruiken K2 K3 KO 1.1.1

    Passen rijm toe.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonologisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Toepassen:
    • Rijmt het of rijmt het niet?
    • Zoek bij elkaar wat rijmt. Zoek de rijmende woorden.
    • ontbrekende zinnen en woorden aanvullen
    • zelf rijm bedenken

    Voorbeelden

    Rijmt het of rijmt het niet?:
    (a) boom-tak, zak-tak; b) kok-pot, kok-rot
    Zoek bij elkaar wat rijmt:
    (a) maan-haan-ster-kip; b) maan-haan-schaap-man
  4. NL.004 Begrijpen K2 KO 1.1.1

    Herkennen klankgroepen in woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonologisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Klankgroepen:
    in korte woorden

    Voorbeelden

    Klankgroepen in woorden:
    in korte woorden: ‘fo-to’, ‘ba-llen’
  5. NL.005 Begrijpen K3 KO 1.1.1

    Herkennen klankgroepen in woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonologisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Klankgroepen:
    in langere woorden

    Te hanteren begrippen

    het woord, de klankgroep

    Voorbeelden

    Klankgroepen in woorden:
    in langere woorden: ‘fo-to-toe-stel’, ‘re-gen-boog’
  6. NL.006 Gebruiken K2 K3 KO 1.1.1

    Verdelen een woord in klankgroepen.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonologisch bewustzijn

  7. NL.007 Gebruiken K2 K3 KO 1.1.1

    Voegen klankgroepen samen tot een woord.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonologisch bewustzijn

  8. NL.008 Begrijpen K2 K3 KO 1.1.2

    Zeggen klanken, een reeks woorden of een zin op.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonologisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Opzeggen:
    Herhalen van wat de leraar of een kleuter voorzegt: trainen van het auditief
    geheugen.
    Klanken:
    • met aandacht voor de uitspraak
    
    Een reeks woorden:
    • 2 tot 4 woorden
    
    Een zin:
    • een eenvoudige, korte zin nazeggen
    • een korte zin aanvullen

    Voorbeelden

    Opzeggen:
    woordenrij onthouden en herhalen; onthoudspel zoals "Ik ga op reis en neem
    mee..."; "Appel, banaan, peer." Luister nu goed, wat ontbreekt: "Appel, peer"; Als je
    /oe/ hoort, sta je recht, als je /ie/ hoort handen omhoog en als je /ee/hoort ga je op
    je hurken zitten.
  9. NL.009 Gebruiken K1 KO 1.1.2

    Onderscheiden klanken.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonemisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Klanken:
    sterk contrasterende klanken

    Voorbeelden

    Sterk contrasterende klanken onderscheiden:
    
    • De leraar laat twee sterk contrasterende klanken horen: “ssss” (slang) en “rrrr”
        (motor). Als de slang sist (“sss”) bewegen de kinderen als een slang. Als de
        motor rijdt (“rrr”) bewegen ze als een motor.
    
    • De leraar vertelt een kort verhaaltje met veel “aaah” en “oooh”-uitroepen. Bij
        “aaah” doet de leraar samen met de kinderen de mond wijd open, bij “oooh”
        vormt iedereen met de handen een “toeter” rond de mond.
  10. NL.010 Begrijpen K2 KO 1.1.2; KO 1.1.3

    Herkennen verschillen en overeenkomsten tussen twee gesproken klanken in woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonemisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de klank
  11. NL.011 Begrijpen K2 K3 KO 1.1.2; KO 1.1.3

    Herkennen klanken in woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonemisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herkennen:
    aangeven of een klank wel of niet voorkomt in een woord
    
    Woorden:
    • MK-woorden
    • KM-woorden
    • MKM-woorden
  12. NL.012 Gebruiken K2 KO 1.1.2; KO 1.1.3

    Onderscheiden de beginklank in woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonemisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Onderscheiden:
    De beginklank in het woord horen en onderscheiden van andere klanken (auditieve
    discriminatie).
    
    Woorden:
    • MK-woorden
    • KM-woorden
    • MKM-woorden

    Voorbeelden

    Beginklank onderscheiden:
    • Sorteren op beginklank (M – mand, muts, mama)
    • “Wat klinkt hetzelfde, wat klinkt anders?” (maan-maan, mees-lees)
  13. NL.013 Gebruiken K2 KO 1.1.2; KO 1.1.3

    Onderscheiden de eindklank in woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonemisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Onderscheiden:
    De eindklank in het woord horen en onderscheiden van andere klanken (auditieve
    discriminatie).
    Woorden:
    • MK-woorden
    • KM-woorden
    • MKM-woorden

    Voorbeelden

    Eindklank onderscheiden:
    • Sorteren op eindklank (M – oom, bloem, lam)
    • “Wat klinkt hetzelfde, wat klinkt anders?” (boom-boos, lam-lam)
  14. NL.014 Gebruiken K3 L1 KO 1.1.2; KO 1.1.3

    Onderscheiden klanken in woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonemisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Onderscheiden:
    auditieve discriminatie: De klank in het woord horen en onderscheiden van andere
    klanken.
    
    Woorden:
    • MK-woorden
    • KM-woorden
    • MKM-woorden
    
    Klanken in woorden:
    • beginklank
    • middenklank
    • eindklank
    
    Klanken:
    Een variatie aan klanken

    Te hanteren begrippen

    vooraan, achteraan, in het midden

    Voorbeelden

    Klanken in woorden:
    • Wat hoor je vooraan in /vuur/?
    • Wat hoor je achteraan in /kaas/?
    • Wat hoor je in het midden in /kat/?
    • Wat hoor je vooraan in /ook/?
    • Wat hoor je in het midden in /reus/?
    • Wat hoor je vooraan in /ijs/?
  15. NL.015 Gebruiken K3 L1 KO 1.1.3

    Verdelen een woord in afzonderlijke klanken.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonemisch bewustzijn

  16. NL.016 Gebruiken K3 L1 KO 1.1.3

    Voegen afzonderlijke klanken samen tot een woord.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonemisch bewustzijn

  17. NL.017 Gebruiken K3 L1 KO 1.1.2

    Voeren klankbewerkingen uit in woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonemisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Klankbewerkingen:
    • toevoeging van een klank
    • weglating van een klank
    • vervanging van een klank

    Voorbeelden

    Toevoeging van een klank:
    Ik voeg vooraan een /b/ toe aan /oom/ en bekom /boom/.
    Weglating van een klank:
    /raap/ zonder /r/ is /aap/.
    Vervanging van een klank:
    Bij het woord /mat/ wissel ik de /m/ in voor een /l/. Zo vorm ik het woord /lat/.
  18. NL.018 Engageren K2 K3 L1 KO 1.1.1; KO 1.1.2; KO 1.1.3

    Tonen hun kennis van klanken in verschillende contexten.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonemisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Daniel luistert naar een versje en klapt telkens als hij een woord hoort dat met
        de klank /s/ begint, zoals slang, stoel en sok.
    • Abigail rijmt boom op room en legt uit dat ze dezelfde klankgroep achteraan
        hoort.
  19. NL.019 Begrijpen K2 KO 1.1.4

    Herkennen voor hen belangrijke letters.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Letters › Klanktekenkoppeling (alfabetisch principe)

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    het woord, de letter

    Voorbeelden

    Belangrijke letters:
    • Letters herkennen in woorden die ze vaak tegenkomen.
    • Letters herkennen in woorden die steeds in een letterlijke herhaling in een
        prentenboek voorkomen.
  20. NL.020 Gebruiken K2 KO 1.1.4

    Verklanken voor hen belangrijke letters.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Letters › Klanktekenkoppeling (alfabetisch principe)

  21. NL.021 Begrijpen K3 KO 1.1.4

    H e r k e n n en minstens vijftien letters.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Letters › Klanktekenkoppeling (alfabetisch principe)

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herkennen:
    • leesletters: kleine letter, hoofdletter
    • in verschillende verschijningsvormen
    Letters:
    • korte klinkers
    • lange klinkers
    • tweetekenklinkers
    • medeklinkers

    Te hanteren begrippen

    de klinker, de medeklinker
  22. NL.022 Gebruiken K3 KO 1.1.4

    Verklanken minstens vijftien letters.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Letters › Klanktekenkoppeling (alfabetisch principe)

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Verklanken:
    • met correcte uitspraak
    • leesletters: kleine letter, hoofdletter
  23. NL.023 Begrijpen L1 L2 L4 1.1.2

    Herkennen alle letters.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Letters › Klanktekenkoppeling (alfabetisch principe)

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Letters:
    • leesletters: kleine letter, hoofdletter
    • schrijfletters: kleine letter, hoofdletter
    • in verschillende verschijningsvormen

    Te hanteren begrippen

    de korte klinker, de lange klinker, de tweetekenklinker, de medeklinker
  24. NL.024 Gebruiken L1 L2 L4 1.1.2

    Verklanken alle letters.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Letters › Klanktekenkoppeling (alfabetisch principe)

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Letters:
    • korte klinkers
    • lange klinkers
    • tweetekenklinkers
    • medeklinkers
    
    Verklanken:
    • leesletters: kleine letter, hoofdletter
    • schrijfletters: kleine letter, hoofdletter
  25. NL.025 Begrijpen L2 L3 GO!-doel

    Begrijpen het doel van het alfabet.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Letters › Alfabet

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Doel:
    • alfabetisch rangschikken
    • alfabetisch opzoeken

    Te hanteren begrippen

    de letter, het alfabet
  26. NL.026 Begrijpen L2 L3 GO!-doel

    Zeggen het alfabet op.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Letters › Alfabet

  27. NL.027 Gebruiken L2 L3 GO!-doel

    Gebruiken het alfabet bij het opzoeken of rangschikken.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Letters › Alfabet

  28. NL.028 Engageren K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 KO 1.1.4; L4 1.1.2

    Tonen hun kennis van letters in verschillende leescontexten.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Letters › Alfabet

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • In de kleuterklas wordt gewerkt rond het thema verkeer. In de bouwhoek ligt
        een doos met verkeersborden. Dario en Frieke bouwen samen een winkel. De
        parkeerplaatsen bij de winkel duiden ze aan met het verkeersbord waar de
        letter ‘p’ op staat. Zij weten dat dat de letter ‘p’ is van het woord ‘parkeren’.
    • In de schoolbibliotheek staan de boeken alfabetisch gerangschikt. Yaro vindt
        snel een boek dat hij wil lezen door met behulp van het alfabet te zoeken.
        Wanneer hij het uit heeft gelezen kan hij het ook gemakkelijk op de juiste plek
        terugplaatsen door gebruik te maken van de alfabetische volgorde.
  29. NL.029 Gebruiken L1 L4 1.1.2

    Lezen klankzuivere woorden met één lettergreep.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Klankzuivere woorden met één lettergreep:
    pen, boos, juf, reus
  30. NL.030 Gebruiken L1 L4 1.1.2

    Lezen lidwoorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Lidwoorden:
    de, het, een
  31. NL.031 Gebruiken L1 L4 1.1.2

    Lezen eenlettergrepige woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eenlettergrepige woorden:
    • eindigend op -d of -t
    • eindigend op -ng, -nk
    • met klankgroep aai, ooi, oei
  32. NL.032 Gebruiken L1 L4 1.1.2

    Lezen eenvoudige tweelettergrepige woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eenvoudige tweelettergrepige woorden:
    • niet samengestelde woorden
    • samengestelde woorden

    Voorbeelden

    Eenvoudige tweelettergrepige samengestelde woorden:
    kastdeur, voetbal
  33. NL.033 Gebruiken L1 L4 1.1.2

    Lezen klankzuivere woorden met medeklinkerclusters vooraan of achteraan.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Woorden met medeklinkerclusters:
    • MKMM
    • MMKM
    • MMKMM
    • MMMKM
    • MKMMM
    
    Medeklinkerclusters:
    • inclusief sch-, -ch, -cht

    Voorbeelden

    Woorden met een medeklinkercluster vooraan:
    de kraan, de trap, de strik, het schaap
    Woorden met een medeklinkercluster achteraan:
    de poort, de berg, de herfst, de dag, mol lacht, beer zegt
  34. NL.034 Gebruiken L1 L4 1.1.2

    Lezen verkleinwoorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

  35. NL.035 Gebruiken L1 L2 L4 1.1.2

    Lezen woorden met een hoofdletter.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

  36. NL.036 Gebruiken L2 L3 L4 1.1.1; L4 1.1.2

    Lezen woorden met een doffe e klank.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Woorden met een doffe e:
    • in een onbeklemtoonde lettergreep achteraan
    • met voorvoegsel ge-, be-, ver-
    • met achtervoegsel -ig, -lijk
  37. NL.037 Gebruiken L2 L3 L4 1.1.2

    Lezen woorden met specifieke lettercombinaties.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Specifieke lettercombinaties:
    • eeuw, ieuw en uw
    • eindigend op -b, -p
  38. NL.038 Gebruiken L2 L3 L4 1.1.2

    Lezen woorden met gesloten lettergrepen.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

  39. NL.039 Gebruiken L2 L3 L4 1.1.2

    Lezen woorden met open lettergrepen.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de lettergreep
  40. NL.040 Gebruiken L2 L3 L4 L4 1.1.2

    Lezen frequente woorden waarin specifieke letters en lettercombinaties afwijkend worden uitgesproken.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Afwijkende uitspraak:
    • politie (t als s)
    • bureau (eau als oo)
  41. NL.041 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L6 1.1.1

    Lezen frequente leenwoorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    het leenwoord

    Voorbeelden

    Frequente leenwoorden:
    restaurant, computer
  42. NL.042 Gebruiken L4 L5 L6 L6 1.1.1

    Lezen vaak voorkomende afkortingen.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Vaak voorkomende afkortingen:
    • EU lezen als ‘Europese Unie’
    • p.7 lezen als ‘pagina 7’
  43. NL.043 Gebruiken L1 L4 1.1.2

    Lezen gekende letters en woorden in eenvoudige zinnen aan een gepast tempo.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

  44. NL.044 Gebruiken L1 L4 1.1.2

    Lezen zinnen*.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Zinnen:
    • zinslengte: van 1 tot ongeveer 8 woorden
    • één zin per regel
    • zowel kleine letters als hoofdletters
    • enkelvoudige zinnen
    • korte samengestelde zinnen met ‘en’, ‘maar’
    • leestekens punt, uitroepteken en vraagteken
    
    *in een variatie aan teksten
  45. NL.045 Gebruiken L2 L4 1.1.2

    Lezen zinnen*.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Zinnen:
    • zinslengte: van 1 tot ongeveer 12 woorden
    • korte zinnen die betekenisvol zijn afgebroken en doorlopen op de volgende
        regel
    • samengestelde zinnen
    • met klankzuivere en niet-klankzuivere één- en meerlettergrepige woorden
    • leestekens komma, aanhalingstekens en dubbel punt
    • leesgedrag afstemmen op leestekens punt, uitroepteken en vraagteken
    
    *in een variatie aan teksten
  46. NL.046 Gebruiken L3 L4 1.1.2

    Lezen zinnen*.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Zinnen:
    • zinslengte: van 1 tot ongeveer 16 woorden
    • lange zinnen met woordgroepen die kunnen doorlopen over de regels heen
    • leesgedrag afstemmen op leestekens komma, aanhalingstekens en dubbel punt
    
    *In een variatie aan teksten
  47. NL.047 Gebruiken L4 L4 1.1.2

    Lezen zinnen*.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Zinnen:
    • zinslengte: van 1 tot ongeveer 20 woorden
    • zinnen beginnen niet meer noodzakelijk op een nieuwe regel
    • alle soorten woorden komen aan bod
    
    Lezen:
    accuraat en geautomatiseerd
    
    *In een variatie aan teksten
  48. NL.048 Begrijpen L2 L3 L4 1.1.2

    Herkennen bij het lezen woordgroepen in een zin als eenheid.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vloeiend lezen

  49. NL.049 Gebruiken L2 L3 L4 1.1.3

    Lezen woordgroepen in een zin als eenheid met hantering van de leesboog.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vloeiend lezen

  50. NL.050 Gebruiken L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.1.2; L4 1.1.3

    Lezen woorden verstaanbaar en accuraat.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vloeiend lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Accuraat:
    • correcte uitspraak versus spellingsuitspraak
    
    Verstaanbaar:
    • articulatie

    Voorbeelden

    Correcte uitspraak versus spellingsuitspraak:
    • De normale uitspraak van pannenkoek is [panəkoek]. Als je een [n] uitspreekt is
        dat een spellinguitspraak.
    • Lezen woorden eindigend op -lijk met de juiste uitspraak zoals het woord
        /natuurlijk/, [natuurlək].
  51. NL.051 Gebruiken L1 L2 L4 1.1.2; L4 1.1.3

    Lezen het woord met intonatie.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vloeiend lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Intonatie:
    met gepaste klemtoon
  52. NL.052 Begrijpen L3 L4 L4 1.1.3; L4 1.1.12

    Illustreren lezen met intonatie.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vloeiend lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Intonatie:
    • met gepaste klemtoon
    • met behulp van lees- en woordtekens
    • in functie van de inhoud van de tekst
  53. NL.053 Gebruiken L3 L4 L4 1.1.3; L4 1.1.12

    Lezen de zin met intonatie.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vloeiend lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Intonatie:
    • met gepaste klemtoon
    • met behulp van lees- en woordtekens
    • in functie van de inhoud van de tekst
  54. NL.054 Begrijpen L5 L6 L6 1.1.2

    Illustreren lezen met expressie.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vloeiend lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Expressie:
    • gepast volume
    • gepast tempo
    • natuurlijkheid
    • emotionaliteit
  55. NL.055 Gebruiken L2 L3 L6 1.1.2

    Lezen met het gepaste volume.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vloeiend lezen

  56. NL.056 Gebruiken L2 L3 L4 L6 1.1.2

    Lezen teksten in het gepaste tempo.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vloeiend lezen

  57. NL.057 Gebruiken L4 L5 L6 L6 1.1.2

    Lezen met natuurlijkheid en emotionaliteit.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vloeiend lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Natuurlijkheid en emotionaliteit:
    • Spreken bij het luidop lezen van teksten op dezelfde manier als bij een gewoon
        gesprek. (natuurlijkheid)
    • Laten het verschil horen tussen een dialoog en een beschrijving. (natuurlijkheid)
    • Geven uitdrukking aan beelden, gevoelens en gedachten. (emotionaliteit)
  58. NL.058 Gebruiken K2 K3 L4 1.1.1; L4 1.1.2

    Lezen frequent voorkomende woorden met behulp van de visuele woordvorm.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Decoderen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Lezen met behulp van visuele woordvorm:
    • directe woordherkenning zoals de eigen naam
    • woordherkenning op basis van de eerste letter, dikwijls in combinatie met een
        afbeelding
  59. NL.059 Begrijpen L1 L2 L4 1.1.1; L4 1.1.2

    Herkennen verschillende leestechnieken.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Decoderen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Leestechnieken:
    • elementaire leeshandeling
    • lezen met behulp van klankclusters en spellingspatronen
    • lezen met behulp van morfologische analyse
  60. NL.060 Gebruiken L1 L4 1.1.2

    Gebruiken de elementaire leeshandeling bij het lezen van nieuwe woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Decoderen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Elementaire leeshandeling:
    • De letters in een woord verklanken in de juiste volgorde.
    • De juiste volgorde van de klanken onthouden.
    • De klanken samenvoegen tot een woord.
    • Het nieuwe woord betekenis geven.

    Voorbeelden

    Elementaire leeshandeling:
    • /mmmaaannn/, /maan/
    • /lllijijijmmm/, /lijm/
  61. NL.061 Gebruiken L1 L2 L4 1.1.2

    Gebruiken klankclusters en spellingspatronen bij het lezen.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Decoderen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    klankclusters en spellingspatronen:
    • combinaties van medeklinkers
    • combinaties van zowel klinkers als medeklinkers
    • vaste lettercombinaties

    Voorbeelden

    klankclusters en spellingspatronen bij het lezen:
    • Lettercombinaties worden herkend en in één keer gelezen: /z/, /eep/, /zeep/,
        /st/, /ap/, /stap/ (als gevolg van automatisering van de elementaire
        leeshandeling).
    • Cluster: str, spr, kl
    • Spellingpatroon: ak, open, aan
    • Vaste lettercombinaties: aai, ooi
  62. NL.062 Gebruiken L2 L4 1.1.2

    Gebruiken de visuele woordvorm bij het lezen.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Decoderen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Visuele woordvorm:
    de woordvorm en de bijhorende klankvorm is in het geheugen opgeslagen, als gevolg
    van automatisering van de elementaire leeshandeling
  63. NL.063 Gebruiken L2 L3 L4 L4 1.1.1; L4 1.1.2; L6 1.1.1

    Gebruiken morfologische analyse bij het lezen.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Decoderen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Morfologische analyse:
    Het woord opdelen aan de hand van betekenisvolle lettercombinaties.

    Voorbeelden

    Morfologische analyse:
    • Herkennen direct woorddelen in een woord zoals /voet/ en /bal/ in /voetbal/
        (als gevolg van automatisering van de elementaire leeshandeling).
    • Herkennen betekenisvolle lettercombinaties zoals /ge/,/knoei/, /geknoei/;
        /ver/, /geven/, /vergeven/ (als gevolg van automatisering van de elementaire
        leeshandeling).
  64. NL.064 Gebruiken L5 L6 L6 1.1.1

    Lezen onbekende woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Decoderen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Lezen:
    • met behulp van inzicht in de morfologische opbouw
    • met behulp van kennis van leenwoorden

    Voorbeelden

    Morfologische opbouw:
    • indrukwekkend = samenstelling van indruk (in + druk) en het afgeleide woord
        wekkend (werkwoord wekken + achtervoegsel -end). betekenis: iets dat indruk
        wekt.
    • verdedigingsmiddel = afleiding van het werkwoord verdedigen, verdediging
        (verdedig + -ing), gevolgd door een samenstelling met middel. De -s- is een
        tussenklank (verbindings-s).
    • verstandshuwelijk = samenstelling van verstand en huwelijk, verbonden door
        een tussen-s. betekenis: een huwelijk gebaseerd op verstandelijke
        overwegingen.
    • desinformatie = afleiding met het voorvoegsel des- ('verkeerd', 'misleidend') en
        het zelfstandig naamwoord informatie. betekenis: opzettelijk misleidende
        informatie.
    Leenwoorden:
    multifunctioneel, telecommunicatie, treinconducteur, infantiel, artificieel
  65. NL.065 Gebruiken L1 L2 L4 1.1.2; L4 1.1.3; L4 1.1.4

    Verbeteren eigen fouten bij het lezen.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Zelfcorrectie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Verbeteren:
    met behulp van:
    • leestechnieken
    • afbeeldingen
    • aanwijzingen van anderen
  66. NL.066 Gebruiken L3 L4 L4 1.1.2; L4 1.1.3; L4 1.1.4

    Verbeteren zichzelf wanneer een woord of een regel niet of foutief gelezen is.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Zelfcorrectie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Verbeteren:
    met behulp van:
    • de inhoud van de tekst
    • kennis van woord- en leestekens
  67. NL.067 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.1.2; L4 1.1.3; L4 1.1.4

    Verbeteren zichzelf qua intonatie en expressie.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Zelfcorrectie

  68. NL.068 Engageren L3 L4 L5 L6 L4 1.1.4

    Reflecteren over hoe accuraat de eigen leesvaardigheid is.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Zelfcorrectie

  69. NL.069 Engageren L3 L4 L5 L6 L4 1.1.2; L4 1.1.3; L4 1.1.4

    Tonen na reflectie verbeteringen in een volgende leesbeurt.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Zelfcorrectie

  70. NL.070 Begrijpen K1 K2 K3 L1 KO 1.3.4; KO 1.1.5; KO 1.1.6; KO 1.1.7; KO 1.1.8; KO 1.1.9

    Begrijpen (voor)gelezen teksten.*

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Begrijpen:
    • eenvoudige visuele boodschappen
    • expliciete informatie
    • belangrijkste gebeurtenissen uit een verhaallijn
    • reageren door vragen te stellen
    
    *een variatie aan teksten
  71. NL.071 Gebruiken K1 K2 KO 1.1.6

    Geven informatie uit een voorgelezen tekst weer.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Informatie:
    • de belangrijkste gebeurtenissen
    • de situatie
    • de gevoelens
    • de personages
    • de perspectiefname
    
    Weergeven:
    • in eigen woorden
    • door het uit te beelden
    • met behulp van concreet materiaal en/of afbeeldingen

    Voorbeelden

    Perspectiefname:
    • Het hoofpersonage in het voorgelezen verhaal huilt. De kleuters leven zich in in
        het verdriet van het hoofdpersonage. Ze leggen aan de leerkracht uit dat het
        personage verdrietig is omdat die zijn speelgoed kwijt is.
    • De leerkracht leest een verhaal voor dat verteld wordt vanuit het ik-perspectief:
        ‘… en plots hoorde ik een luide ‘bonk’.’ De kleuters weten dat het personage in
        een vreemd huis is binnengewandeld. Ze vertellen dat het hoofdpersonage denkt
        dat de deur is dichtgewaaid.
  72. NL.072 Gebruiken K3 L1 KO 1.1.6

    Geven informatie uit een (voor)gelezen tekst weer.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Informatie:
    • de belangrijkste gebeurtenissen
    • de situatie
    • de gevoelens
    • de personages
    • de perspectiefname
    
    Weergeven:
    • in eigen woorden
    • met gebruik van taal uit de tekst
  73. NL.073 Begrijpen K1 K2 K3 L1 KO 1.1.9

    Begrijpen de verhaallijn van (voor)gelezen teksten*.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

  74. NL.074 Gebruiken K2 K3 L1 KO 1.1.9

    Geven de belangrijkste elementen uit een verhaallijn van (voor)gelezen teksten weer.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Weergeven:
    • in eigen woorden
    • in chronologische volgorde
    • met gebruik van taal uit de tekst
    
    Belangrijkste elementen:
    • hoofdpersonage(s)
    • hoofdgedachte
  75. NL.075 Begrijpen L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.1.5; L4 1.1.7

    Begrijpen gelezen teksten*.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Begrijpen:
    • expliciete informatie
    • hoofd- en bijzaken
    • hoofdgedachte
    • verbanden tussen voorgelezen tekst en vakspecifieke kennis en voorkennis
    • belangrijkste gebeurtenissen uit een verhaallijn
    
    *een variatie aan teksten
  76. NL.076 Gebruiken L2 L3 L4 L4 1.1.5

    Geven informatie uit een gelezen tekst weer.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

  77. NL.077 Gebruiken L3 L4 L4 1.1.5

    Geven hoofd- en bijzaken in gelezen teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

  78. NL.078 Gebruiken L3 L4 L4 1.1.5

    Geven de hoofdgedachte uit gelezen teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

  79. NL.079 Gebruiken K2 K3 L1 L2 KO 1.1.7

    Leiden relaties en verbanden af bij (voor)gelezen teksten*.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Relaties en verbanden:
    • oorzaak en gevolg
    • probleem en oplossing
    
    *een variatie aan teksten
  80. NL.080 Gebruiken L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.1.6

    Leiden relaties en verbanden af bij gelezen teksten*.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Relaties en verbanden:
    • oorzaak en gevolg
    • probleem en oplossing
    • middel-doel
    • deel-geheel
    • tussen hoofdpersonen en nevenpersonages
    
    *een variatie aan teksten
  81. NL.081 Gebruiken L2 L3 L4 L4 1.1.6

    Leiden logische conclusies af uit gelezen teksten*.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Logische conclusies afleiden:
    door informatie uit de tekst te combineren
    
    *een variatie aan teksten
  82. NL.082 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L6 1.1.3

    Leiden impliciete boodschappen in een gelezen tekst* af.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Impliciete boodschappen afleiden:
    aanwijzingen identificeren, verbindingen maken, conclusies trekken

    Voorbeelden

    Impliciete boodschappen afleiden:
    • In het verhaal zegt het hoofdpersonage ‘Oef! Deze doos is zwaar’. Wat hij niet
        zegt tegen de nevenpersonages is dat die graag hulp zou krijgen bij het dragen
        van de doos.
    • ‘Fietsen is niet alleen goed voor het milieu, maar ook voor de gezondheid. Toch
        blijven veel ouders kiezen voor de auto, vooral op regenachtige dagen of
        wanneer ze haast hebben.’: In deze passage uit de tekst wordt impliciet gezegd
        dat het beter zou zijn als ouders hun kinderen vaker met de fiets naar school
        laten gaan.
    
    *een variatie aan teksten
  83. NL.083 Gebruiken L5 L6 L6 1.1.3

    Leiden logische conclusies af uit gelezen teksten*.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Logische conclusies afleiden:
    impliciete en expliciete informatie uit de tekst te combineren
    
    *een variatie aan teksten
  84. NL.084 Gebruiken K1 K2 K3 L1 KO 1.1.8

    Maken verbindingen tijdens het luisteren naar of lezen van teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Verbindingen:
    • tussen de tekst en eigen ervaringen
    • tussen de tekst en vakspecifieke (voor)kennis
  85. NL.085 Gebruiken L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.1.7; L6 1.1.4

    Maken verbindingen tijdens het lezen van teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Verbindingen:
    • tussen de tekst en eigen ervaringen
    • tussen de tekst en vakspecifieke (voor)kennis
    • tussen passages uit de tekst
  86. NL.086 Gebruiken L1 L2 L3 L4 L4 1.1.8

    Bepalen of de titel bij de tekst past.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

  87. NL.087 Begrijpen L1 L2 L4 1.1.6

    Herkennen werkelijkheid en fantasie.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herkennen:
    bij (voor)gelezen teksten
  88. NL.088 Engageren L1 L2 L4 1.1.6

    Reflecteren over werkelijkheid en fantasie bij (voor)gelezen teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

  89. NL.089 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.1.6

    Onderscheiden fictie en non-fictie bij gelezen teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    fictie, non-fictie
  90. NL.090 Begrijpen L3 L4 L5 L6 L4 1.1.6; L6 1.1.3

    Herkennen feiten en meningen.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herkennen:
    in gelezen teksten

    Te hanteren begrippen

    de mening, het feit
  91. NL.091 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L6 1.1.3

    Onderscheiden feiten en meningen in gelezen teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

  92. NL.092 Begrijpen L3 L4 L4 1.1.9

    Verwoorden het standpunt van de auteur.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Standpunt:
    over het onderwerp van de tekst
  93. NL.093 Gebruiken L5 L6 GO!-doel

    Geven een onderbouwde beoordeling over de standpunten van de auteur.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Onderbouwde beoordeling:
    argumenten uit de tekst
  94. NL.094 Begrijpen L3 L4 L5 L6 L4 1.1.10

    Verwoorden hoe een tekst aansluit bij het leesdoel.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

  95. NL.095 Begrijpen L3 L4 L5 L6 L4 1.1.10

    Herkennen de bruikbaarheid van gelezen teksten in functie van het leesdoel.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

  96. NL.096 Gebruiken L5 L6 L6 1.1.5

    Analyseren standpunten en boodschappen uit verschillende teksten over hetzelfde onderwerp.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Verschillende teksten:
    • teksten van verschillende auteurs
    • verschillende teksten van dezelfde auteur
  97. NL.097 Gebruiken L5 L6 GO!-doel

    Vatten informatie uit verschillende bronnen over hetzelfde onderwerp samen.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

  98. NL.098 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L6 1.1.6

    Geven eigen gedachten en meningen weer over teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gedachten en meningen:
    • over de vorm
    • over de inhoud
    
    Weergeven:
    • onderbouwd met informatie uit de tekst
  99. NL.099 Gebruiken L6 GO!-doel

    Onderbouwen hun mening op basis van vergelijking van verschillende bronnen.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

  100. NL.100 Engageren L5 L6 L6 1.1.6

    Reflecteren over de invloed van de gelezen tekst op de eigen mening.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Reflecteren over de invloed van de gelezen tekst op de eigen mening:
    • relatie tussen zender en ontvanger
    • houding van de zender ten opzichte van de ontvanger en omgekeerd
  101. NL.101 Engageren L2 L3 L4 L5 L6 L6 1.1.4; L4 1.1.7

    Reflecteren over de kennis die de gelezen tekst opleverde.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

  102. NL.102 Begrijpen L5 L6 GO!-doel

    Herkennen de betrouwbaarheid van bronnen bij gelezen teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Betrouwbaarheid van bronnen herkennen:
    • Wie is de auteur?
    • Wat is de datum?
    • Waarom schrijft de auteur dit?
  103. NL.103 Begrijpen K2 K3 L1 L4 1.1.11

    Herkennen sturingsstrategieën bij het beluisteren van voorgelezen teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Leesproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Sturingsstrategieën:
    • actualiseren van kennis en woordenschat
    • actief luisteren aan de hand van luisterstrategieën
  104. NL.104 Gebruiken K2 K3 L1 L4 1.1.11

    Gebruiken sturingsstrategieën bij het beluisteren van voorgelezen teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Leesproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij lezen

  105. NL.105 Begrijpen L2 L3 L4 L4 1.1.11

    Beschrijven sturingsstrategieën bij het lezen van teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Leesproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Sturingsstrategieën:
    • leesdoel bepalen
    • oriëntatie op de tekst
    • actualiseren van kennis en woordenschat
    • actief lezen door toepassen van leesstrategieën
    • controleren van begrip
    • toepassen van herstelstrategieën
    • controle bereiken leesdoel

    Te hanteren begrippen

    de controle, het leesdoel, het begrip
  106. NL.106 Gebruiken L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.1.11

    Passen sturingsstrategieën toe bij het lezen van teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Leesproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij lezen

  107. NL.107 Gebruiken L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.1.11; L6 1.1.7

    Stemmen hun manier van lezen af op het leesdoel.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Leesproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Manieren van lezen:
    • globaal lezen
    • intensief lezen
    • kritisch lezen
  108. NL.108 Engageren L3 L4 L5 L6 L4 1.1.11; L6 1.1.7

    Reflecteren over de keuze van zelf gekozen gelezen teksten in functie van het leesdoel.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Leesproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij lezen

  109. NL.109 Begrijpen L4 L5 L6 GO!-doel

    Duiden de invloed van eigen voorkennis en identiteit op de interpretatie van teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Leesproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Bodhi weet al veel over de ruimte en zegt: ‘Wanneer ik een verhaal lees dat zich
        in de ruimte afspeelt, kan ik me gemakkelijk voorstellen hoe de ruimte eruitziet.’
    • Sara is sportief en speelt voetbal in haar vrije tijd. Ze zegt: ‘Ik vind het stom dat in
        de meeste verhalen over voetbal de hoofdpersonages jongens zijn.’
    • Bashir is moslim. Hij las een boek waarin het hoofdpersonage ook een moslim is
        en zegt: ‘Ik herken mezelf helemaal in Omar, het hoofdpersonage!’
  110. NL.110 Begrijpen L1 L2 L3 L4 L4 1.1.11; L6 1.1.7

    Illustreren herstelstrategieën bij het lezen.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Leesproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herstelstrategieën:
    • Een stukje opnieuw lezen, langzamer.
    • Een stukje hardop lezen.
    • Een stukje verder lezen, wordt het dan duidelijk?
    • Naar de illustraties kijken, wordt het dan duidelijk?
    • Helpt het om een leesstrategie toe te passen?
    • Hulp vragen als je er echt niet uitkomt.

    Te hanteren begrippen

    hardop, de illustratie, opnieuw, langzamer, verder, de hulp
  111. NL.111 Gebruiken L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.1.11; L6 1.1.7

    Passen herstelstrategieën toe.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Leesproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij lezen

  112. NL.112 Begrijpen K2 K3 L1 KO 1.3.4; L4 1.1.11

    Herkennen leesstrategieën bij (voor)gelezen teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Leesproces sturen met behulp van strategieën › Leesstrategieën (cognitief)

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Leesstrategieën:
    • voorspellen
    • vragen stellen
    • visualiseren
    • verbinden
  113. NL.113 Gebruiken K2 K3 L1 KO 1.3.4; L4 1.1.11

    Gebruiken leesstrategieën bij (voor)gelezen teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Leesproces sturen met behulp van strategieën › Leesstrategieën (cognitief)

  114. NL.114 Begrijpen L2 L3 L4 L4 1.1.11

    Beschrijven leesstrategieën bij het lezen van teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Leesproces sturen met behulp van strategieën › Leesstrategieën (cognitief)

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Beschrijven:
    Welke strategie zet ik wanneer in en waarom?
    
    Leesstrategieën:
    • voorspellen
    • vragen stellen
    • visualiseren: mentale beelden en zintuigelijke gewaarwordingen
    • verbinden
    • samenvatten
    • afleiden

    Te hanteren begrippen

    voorspellen, vragen stellen, visualiseren, verbinden, samenvatten, afleiden

    Voorbeelden

    Visualiseren:
    • Terwijl je leest speelt er zich een film af in je hoofd.
    • Bij het lezen van een tekst over een heerlijk geurende en mooi versierde taart,
        beelden de leerlingen zich in hoe de taart smaakt.
  115. NL.115 Begrijpen L5 L6 L6 1.1.7

    Beschrijven de best passende leesstrategie(ën) bij het begrijpend lezen van teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Leesproces sturen met behulp van strategieën › Leesstrategieën (cognitief)

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Selecteren:
    • Wanneer de leesstrategie inzetten?
    • Waarom de leesstrategie inzetten?
    • Welke leesstrategie inzetten?
  116. NL.116 Gebruiken L2 L3 L4 L4 1.1.11

    Passen leesstrategieën toe bij het lezen van teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Leesproces sturen met behulp van strategieën › Leesstrategieën (cognitief)

  117. NL.117 Gebruiken L5 L6 L6 1.1.7

    Selecteren leesstrategieën bij het lezen van teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Leesproces sturen met behulp van strategieën › Leesstrategieën (cognitief)

  118. NL.118 Engageren L3 L4 L5 L6 L4 1.1.11; L6 1.1.7

    Reflecteren over het eigen gebruik van leesstrategieën.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Leesproces sturen met behulp van strategieën › Leesstrategieën (cognitief)

  119. NL.119 Begrijpen K1 K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.1.13

    Herkennen een grote variatie aan teksttypes.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Teksttypes:
    instructie, recept, handleiding, schema, flyer, boekbespreking, e-mail, liedjestekst,
    gedicht, verhaal, formulier, verslag, artikel, opinietekst, historische bronnen
  120. NL.120 Begrijpen L3 L4 L5 L6 L4 1.1.13; L6 1.1.9

    Verwoorden het doel van een teksttype bij het lezen.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Doel:
    informeren, mening vertellen, gevoelens tot uitdrukking brengen, overtuigen,
    aansporen, amuseren, raad geven, waarschuwen

    Te hanteren begrippen

    informeren, mening vertellen, gevoelens tot uitdrukking brengen, overtuigen,
    aansporen, amuseren, adviseren, waarschuwen
  121. NL.121 Begrijpen K1 K2 KO 1.1.10

    Begrijpen de leesrichting.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Leesrichting:
    van links naar rechts, van boven naar beneden, van voor naar achter
  122. NL.122 Gebruiken K1 K2 K3 KO 1.1.10

    Volgen tijdens het voorlezen de leesrichting en paginawisseling.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

  123. NL.123 Begrijpen K3 L1 KO 1.1.10

    Duiden het principe van leesrichting.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Leesrichting:
    van links naar rechts, van boven naar beneden, van voor naar achter
  124. NL.124 Begrijpen K1 K2 KO 1.1.10

    Herkennen het verschil tussen tekst en beeld.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Verschil tussen:
    • symbolen
    • pictogrammen
    • afbeeldingen
    • letters en andere tekens
  125. NL.125 Begrijpen K1 K2 K3 KO 1.1.10

    Begrijpen de congruentie tussen tekst en beeld.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Congruentie:
    • de tekening in het prentenboek laat precies zien wat de tekst zegt
    • de bewegingen bij een liedje ondersteunen de tekst. Bij het woord ‘springen’
        springen de kleuters
    • afbeeldingen bij woordplaten
  126. NL.126 Gebruiken K2 K3 KO 1.1.10

    Onderscheiden letters als verschillend van andere symbolen.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Letters:
    in verschillende verschijningsvormen: leesletters, schrijfletters
  127. NL.127 Begrijpen K1 K2 K3 KO 1.1.11

    Herkennen dat geschreven taal een communicatief en esthetisch doel heeft.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Communicatief doel:
    • Taal kan bewaard blijven.
    • Taal kan tijd en afstand overbruggen.
    • Taal kan gelezen worden.
    • Taal kan gebruikt worden om iets te onthouden.
    • Taal kan gebruikt worden om een boodschap over te brengen.
    • Taal kan gebruikt worden om iets te benoemen.
    • Taal kan gebruikt worden om een verhaal weer te geven.
    
    Esthetisch doel:
    • Taal kan gebruikt worden om van te genieten.
  128. NL.128 Begrijpen K2 K3 L4 1.1.12

    Illustreren dat verhalen een opbouw hebben.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

  129. NL.129 Begrijpen L1 L2 L4 1.1.12

    Begrijpen de functie van hoofdletters en interpunctie bij het lezen van een tekst.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Functies van hoofdletters en interpunctie bij het lezen:
    • De hoofdletter duidt het begin van een nieuwe zin aan.
    • De hoofdletter geeft een naam aan.
    • Het punt, uitroepteken en vraagteken duiden het einde van een zin aan.
    • Een uitroepteken geeft weer dat de tekst luid wordt gelezen.
    • Een vraagteken geeft weer dat een zin vragend wordt gelezen.
  130. NL.130 Begrijpen L2 L4 1.1.12

    Herkennen vormelijke elementen van tekststructuur/verhaalstructuur.*

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vormelijke elementen van tekststructuur/verhaalstructuur:
    • de alinea
    • de titel
    • de tussentitel

    Te hanteren begrippen

    de alinea, de tussentitel, de titel
    
    * Tekststructuur: informatieve teksten. Verhaalstructuur: verhalende teksten.
  131. NL.131 Begrijpen L3 L4 1.1.12

    Herkennen elementen van tekststructuur/verhaalstruc tuur.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Elementen van tekststructuur/verhaalstructuur:
    • de regel
    • het begin
    • het midden
    • het slot

    Te hanteren begrippen

    de regel, het begin, het midden, het slot
  132. NL.132 Begrijpen L4 L5 L6 L6 1.1.8

    Herkennen vormelijke elementen van tekststructuur/verhaalstructuur.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vormelijke elementen van tekststructuur/verhaalstructuur:
    • de tekstopmaak
    • cursief
    • vet
    • hoofdstuk

    Te hanteren begrippen

    de tekstopmaak, cursief, vet, het hoofdstuk
  133. NL.133 Begrijpen L5 L6 L6 1.1.8

    Begrijpen vormelijke elementen van tekststructuur.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Begrijpen:
    • doel en gebruik
    
    Vormelijke elementen van tekststructuur:
    • de index
    • de inhoudsopgave
    • de legende
    • de tabellen
    • de figuren
  134. NL.134 Begrijpen L2 L3 L4 L4 1.1.13

    Illustreren het verband tussen tekststructuur/verhaalstructuur en teksttype.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de tekst, het teksttype

    Voorbeelden

    Verband tekststructuur en teksttype:
    • Binnenkort gaat de klas naar een interactief museum. De leraar bracht een folder
        mee. De kinderen ontdekken zelf wat er allemaal te beleven valt door de folder te
        lezen. Het valt op dat elke activiteit wordt voorgesteld in een apart stukje tekst in
        de folder. Ze ontdekken de inkomprijs, het adres en de openingsuren achteraan op
        de folder.
    • Bij het lezen van een verslag van een activiteit merkt Tijl op dat er eerst een
        inleiding is over de activiteit en dat daarna de gebeurtenissen beschreven worden.
  135. NL.135 Begrijpen L3 L4 L5 L6 L4 1.1.13; L6 1.1.9

    Begrijpen de hoofdgedachte van een tekst aan de hand van inhoudelijke elementen van tekststructuur/verhaalstructuur.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Inhoudelijke elementen van tekststructuur:
    • oorzaak-gevolgstructuur
    • chronologische opbouw
    • probleem-oplossingsstructuur
    • vergelijkende opbouw
    • beschrijvende opbouw
    
    Inhoudelijke elementen van verhaalstructuur:
    • begin (kennismaking: personages, situatie, plaats), midden (probleem en obstakels),
        slot (oplossing en afloop)
    • chronologische opbouw

    Voorbeelden

    Oorzaak-gevolg:
    In een tekst over de opwarming van de aarde lezen de leerlingen dat door de
    opwarming de ijskappen smelten en daardoor de zeespiegel stijgt. De hoofdgedachte in
    de tekst (oorzaak-gevolg) is: “de opwarming van de aarde zorgt voor een stijgende
    zeespiegel”
    Chronologisch opbouw:
    In een tekst over de levenscyclus van een vlinder leiden leerlingen aan de hand van de
    opeenvolgende chronologische stappen volgende hoofdgedachte af: “Het leven van een
    vlinder bestaat uit vier fases die elkaar opvolgen.”
    Probleem-oplossing:
    In een tekst over het verkeer lezen de leerlingen over de toenemende
    verkeersonveiligheid en mogelijke oplossingen. De hoofdgedachte is: “Toenemend
    verkeer veroorzaakt gevaar voor voetgangers en fietsers, dus worden er maatregelen
    genomen.”
    Vergelijkende opbouw:
    In een tekst over de verschillen en gelijkenissen tussen haaien en dolfijnen leiden
    leerlingen aan de hand van vergelijkende elementen volgende hoofdgedachte af:
    “Dolfijnen en haaien leven in zee maar verschillen sterk in bouw en ademhaling.”
    Beschrijvende opbouw:
    In een tekst over het leven in een middeleeuwse stad leiden de leerlingen aan de hand
    van de verschillende beschrijvende elementen af dat de tekst beschrijft hoe een
    middeleeuwse stad eruitzag en hoe het leven daar georganiseerd was.
  136. NL.136 Gebruiken L5 L6 L6 1.1.9

    Analyseren de doelen van teksten aan de hand van tekststructuur/verhaalstructuur.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Tekststructuur/verhaalstructuur:
    • vormelijke elementen
    • inhoudelijke elementen
  137. NL.137 Begrijpen L2 L4 1.1.12

    Herkennen samenhang in teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Samenhang:
    woorden die de volgorde aanduiden

    Voorbeelden

    Woorden die de volgorde aanduiden:
    eerst, toen, daarna
  138. NL.138 Begrijpen L3 L4 1.1.12

    Herkennen samenhang in teksten aan de hand van structuuraanduiders.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Structuuraanduiders:
    • verwijswoorden: verwijzen naar andere woorden of woordgroepen in de tekst
    • signaal- en verbindingswoorden: verbinden zinnen of tekstdelen en geven aan wat
        voor verband er tussen die zinnen of tekstdelen bestaat.

    Voorbeelden

    Verwijswoorden
    “Lisa zocht haar potlood maar ze kon het nergens vinden”
    Signaal- en verbindingswoorden:
    • Oorzaak-gevolg: “Door de zware regenval trad de rivier buiten haar oevers zodat
        verschillende dorpen tijdelijk onbereikbaar waren.”
    • Chronologisch: “Toen de eerste telescopen werden uitgevonden, konden mensen
        voor het eerst planeten bestuderen.”
    • Probleem-oplossing: “De waterfilter werd aangepast om de kwaliteit te
        verbeteren.”
    • Vergelijking:” De lynx beweegt geruisloos net als andere katachtigen die in bossen
        leven.”
    • Beschrijving: “De stad heeft historische gebouwen, onder andere kerken en
        marktpleinen.”
  139. NL.139 Begrijpen L4 L4 1.1.12; L6 1.1.9

    Begrijpen de betekenis van structuuraanduiders.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Structuuraanduiders:
    • verwijswoorden
    • signaal- en verbindingswoorden

    Te hanteren begrippen

    de structuuraanduider

    Voorbeelden

    Signaal- en verbindingswoorden:
    • Oorzaak-gevolg: “Veel mensen rijden met de wagen dus stijgt de luchtvervuiling
        aanzienlijk.”
    • Chronologisch: “Hij oefende elke dag dus werd hij beter in piano spelen..”
    • Probleem-oplossing: “Sommige leerlingen hebben moeite met concentratie en
        daarom bieden scholen stilteplekken aan.”
    • Vergelijking:” De tijger jaagt in het donker terwijl de leeuw meestal overdag jaagt.”
    • Beschrijving: “Sommige vlinders hebben bijzondere patronen bijvoorbeeld stippen
        of strepen”
  140. NL.140 Begrijpen L5 L6 L4 1.1.12

    Herkennen de invloed van zinsconstructies en tekststructuur/verhaalstructuur op het tekstbegrip bij het lezen.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    De invloed van zinsconstructies en tekststructuur/verhaalstructuur:
    • Korte concrete zinnen geven duidelijk de boodschap weer.
    • Zinnen met structuuraanduiders geven een oorzaak-gevolg, chronologie, probleem-
        oplossing, vergelijking of beschrijving weer.
    • In een informatieve tekst geven tussentitels bij alinea’s kort weer welke informatie
        in die alinea over het onderwerp zal gegeven worden.

    Te hanteren begrippen

    de redenering
  141. NL.141 Engageren L4 L5 L6 L6 1.1.8

    Tonen hun kennis van tekstconventies in verschillende contexten.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Thijs kan goed voorlezen. Dat komt omdat hij tijdens het lezen goed kijkt naar de
        leestekens. Zo weet hij wanneer hij moet ademhalen, de zinnen moet splitsen, even
        moet wachten enzovoort.
    • Amina en Leyla lezen samen in een boek. Ze lezen om de beurt een zin. Daarbij
        kijken ze goed naar de hoofdletters en de leestekens. Zo weten zij waar de zin
        begint en waar die stopt.
  142. NL.142 Begrijpen K2 K3 KO 1.2.1

    Herkennen een dynamische pengreep.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Dynamische pengreep:
    • doseren van de spierspanning van de vingers
    • met soepele vingers en pols
    • schrijfgerief tussen duim en wijsvinger

    Te hanteren begrippen

    de duim, de vingers, de wijsvinger, de hand, de pols
  143. NL.143 Gebruiken K2 K3 KO 1.2.1

    Gebruiken een dynamische pengreep bij het schrijven.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

  144. NL.144 Gebruiken K2 K3 KO 1.2.3

    Schrijven rechte en gebogen lijnen tussen twee lijnen.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

  145. NL.145 Gebruiken K2 K3 KO 1.2.4

    Schrijven patronen tussen twee lijnen.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

  146. NL.146 Gebruiken K3 KO 1.2.5

    Kleuren egaal.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

  147. NL.147 Gebruiken K3 KO 1.2.5

    Kleuren binnen de lijntjes.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

  148. NL.148 Gebruiken K3 KO 1.2.6

    Arceren met rechte lijnen.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

  149. NL.149 Begrijpen K3 KO 1.2.7

    Beschrijven de schrijfrichting.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Schrijfrichting:
    • van links naar rechts
    • van boven naar beneden
    • pagina na pagina

    Te hanteren begrippen

    van links, naar rechts, van boven, naar beneden, van voor, naar achter
  150. NL.150 Gebruiken K3 L1 KO 1.2.7

    Schrijven volgens het principe van schrijfrichting.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

  151. NL.151 Begrijpen K3 L1 L2 KO 1.2.2

    Illustreren een correcte schrijfhouding.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Correcte schrijfhouding:
    • een goede zithouding
    • afstand tussen ogen en schrijfhand

    Voorbeelden

    • Lex zit mooi recht, met het onderste deel van de rug tegen de rugleuning van de stoel,
        het bovenlichaam licht voorovergebogen en de buik op een vuistbreedte afstand van de
        tafel. De voeten staan naast elkaar, plat op de grond. De onderarmen rusten op de tafel
        terwijl de ellebogen net op of net buiten de tafel liggen. Het hoofd is licht gebogen.
    • Lumi controleert met een meetlat of de afstand tussen de ogen en de schrijfhand van
        Fré ongeveer 30 cm meet. ‘Dat is de ideale afstand om te schrijven’, zegt de juf.
  152. NL.152 Gebruiken K3 L1 L2 KO 1.2.2

    Passen een correcte schrijfhouding toe.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

  153. NL.153 Begrijpen L1 L2 GO!-doel

    Illustreren een gepaste positie van het schrijfoppervlak.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Gepaste positie van het schrijfoppervlak:
    • rechtshandigen leggen hun schrijfoppervlak iets schuin gedraaid naar de kant van de
        schrijfhand
    • linkshandigen die boven de regel schrijven leggen hun schrijfoppervlak iets schuin
        gedraaid naar de kant van de schrijfhand
    • linkshandigen die onderhands schrijven leggen hun schrijfoppervlak iets schuin gedraaid
        weg van de schrijfhand
  154. NL.154 Gebruiken L1 L2 GO!-doel

    Passen een gepaste positie van het schrijfoppervlak toe.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

  155. NL.155 Begrijpen L1 L2 GO!-doel

    Beschrijven de functie van de niet-schrijfhand.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Functie van de niet-schrijfhand:
    • om het schrijfoppervlak te fixeren zodat het niet verschuift
    • om het schrijfoppervlak na iedere regel een stukje omhoog te schuiven
  156. NL.156 Gebruiken L1 L2 GO!-doel

    Gebruiken de niet-schrijfhand als ondersteuning bij het schrijven.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

  157. NL.157 Begrijpen K1 GO!-doel

    Herkennen verschillende schrijfmaterialen.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Schrijfmaterialen:
    • schrijfgerief
    • schrijfoppervlakken
  158. NL.158 Begrijpen K2 K3 GO!-doel

    Beschrijven welke schrijfmaterialen geschikt zijn in functie van het resultaat.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Schrijfmaterialen:
    • schrijfgerief
    • schrijfoppervlakken
  159. NL.159 Gebruiken K1 K2 K3 GO!-doel

    Gebruiken verschillende schrijfmaterialen.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

  160. NL.160 Engageren K3 L1 L2 GO!-doel

    Zetten geschikte schrijfmaterialen in om een tekst te creëren.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Liam merkt dat schrijven met een wasco of dikke stift op een post-it niet goed werkt,
        omdat dit schrijfmateriaal te dik is voor het kleine papiertje.
    • Sofie gebruikt een whiteboardstift in plaats van een gewone stift om te schrijven op een
        whiteboard, omdat de inkt uitwisbaar moet zijn.
  161. NL.161 Begrijpen L1 L2 L4 1.2.2

    Illustreren de correcte route bij het schrijven.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Correcte route:
    • kleine letters, cijfers
    • leestekens: het punt, het vraagteken, het uitroepteken
    • rekentekens

    Te hanteren begrippen

    omhoog, omlaag, (naar) boven, (naar) onder, rond, gebogen, de lijn, de lus, schuin
  162. NL.162 Begrijpen L2 L3 L4 1.2.2

    Illustreren de correcte route bij het schrijven.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Correcte route:
    • hoofdletters
    • leestekens: de komma
  163. NL.163 Begrijpen L3 L4 1.2.2

    Illustreren de correcte route bij het schrijven.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Correcte route:
    • leestekens: het dubbele punt
  164. NL.164 Begrijpen L1 L4 1.2.1

    Illustreren het schrijven binnen een volledige liniatuur.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Volledige liniatuur:
    de grondlijn en de hulplijnen

    Te hanteren begrippen

    de grondlijn, de hulplijnen
  165. NL.165 Gebruiken L1 L4 1.2.2

    Schrijven volgens de correcte route tussen een volledige liniatuur.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Schrijven:
    • kleine letters, cijfers
    • leestekens: het punt, het vraagteken, het uitroepteken
    • letters, woorden en zinnen
    • rekentekens
  166. NL.166 Gebruiken L2 L4 1.2.2

    Schrijven volgens de correcte route tussen een volledige liniatuur.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Schrijven:
    • kleine letters, hoofdletters, cijfers
    • leestekens: het punt, het vraagteken, het uitroepteken
    • letters, woorden en zinnen
    • rekentekens
  167. NL.167 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.2

    Schrijven volgens een correcte route binnen een volledige liniatuur.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Schrijven:
    • kleine letters, hoofdletters en cijfers
    • leestekens: het dubbele punt, de komma
    • woorden, zinnen en rekentekens
  168. NL.168 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.1

    Schrijven volgens een correcte route.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Schrijven:
    zinnen met een variatie aan leestekens
    • zonder hulplijnen
    • op een enkele grondlijn
    • woordtekens: trema, koppelteken, apostrof, accent
  169. NL.169 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.3

    Gebruiken een regelmatig handschrift.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Regelmatig handschrift:
    regelmaat in (romp)letterhoogte, op de grondlijn, regelmaat in woord- en letterafstand
  170. NL.170 Gebruiken L1 L2 L3 L4 L4 1.2.3; L4 1.2.4

    Schrijven met juiste spatiëring.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Juiste spatiëring:
    • met afstand tussen letters binnen woorden
    • met witruimte tussen woorden.

    Te hanteren begrippen

    de spatie
  171. NL.171 Gebruiken L4 L4 1.2.4

    Gebruiken de kantlijn op gelijnd papier.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

  172. NL.172 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.1

    Schrijven regelmatig, zonder hulplijnen, op een enkele grondlijn.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

  173. NL.173 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.2

    Stemmen het schrijftempo en de vormgevingskwaliteit op elkaar af.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Camille leert sneller schrijven, terwijl haar persoonlijk handschrift regelmatig en
        duidelijk blijft.
    • Sylvie schrijft heel snel, maar moet alert blijven om duidelijk en regelmatig te schrijven.
  174. NL.174 Gebruiken L5 L6 GO!-doel

    Corrigeren het eigen handschrift in functie van leesbaarheid.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

  175. NL.175 Engageren L5 L6 GO!-doel

    Reflecteren over de impact van de leesbaarheid van de eigen schrijfproducten.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Robbe en Lex maken een interview voor op de klasblog. Lex stelt de vragen en Robbe neemt
    notities. Robbe weet dat hij in een vlot tempo moet schrijven om het gesprek te kunnen
    volgen. Hij weet ook dat hij leesbaar moet schrijven, zodat ze nadien de notities kunnen
    overtypen op de computer.
  176. NL.176 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.3

    Schrijven digitale teksten.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

  177. NL.177 Gebruiken K2 K3 GO!-doel

    Schrijven voor hen belangrijke woorden als globale eenheden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met klankzuivere klinkers en medeklinkers

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    het woord, de letter

    Voorbeelden

    Voor hen belangrijke woorden:
    • de eigen naam, namen van voor hen belangrijke mensen, naamwoorden van voor hen
        belangrijke mensen zoals papa, oma, tante… kopiëren door letters te stempelen, met
        losse letters te leggen, met een toetsenbord te typen, na te tekenen in kapitalen
    • themawoorden kopiëren door letters te stempelen, met losse letters te leggen, met
        een toetsenbord te typen, na te tekenen met schrijfmaterialen
  178. NL.178 Gebruiken L1 L4 1.2.5

    Schrijven klankzuivere woorden met één lettergreep.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met klankzuivere klinkers en medeklinkers

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Klankzuivere woorden met één lettergreep:
    • MK-woorden
    • KM-woorden
    • MKM-woorden
    • inclusief woorden met ui, oe, eu

    Te hanteren begrippen

    de klank, de medeklinker, de klinker
  179. NL.179 Gebruiken L1 L4 1.2.5

    Schrijven klankzuivere woorden met één lettergreep door middel van foneem- grafeemkoppeling.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met klankzuivere klinkers en medeklinkers

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Schrijven:
    woorden die ze nog niet eerder hebben gezien

    Voorbeelden

    Woorden die ze nog niet eerder hebben gezien:
    Ik ken de letters s, m, aa, r, v en maak zelf nieuwe woorden zoals vaar, vaas, raam; Ik leerde
    het woord ‘om’ en kan nu ook kom, som en sok maken.
  180. NL.180 Gebruiken L1 L4 1.2.5

    Schrijven klankzuivere woorden met meerdere lettergrepen.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met klankzuivere klinkers en medeklinkers

  181. NL.181 Begrijpen L2 L3 L4 1.2.5

    Illustreren de verlengingsregel bij woorden die eindigen op een t-/d- of p-/b- klank.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met niet-klankzuivere klinkers en medeklinkers

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de medeklinker, de klinker

    Voorbeelden

    Verlengingsregel:
    • Schrijf ik paart of paard? Bij verlenging hoor ik paarden, dus schrijf ik paard.
    • Schrijf ik rib of rip? Bij verlenging hoor ik ribben, dus schrijf ik rib.
  182. NL.182 Gebruiken L2 L3 L4 1.2.5

    Passen de verlengingsregel toe bij woorden die eindigen op een t-/d- of p/b- klank.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met niet-klankzuivere klinkers en medeklinkers

  183. NL.183 Begrijpen L2 L3 L4 L4 1.2.5

    Illustreren de verdubbelingsregel voor medeklinkers voorafgegaan door een gedekte klinker.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met niet-klankzuivere klinkers en medeklinkers

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de korte klinker, de lange klinker, de open lettergreep, de gesloten lettergreep, de dubbele
    medeklinker

    Voorbeelden

    (woorden met) medeklinkers voorafgegaan door een gedekte klinker
    bommen, takken, padden, ladder, teller
  184. NL.184 Gebruiken L2 L3 L4 L4 1.2.5

    Passen de verdubbelingsregel voor medeklinkers voorafgegaan door een gedekte klinker toe.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met niet-klankzuivere klinkers en medeklinkers

  185. NL.185 Begrijpen L2 L3 L4 L4 1.2.5

    Illustreren de verenkelingsregel voor vrije klinkers.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met niet-klankzuivere klinkers en medeklinkers

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vrije klinker:
    • vrije klinker in een woord
    • vrije klinker op het einde van een woord

    Voorbeelden

    (woorden met) Vrije klinkers:
    Bomen, taken, paden, lader, teler, auto, na, nu
  186. NL.186 Gebruiken L2 L3 L4 L4 1.2.5

    Passen de verenkelingsregel voor ongedekte klinkers toe.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met niet-klankzuivere klinkers en medeklinkers

  187. NL.187 Begrijpen L2 L3 L4 1.2.5

    Illustreren het vormen van regelmatige verkleinwoorden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van verkleinwoorden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Regelmatige verkleinwoorden:
    • op -je,
    • op -tje
    • op -pje
    • op -etje

    Te hanteren begrippen

    het verkleinwoord
  188. NL.188 Begrijpen L3 L4 L4 1.2.5

    Illustreren het vormen van onregelmatige verkleinwoorden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van verkleinwoorden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vorming van onregelmatige verkleinwoorden:
    Bij het achtervoegsel -kje valt de g van het woordeinde -ng in het grondwoord weg.

    Voorbeelden

    Onregelmatige verkleinwoorden:
    koning – koninkje, ketting – kettinkje
  189. NL.189 Begrijpen L5 L6 L6 1.2.4

    Illustreren het vormen van onregelmatige verkleinwoorden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van verkleinwoorden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vorming van onregelmatige verkleinwoorden:
    • Klankverandering in grondwoord
    • Verlenging van vrije klinker
    • Verdubbeling van medeklinker
    • Uitzonderlijk verkleinwoord
    • Verkleinwoorden van leenwoorden

    Voorbeelden

    Onregelmatige verkleinwoorden:
    • schip – scheepje, vat – vaatje
    • oma – omaatje, taxi – taxietje
    • bel – belletje, slab- slabbetje
    • jongen – jongetje
    • café – cafeetje, baby – baby’tje, sms- sms’je
  190. NL.190 Gebruiken L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.2.5; L6 1.2.4

    Schrijven verkleinwoorden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van verkleinwoorden

  191. NL.191 Begrijpen L2 L3 L4 L4 1.2.5

    Illustreren het vormen van meervouden op -s, -en, -eren.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van meervouden

  192. NL.192 Begrijpen L3 L4 L4 1.2.5

    Illustreren het vormen van meervouden op ‘s.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van meervouden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    het zelfstandig naamwoord, het enkelvoud, het meervoud
  193. NL.193 Begrijpen L5 L6 L6 1.2.4

    Illustreren het vormen van meervouden van zelfstandige naamwoorden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van meervouden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vorming van meervouden:
    • meervouden met behoud van betekenis en verandering van betekenis
    • zelfstandige naamwoorden die geen meervoud hebben
    • zelfstandige naamwoorden die geen enkelvoud hebben

    Te hanteren begrippen

    het zelfstandig naamwoord, het enkelvoud, het meervoud

    Voorbeelden

    Meervouden van zelfstandige naamwoorden met verandering van betekenis:
    been > beenderen – benen
    Zelfstandige naamwoorden die geen meervoud hebben:
    ongedierte
    Zelfstandige naamwoorden die geen enkelvoud hebben:
    mazelen, hersenen
  194. NL.194 Begrijpen L5 L6 L6 1.2.4

    Illustreren het vormen van meervouden van woorden op -ie, -ee.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van meervouden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Meervouden van woorden op -ie, -ee:
    zee > zeeën; kopie > kopieën; bacterie > bacteriën
  195. NL.195 Begrijpen L5 L6 L6 1.2.4

    Illustreren het vormen van woorden met een afwijkende meervoudsvorm.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van meervouden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Woorden met een afwijkende meervoudsvorm:
    museum > musea; centrum > centra
  196. NL.196 Gebruiken L2 L3 L4 L5 L6 L6 1.2.4

    Schrijven meervouden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van meervouden

  197. NL.197 Begrijpen L3 L4 L4 1.2.6; L6 1.2.5

    Illustreren het vervoegen van werkwoorden in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van werkwoordsvormen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vorming van werkwoorden in de onvoltooid tegenwoordige tijd:
    stam + uitgang

    Te hanteren begrippen

    het werkwoord, de persoonsvorm, de stam, de uitgang, de tegenwoordige tijd, de infinitief

    Voorbeelden

    Werkwoorden in de onvoltooid tegenwoordige tijd:
    ik werk, jij denkt, hij gaat, wij wandelen, jullie eten, zij dromen
  198. NL.198 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.6; L6 1.2.5

    Schrijven werkwoorden in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van werkwoordsvormen

  199. NL.199 Begrijpen L3 L4 L4 1.2.6; L6 1.2.5

    Illustreren het vervoegen van werkwoorden in de voltooid tegenwoordige tijd.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van werkwoordsvormen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vorming van werkwoorden in de voltooid tegenwoordige tijd:
    vervoeging van ‘hebben’ of ‘zijn’ in de onvoltooid tegenwoordige tijd + voltooid deelwoord

    Te hanteren begrippen

    de voltooid tegenwoordige tijd, het voltooid deelwoord

    Voorbeelden

    Werkwoorden in de voltooid tegenwoordige tijd:
    ik heb gewerkt, ik ben gekomen
  200. NL.200 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.6; L6 1.2.5

    Schrijven werkwoorden in de voltooid tegenwoordige tijd.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van werkwoordsvormen

  201. NL.201 Begrijpen L3 L4 L4 1.2.7; L6 1.2.5

    Illustreren het vervoegen van zwakke werkwoorden in de onvoltooid verleden tijd.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van werkwoordsvormen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vorming van zwakke werkwoorden in de onvoltooid verleden tijd:
    • stam + uitgang
    • zonder klankverandering

    Te hanteren begrippen

    de verleden tijd

    Voorbeelden

    Werkwoorden in de onvoltooid verleden tijd:
    ik werkte, wij wandelden, zij droomden
  202. NL.202 Begrijpen L3 L4 L4 1.2.7; L6 1.2.5

    Illustreren het vervoegen van sterke werkwoorden in de onvoltooid verleden tijd.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van werkwoordsvormen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vorming van sterke werkwoorden in de onvoltooid verleden tijd:
    • stam + uitgang
    • met klankverandering

    Voorbeelden

    Sterke werkwoorden in de onvoltooid verleden tijd
    jij dacht, hij ging, jullie aten
  203. NL.203 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.7; L6 1.2.5

    Schrijven werkwoorden in de onvoltooid verleden tijd.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van werkwoordsvormen

  204. NL.204 Begrijpen L3 L4 L4 1.2.7; L6 1.2.5

    Illustreren het vervoegen van werkwoorden in de voltooid verleden tijd.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van werkwoordsvormen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vorming van werkwoorden in de voltooid verleden tijd:
    vervoeging van ‘hebben’ of ‘zijn’ in de onvoltooid verleden tijd + voltooid deelwoord

    Te hanteren begrippen

    de voltooid verleden tijd

    Voorbeelden

    Werkwoorden in de voltooid verleden tijd:
    ik had gewerkt, ik was gekomen.
  205. NL.205 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.7; L6 1.2.5

    Schrijven werkwoorden in de voltooid verleden tijd.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van werkwoordsvormen

  206. NL.206 Begrijpen L5 L6 L6 1.2.5

    Illustreren het vervoegen van werkwoorden in de toekomende tijd.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van werkwoordsvormen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vorming van werkwoorden in de onvoltooid tegenwoordig toekomende tijd:
    vervoeging van het werkwoord zullen + infinitief

    Te hanteren begrippen

    de infinitief, de toekomende tijd
  207. NL.207 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.5

    Schrijven werkwoorden in de toekomende tijd.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van werkwoordsvormen

  208. NL.208 Engageren L5 L6 L6 1.2.5

    Tonen hun kennis van spellingsregels van frequente werkwoorden in de tegenwoordige, verleden, voltooide en toekomende tijd in verschillende contexten.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van werkwoordsvormen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • In de klas werken de leerlingen rond het brede thema ‘Toen, nu en binnenkort’. Amir,
        Jackson en Robin onderzoeken hoe onze kustlijn zich doorheen de tijd verlegde. Ze
        schrijven daarover een artikel voor op de klasblog. Bij het schrijven letten ze op de
        spelling van de werkwoorden in de verschillende tijden.
    • Nadia koos ervoor om een verhaal te schrijven over haar moeder, haar grootmoeder en
        zijzelf wanneer ze 8 jaar oud waren. Daarin vergelijkt ze het leven van haar
        grootmoeder, haar moeder en zichzelf. Na het schrijven kijkt Nadia na of ze telkens de
        juiste spelling van de werkwoorden in de verschillende tijden heeft gebruikt.
  209. NL.209 Gebruiken L1 L2 L4 1.2.5

    Schrijven woorden met een medeklinkercluster vooraan of achteraan.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met specifieke lettercombinaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Woorden met een medeklinkercluster vooraan:
    de kraan, de trap, de strik
    Woorden met een medeklinkercluster achteraan:
    de poort, de berg, herfst
  210. NL.210 Gebruiken L1 L2 L3 L4 1.2.5

    Schrijven -ng en -nk woorden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met specifieke lettercombinaties

  211. NL.211 Gebruiken L1 L2 L3 L4 1.2.5

    Schrijven woorden met sch-.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met specifieke lettercombinaties

  212. NL.212 Gebruiken L2 L3 L4 1.2.5

    Schrijven woorden met meerdere medeklinkers in het midden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met specifieke lettercombinaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Woorden met meerdere medeklinkers in het midden:
    het masker, het kasteel, onder
  213. NL.213 Gebruiken L2 L3 L4 1.2.5

    Schrijven woorden met au/ou en ei/ij.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met specifieke lettercombinaties

  214. NL.214 Gebruiken L2 L3 L4 1.2.5

    Schrijven woorden met meertekenklanken.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met specifieke lettercombinaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Meertekenklanken:
    • aai
    • ooi
    • oei
    • eeuw
    • ieuw
    • uw
    • eu
    • ui
    • oe
  215. NL.215 Gebruiken L2 L3 L4 1.2.5

    Schrijven -ch/-g en -cht/-gt woorden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met specifieke lettercombinaties

  216. NL.216 Gebruiken L4 L5 GO!-doel

    Schrijven woorden die eindigen op -teit en -heid.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met specifieke lettercombinaties

  217. NL.217 Gebruiken L5 GO!-doel

    Schrijven laagfrequente woorden met een dubbele medeklinker.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met specifieke lettercombinaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Laagfrequente woorden met een dubbele medeklinker:
    onmiddellijk, het parallellogram, de professor
  218. NL.218 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.4

    Schrijven woorden die eindigen op -isch(e), -air(e), -iaal, -eaal, -ueel, -ieel.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met specifieke lettercombinaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    het grondwoord, het achtervoegsel
  219. NL.219 Gebruiken L1 L4 1.2.5

    Schrijven de doffe klank in lidwoorden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met een doffe klank

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Lidwoorden:
    de, het, een
  220. NL.220 Gebruiken L2 L4 1.2.5

    Schrijven de doffe klank in hoogfrequente woorden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met een doffe klank

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    doffe klank in hoogfrequente woorden:
    me, de moeder, deze
  221. NL.221 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.5

    Schrijven de doffe klank in onbeklemtoonde lettergrepen, weergegeven door e, i, o of u.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met een doffe klank

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    doffe klank in onbeklemtoonde lettergrepen:
    de dokter, de havik, de avond, de datum
  222. NL.222 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.5

    Schrijven in woorden met een voor- en/of achtervoegsel de doffe klank.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met een doffe klank

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    voor- en/of achtervoegsel:
    • ge-, ver-, be-
    • -elen, -eren, -enen
    • -ig, -lijk
  223. NL.223 Begrijpen L4 L6 1.2.4

    Herkennen frequente leenwoorden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van leenwoorden en frequente woorden waarin specifieke letter(combinatie)s afwijkend worden uitgesproken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Frequente leenwoorden:
    de agenda, de game
  224. NL.224 Begrijpen L4 L5 L6 L6 1.2.4

    Herkennen tweeklanken in frequente leenwoorden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van leenwoorden en frequente woorden waarin specifieke letter(combinatie)s afwijkend worden uitgesproken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Tweeklanken in frequente leenwoorden:
    cacao, patio, koala
  225. NL.225 Gebruiken L4 L5 L6 L6 1.2.4

    Schrijven frequente leenwoorden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van leenwoorden en frequente woorden waarin specifieke letter(combinatie)s afwijkend worden uitgesproken

  226. NL.226 Begrijpen L5 L6 L6 1.2.4

    Herkennen frequente woorden met een afwijkende uitspraak van de letters ‘g’, ‘j’ en ‘ch’.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van leenwoorden en frequente woorden waarin specifieke letter(combinatie)s afwijkend worden uitgesproken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Frequente woorden met een afwijkende uitspraak:
    de bagage, de jury, de chauffeur
  227. NL.227 Begrijpen L5 L6 L6 1.2.4

    Herkennen in frequente woorden fonemen die als bepaalde grafemen geschreven worden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van leenwoorden en frequente woorden waarin specifieke letter(combinatie)s afwijkend worden uitgesproken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Fonemen die als bepaalde grafemen geschreven worden:
    • k als c
    • s als c
    • t als th
    • i als y
    • z als s
    • s als t
    • ks als cc
    • k als cc
    • k als q
    • kw als qu
    • ks als x
    • wr als vr
    • oo als eau
    • oo als au
    • oe als ou
    • ie als i

    Voorbeelden

    Woorden met fonemen die als bepaalde grafemen geschreven worden:
    cursus, citroen, thuis, systeem, museum, politie, accent, accordeon, quotiënt, aquarium,
    examen, wreed, bureau, restaurant, journalist, februari
  228. NL.228 Begrijpen L5 L6 L6 1.2.4

    Herkennen in frequente woorden medeklinkers die niet uitdrukkelijk uitgesproken worden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van leenwoorden en frequente woorden waarin specifieke letter(combinatie)s afwijkend worden uitgesproken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Frequente woorden met medeklinkers die niet uitdrukkelijk uitgesproken worden:
    zachtjes, het lichtje
  229. NL.229 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.4

    Schrijven woorden waarin specifieke letter(combinatie)s afwijkend worden uitgesproken.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van leenwoorden en frequente woorden waarin specifieke letter(combinatie)s afwijkend worden uitgesproken

  230. NL.230 Begrijpen L5 L6 L6 1.2.4

    Illustreren de oorsprong van woorden uit verschillende vakgebieden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van leenwoorden en frequente woorden waarin specifieke letter(combinatie)s afwijkend worden uitgesproken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Oorsprong van woorden uit verschillende vakgebieden:
    fauna en flora uit het Latijn; fotografie uit het Grieks
  231. NL.231 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.4

    Schrijven woorden uit verschillende vakgebieden met een oorsprong in het Latijn of Grieks.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van leenwoorden en frequente woorden waarin specifieke letter(combinatie)s afwijkend worden uitgesproken

  232. NL.232 Begrijpen L5 L6 L6 1.2.4; L6 1.4.5

    Herkennen vaak voorkomende afkortingen, initiaalwoorden en letterwoorden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van leenwoorden en frequente woorden waarin specifieke letter(combinatie)s afwijkend worden uitgesproken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    afkortingen:
    a.u.b., bv.
    initiaalwoorden:
    EHBO, pc
    letterwoorden:
    vip, ufo
  233. NL.233 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.4; L6 1.4.5

    Schrijven vaak voorkomende afkortingen, initiaalwoorden en letterwoorden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van leenwoorden en frequente woorden waarin specifieke letter(combinatie)s afwijkend worden uitgesproken

  234. NL.234 Begrijpen L2 L3 L4 1.2.5

    Illustreren de regels voor het gebruik van hoofdletters bij schrijven.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Hoofdletters en interpunctie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Regels voor het gebruik van hoofdletters:
    • aan het begin van een zin
    • bij het schrijven van eigennamen van personen
    • bij titels van boeken en films

    Te hanteren begrippen

    de hoofdletter, de kleine letter

    Voorbeelden

    Gebruik van hoofdletters:
    • Op een dag gebeurde er iets geks.
    • Erwin Vandenbroucke, Adelinde Loconsole
    • Sjakie en de chocoladefabriek (boek van Roald Dahl)
    • Wonka (film naar het boek van Roald Dahl)
  235. NL.235 Begrijpen L3 L4 L4 1.2.5

    Illustreren de regels voor het gebruik van hoofdletters bij schrijven.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Hoofdletters en interpunctie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Regels voor het gebruik met hoofdletters:
    • het eerste woord van een aanhaling
    • aan het begin van een zin
    • aardrijkskundige namen
    • namen van windstreken die verwijzen naar een geografisch gebied
    • feestdagen
    • namen van talen en taalvariëteiten
    
    Regels voor het gebruik zonder hoofdletter:
    • een zin die met een getal begint

    Te hanteren begrippen

    de hoofdletter, de kleine letter

    Voorbeelden

    Met hoofdletter:
    • Hij zei: “Ik lust geen kaas.”
    • België, Gent, Limburg
    • Noord, Zuid
    • Dag van de Leraar, Dag van de Arbeid, Nieuwjaar, Internationale Vrouwendag,
        Europese Dag van de Talen, Werelddierendag
    • Nederlands, West-Vlaams
    Zonder hoofdletter:
    67 personen werden geëvacueerd.
  236. NL.236 Begrijpen L5 L6 L6 1.2.4

    Illustreren de regels voor het gebruik van hoofdletters bij schrijven.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Hoofdletters en interpunctie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Regels voor het gebruik met hoofdletter:
    • na een afgekort woord aan het begin van een zin: ‘s en ‘t
    • vaste benaming van een bekende historische gebeurtenis
    • afleidingen van aardrijkskundige namen
    • namen van windstreken die deel uitmaken van aardrijkskundige namen
    • namen van gebouwen, bedrijven en merken
    
    Regels voor het gebruik zonder hoofdletter:
    • historische periodes
    • namen van windstreken in afleidingen

    Voorbeelden

    Met hoofdletter:
    • ’s Morgens eet ik yoghurt.
    • de Slag bij Waterloo, de Tweede Wereldoorlog
    • een Antwerpenaar, Franse kaas
    • Zuid-Afrika, Noord-Amerika
    • het Atomium
    Zonder hoofdletter:
    • middeleeuwen, ijstijd, juli
    • de westerse beschaving, oosterse wijsheid
  237. NL.237 Gebruiken L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.2.5; L6 1.2.4

    Passen de regels voor het gebruik van hoofdletters toe bij schrijven.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Hoofdletters en interpunctie

  238. NL.238 Gebruiken L1 L2 L4 1.2.8

    Gebruiken interpunctietekens bij het schrijven.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Hoofdletters en interpunctie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Interpunctietekens:
    • het punt
    • het uitroepteken
    • het vraagteken
  239. NL.239 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.8

    Gebruiken interpunctietekens bij het schrijven.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Hoofdletters en interpunctie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Interpunctietekens:
    • het dubbele punt
    • de komma
  240. NL.240 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.6

    Gebruiken interpunctietekens bij het schrijven.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Hoofdletters en interpunctie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Interpunctietekens:
    de dubbele aanhalingstekens, de haakjes
  241. NL.241 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.4

    Schrijven frequent gebruikte woorden met woordtekens.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Hoofdletters en interpunctie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Woordtekens:
    het trema, het koppelteken, de apostrof, het accent

    Te hanteren begrippen

    het trema, het koppelteken, de apostrof, het accent
  242. NL.242 Engageren L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.2.8; L6 1.2.6

    Tonen hun kennis van spelling in verschillende contexten.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Hoofdletters en interpunctie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Jean-Baptist controleert zijn toets op spelling en merkt dat hij werkwoorden in de
        verleden tijd correct moet vervoegen om een foutloze tekst te schrijven.
    • Lena schrijft een boodschappenlijstje en let erop dat ze woorden zoals ‘yoghurt’ en
        ‘mayonaise’ correct spelt.
  243. NL.243 Gebruiken L2 L3 L4 1.2.8

    Schrijven zinnen en teksten met aandacht voor het gebruik van hoofdletters en interpunctie.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Correct schrijven van zinnen en teksten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gebruik van hoofdletters en interpunctie:
    • hoofdletter aan het begin van een zin
    • leesteken aan het einde van de zin: punt, uitroepteken, vraagteken
  244. NL.244 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.8

    Schrijven zinnen en teksten met aandacht voor het gebruik van hoofdletters en interpunctie.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Correct schrijven van zinnen en teksten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gebruik van hoofdletters en interpunctie:
    • hoofdletter aan het begin van een zin, inclusief uitzondering bij een zin die met een
        getal begint
    • leesteken in de zin: komma, dubbele punt
  245. NL.245 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.6

    Schrijven zinnen en teksten met aandacht voor het gebruik van hoofdletters en interpunctie.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Correct schrijven van zinnen en teksten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gebruik van hoofdletters en interpunctie:
    • hoofdletter aan het begin van een zin, inclusief uitzonderingen zoals ’s Morgens… en 14
        dagen later…
    • hoofletter aan het begin van een aanhaling
    • leesteken in de zin: dubbele aanhalingstekens
  246. NL.246 Gebruiken L1 L2 L4 1.2.8

    Schrijven zinnen in teksten met aandacht voor zinsstructuren.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Correct schrijven van zinnen en teksten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Zinnen:
    • enkelvoudige zinnen
    • mededelende zin
    
    Zinsstructuren:
    • juiste woordvolgorde: met woorden op de juiste plaats in de zin, afgestemd op de soort
        zin
  247. NL.247 Gebruiken L2 L3 L4 1.2.8

    Schrijven zinnen in teksten met aandacht voor zinsstructuren.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Correct schrijven van zinnen en teksten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Zinnen:
    • enkelvoudige zinnen
    • uitroepende zin, vragende zin, ontkennende zin, gebiedende wijs
    
    Zinsstructuren:
    • juiste woordvolgorde: met woorden op de juiste plaats in de zin, afgestemd op de soort
        zin
  248. NL.248 Gebruiken L3 L4 1.2.8; L6 1.2.6

    Schrijven zinnen in teksten met aandacht voor zinsstructuren.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Correct schrijven van zinnen en teksten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Zinnen:
    • enkelvoudige en samengestelde zinnen
    • mededelende zin
    
    Zinsstructuren:
    • juiste woordvolgorde: met woorden op de juiste plaats in de zin, afgestemd op de soort
        zin
  249. NL.249 Gebruiken L4 L5 L6 L4 1.2.8; L6 1.2.6

    Schrijven zinnen in teksten met aandacht voor zinsstructuren.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Correct schrijven van zinnen en teksten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Zinnen:
    • enkelvoudige en samengestelde zinnen
    • mededelende zin, uitroepende zin, vragende zin, ontkennende zin, gebiedende wijs
    
    Zinsstructuren:
    • juiste woordvolgorde: met woorden op de juiste plaats in de zin, afgestemd op de soort
        zin
  250. NL.250 Gebruiken K2 K3 KO 1.2.8

    Gebruiken tekeningen, krabbels, symbolen, letter- of cijfervormen om ideeën, gebeurtenissen en kennis vast te leggen.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Lotje tekent een smiley naast haar opdracht om aan te geven dat ze het leuk vond om
        die te maken.
    • Achilles vult de eerste letter van een woord aan met een zelf uitgevonden letterteken.
  251. NL.251 Gebruiken K2 K3 KO 1.2.8

    Geven de betekenis van hun schrijfproduct weer.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Gilles toont met trots zijn prijslijst en zegt: “Ik heb een lijst gemaakt voor de winkel”
  252. NL.252 Gebruiken K2 K3 KO 1.2.8

    Gebruiken specifieke stukken uit het schrijfproduct als antwoord op een specifieke vraag.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    De leraar vraagt aan Gilles wat hij schreef. Hij toont zijn prijslijst, zegt en wijst tegelijkertijd
    aan: “Ik schreef wortel, brood, banaan en de prijzen”
  253. NL.253 Gebruiken K2 K3 KO 1.2.8

    Gebruiken het schrijven geïntegreerd tijdens hun spel.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Schrijven:
    • tekeningen
    • al dan niet uitgevonden grafemen
  254. NL.254 Gebruiken K2 K3 KO 1.2.8

    Schrijven teksten voor zelfgekozen doeleinden.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Teksten voor zelfgekozen doeleinden:
    • kopiërend letters, woorden en zinnen schrijven voor eigen plezier
    • een eigen ervaring, belevenis, gevoelens… in een dagboek schrijven
  255. NL.255 Gebruiken L1 L2 L4 1.2.9

    Noteren informatie in een aangeboden schematische voorstelling.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Informatie:
    uit verschillende vakdisciplines
    
    Schematische voorstelling:
    • schema
    • lijst

    Voorbeelden

    • Het is winter. De kinderen leren over weersverschijnselen die bij de winter horen. Ze
        leren ook dat daar aangepaste kledij bij hoort. Ze maken een lijstje van welke kledij
        geschikt is om in de winter te dragen.
    • In de les verkeer onderzoeken de kinderen welke soorten verkeersborden er zijn. Ze
        noteren in hun schema welke vormen en kleuren de aangeboden verkeersborden
        hebben, door de vorm te tekenen en in te kleuren. Samen met de leerkracht noteren ze
        er de naam bij en wat de betekenis van de combinatie van vorm en kleur is, zoals
        verbodsbord, gevaarsbord… Zo hebben ze een handig overzicht gemaakt van de soorten
        verkeersborden dat ze later nog kunnen raadplegen om de betekenis van een ongezien
        verkeersbord te achterhalen.
  256. NL.256 Begrijpen L3 L4 L4 1.2.9

    Herkennen kernwoorden in teksten.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

  257. NL.257 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.9

    Maken beknopte notities met behulp van kernwoorden uit teksten.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Teksten:
    • mondeling of schriftelijk aangeboden
    • van verschillende vakdisciplines
  258. NL.258 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.9

    Gebruiken schematische voorstellingen bij het ordenen van inhouden uit teksten.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gebruiken:
    • met gebruik van kernwoorden
    • met weergave van verbanden

    Voorbeelden

    • In een tekst over de verschillende diersoorten worden er verschillende voorbeelden
        gegeven. Suzanna en Doris maken samen een lijstje waarin ze per diersoort de
        voorbeelden opsommen.
    • Linde en Samia vergelijken twee landschappen met elkaar. Ze stellen dit voor in een
        venndiagram.
  259. NL.259 Begrijpen L3 L4 L4 1.2.10

    Verwoorden de hoofdgedachte van een tekst in een korte zin.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Tekst:
    • een alinea of de volledige tekst
    
    Verwoorden:
    • met behulp van genoteerde kernwoorden
  260. NL.260 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.10

    Schrijven de hoofdgedachte van een tekst in een korte zin.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Tekst:
    • een alinea of de volledige tekst
    
    Schrijven:
    • met behulp van kernwoorden
  261. NL.261 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.9

    Maken gestructureerde aantekeningen met behulp van kernwoorden.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

  262. NL.262 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.7

    Schrijven in eigen woorden het kernidee van een tekst op.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Tekst:
    een alinea of de volledige tekst
  263. NL.263 Begrijpen L5 L6 GO!-doel

    Verwoorden het belang van het samenvatten van teksten.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Belang van samenvatten:
    • informatie verwerven en onthouden
    • Een gelezen verhaal kort samenvatten omdat je het wil aanraden aan een vriend.
  264. NL.264 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.8

    Vatten een tekst samen.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Samenvatten:
    • kernidee/hoofdgedachte
    • argumenten
    • relevante details
  265. NL.265 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.8

    Vatten de inhoud van teksten samen, gebruikmakend van de tekststructuur/verhaalstructuur.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Tekststructuur/verhaalstructuur:
    • vormelijke elementen van tekststructuur/verhaalstructuur: titel, tussentitel, alinea,
        hoofdstuk, bladzijde, regel, cursief, vet, tekstopmaak
    • inhoudelijke elementen van tekststructuur: oorzaak-gevolgstructuur, chronologische
        opbouw, probleem-oplossingsstructuur, vergelijkende opbouw, beschrijvende opbouw
    • inhoudelijke elementen van verhaalstructuur: begin (kennismaking: personages, situatie,
        plaats), midden (probleem en obstakels), slot (oplossing en afloop); chronologische
        opbouw

    Te hanteren begrippen

    het hoofdstuk, de bladzijde, de alinea, de regel, de titel, de tussentitel, de tekstopmaak,
    cursief, vet
  266. NL.266 Gebruiken L5 L6 GO!-doel

    Schrijven teksten op basis van informatie, verzameld uit verschillende bronnen (synthese).

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

  267. NL.267 Begrijpen K2 K3 KO 1.2.9

    Illustreren de functies van geschreven taal.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Invloed van de auteur op de lezer

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Functies van geschreven taal:
    • om te informeren
    • om te communiceren
  268. NL.268 Begrijpen L3 L4 L4 1.2.16

    Illustreren dat je als auteur invloed kan uitoefenen op de lezer.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Invloed van de auteur op de lezer

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Invloed auteur:
    • taalgebruik
    • woordkeuze

    Voorbeelden

    Invloed auteur:
    • In een spannend verhaal kies je geschikte woorden om als auteur te beschrijven wat een
        angstig personage voelt, ziet en hoort. De lezer kan deze spanning als het ware in zijn
        lichaam voelen.
    • Als auteur van een informatiebrochure kies je voor korte, krachtige zinnen en duidelijke
        afbeeldingen. Zo moet de lezer weinig moeite doen om te lezen en is die toch goed
        geïnformeerd.
  269. NL.269 Engageren L3 L4 L4 1.2.16

    Reflecteren samen over de invloed die elkaars schrijfproducten uitoefenen op lezers.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Invloed van de auteur op de lezer

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Evi maakte een poster om iedereen duidelijk te maken dat bananenschillen in de
        groenafvalbak horen. Ze kleurde de afvalbak groen en tekende een pijl van de
        bananenschil naar de vuilbak. Evi en haar klasgenoten reflecteren samen over de
        duidelijkheid van deze boodschap. Ze leggen aan elkaar uit hoe zij de boodschap op de
        poster van Evi begrijpen.
    • Mehmet maakte een verslag met een tekening over de voetbalmatch. Mehmet schreef in
        grote letters wat de supporters riepen en hij gebruikte uitroeptekens. Mehmet en zijn
        klasgenoten reflecteren samen over de tekstopmaak. Zij leggen aan elkaar uit in
        hoeverre grote letters en uitroeptekens duidelijk maken dat de supporters roepen.
    • Daria schreef een spookverhaal. De leerlingen ervaren hoe spannend het is door de
        manier waarop Daria beschrijft hoe het hoofdpersonage kippenvel krijgt en rilt van angst
        wanneer ze een deur hard hoorde dichtklappen. Daria en haar klasgenoten reflecteren
        samen over de spanning in het verhaal. Ze geven aan welke woorden of woordgroepen
        het verhaal voor hen spannend maken.
  270. NL.270 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.15

    Geven weer wat hen als auteur motiveert om iets te schrijven wat invloed kan uitoefenen op de lezers.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Invloed van de auteur op de lezer

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Dario schreef als auteur van een fantastisch verhaal over de knotsgekke avonturen van
        een kind om de lezers plezier te doen beleven aan een fantasievol verhaal.
    • Misha wil als auteur dierenleed onder de aandacht brengen door een schokkende poster
        van een verwaarloosd huisdier te maken.
  271. NL.271 Begrijpen L3 L4 L5 L6 L4 1.2.11; L4 1.2.12; L4 1.2.13; L4 1.2.14; L4 1.2.15; L4 1.2.16; L4 1.2.17; L4 1.2.18; L6 1.2.10; L6 1.2.11; L6 1.2.12; L6 1.2.13; L6 1.2.14; L6 1.2.15; L6 1.2.16; L6 1.2.17

    Beschrijven stappen van een schrijfproces.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Schrijfstrategieën

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Schrijfproces:
    • schrijven voorbereiden
    • boodschap formuleren
    • reviseren
    • verzenden/ publiceren
    • reflecteren op het schrijfproces
  272. NL.272 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.2.19; L6 1.2.18

    Voeren de stappen van het schrijfproces nauwkeurig uit.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Schrijfstrategieën

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Uitvoeren:
    • met aandacht
    • met doorzettingsvermogen
  273. NL.273 Begrijpen K2 K3 L1 KO 1.2.9

    Beschrijven het schrijfdoel en -publiek.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Schrijven voorbereiden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Schrijfdoel en -publiek:
    • Binnenkort gaan de kleuters op bezoek in het rusthuis. Samen met de meester schrijven
        ze een brief om de inwoners van het rusthuis te vertellen dat ze ernaar uitkijken om
        samen spelletjes te spelen en dat ze een verrassing voor hen hebben. Samen met de
        meester verwoorden de kleuters dat ze een brief schrijven aan de rusthuisbewoners
        (publiek) om hen te informeren over wat ze komen doen (doel).
    • Richard (publiek) is ziek. Alle kinderen van de klas hebben een tekening voor hem
        gemaakt. Samen met de juf schrijven de kleuters een kaartje met beterschapswensen
        (doel). De kleuters brengen samen met de juf het hele pakket naar de post.
  274. NL.274 Begrijpen L2 L3 L4 L4 1.2.16

    Beschrijven het schrijfdoel en -publiek.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Schrijven voorbereiden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Beschrijven:
    gebruik makend van het communicatiemodel: zender, ontvanger, boodschap, kanaal
  275. NL.275 Begrijpen L5 L6 L6 1.2.15

    Beschrijven het schrijfdoel en -publiek.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Schrijven voorbereiden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Beschrijven:
    gebruik makend van het communicatiemodel: doel, medium, effect
  276. NL.276 Gebruiken K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.2.16; L6 1.2.15

    Bepalen het schrijfdoel en -publiek.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Schrijven voorbereiden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Sara heeft een raadsel geschreven en hangt het op het prikbord achteraan in de klas. Aan
        haar klasgenoten én de meester (publiek) vertelt ze dat zij hun oplossing (doel) op een
        papiertje mogen noteren en in de pot stoppen. Aan het einde van de week kijkt ze na of
        er iemand het raadsel heeft opgelost. Het juiste antwoord hangt ze bij het raadsel op het
        prikbord.
    • Tiago, Zayn en Matteo kiezen ervoor om een mail te schrijven naar het jeugdverblijf
        (publiek) waar ze binnenkort met de klas naartoe gaan. Ze willen weten of er een lift in
        het gebouw is zodat Zayn met zijn rolstoel naar de tweede verdieping kan gaan (doel).
  277. NL.277 Gebruiken L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.2.11; L6 1.2.10

    Selecteren een teksttype dat het best bij het schrijfdoel en het -publiek past.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Schrijven voorbereiden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Teksttype:
    uit een variatie aan teksten
  278. NL.278 Engageren L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.2.11; L6 1.2.10

    Reflecteren over de keuze van teksttype in functie van het schrijfdoel.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Schrijven voorbereiden

  279. NL.279 Begrijpen L2 L3 L4 L4 1.2.12; L4 1.2.13; L4 1.2.15

    Beschrijven manieren om een bepaald schrijfonderwerp voor te bereiden.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Schrijven voorbereiden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Manieren om een schrijfonderwerp voor te bereiden:
    • inhoud bedenken, gebruikmakend van vakspecifieke kennis en voorkennis
    • verzamelen van ideeën en informatie via een woordspin of schema
    • selecteren van ideeën en geschikte informatie
    • ordenen van ideeën en verzamelde informatie via een woordspin of schema
    • structureren van ideeën en verzamelde informatie: begin, midden, slot

    Te hanteren begrippen

    het begin, het midden, het slot

    Voorbeelden

    Manieren om een schrijfonderwerp voor te bereiden:
    • inhoud bedenken, verzamelen en ordenen gebruik makend van een woordspin,
        mindmap, tabel
    • inhoud selecteren en structureren gebruik makend van een stroomschema, tijdlijn,
        venndiagram, boomdiagram
  280. NL.280 Begrijpen L5 L6 L6 1.2.11; L6 1.2.12; L6 1.2.14

    Beschrijven manieren om een bepaald schrijfonderwerp voor te bereiden.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Schrijven voorbereiden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Manieren om een schrijfonderwerp voor te bereiden:
    • inhoud bedenken, gebruikmakend van vakspecifieke kennis en voorkennis
    • inhoud bedenken met behulp van strategieën: brainstorm, vragen stellen, associëren
    • verzamelen van ideeën en informatie
    • selecteren van ideeën en geschikte informatie
    • ordenen van ideeën en verzamelde informatie
    • structureren van ideeën en verzamelde informatie: titel, tussentitels, alinea’s,
        structuuraanduiders

    Te hanteren begrippen

    de titel, de tussentitel, de alinea, verwijswoorden, verbindingswoorden

    Voorbeelden

    Manieren om een schrijfonderwerp voor te bereiden:
    • inhoud bedenken en verzamelen gebruik makend van een woordspin, mindmap, tabel
    • inhoud selecteren en structureren gebruik makend van een stroomschema, tijdlijn,
        venndiagram, boomdiagram
  281. NL.281 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.2.13; L6 1.2.12

    Ordenen verzamelde ideeën en informatie over het bepaalde schrijfonderwerp.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Schrijven voorbereiden

  282. NL.282 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.2.13

    Selecteren relevante ideeën en informatie die in de geschreven tekst zullen worden verwerkt.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Schrijven voorbereiden

  283. NL.283 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.12

    Selecteren geschikte informatie uit verschillende (relevante) bronnen.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Schrijven voorbereiden

  284. NL.284 Engageren K2 K3 KO 1.2.10

    Dragen bij aan een tekst om eigen ervaringen, creatieve ideeën en aangeboden inhouden vast te leggen.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Boodschap formuleren

  285. NL.285 Gebruiken K2 K3 L1 KO 1.2.10

    Schrijven teksten over voor hen bekende onderwerpen.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Boodschap formuleren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Schrijven:
    • samen met de leraar
    • met letters, cijfers en al dan niet uitgevonden tekens
  286. NL.286 Begrijpen L1 L2 L3 KO 1.2.10

    Begrijpen het principe van hardop schrijven.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Boodschap formuleren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Principe van hardop schrijven:
    • gedachten weergeven in de vorm van woorden, zinnen en teksten
    • zinnen en formuleringen uitproberen ‘in mijn hoofd’
  287. NL.287 Gebruiken L1 L2 L4 1.2.14; L; 4; L4 1.2.16

    Schrijven korte teksten.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Boodschap formuleren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Korte teksten:
    • met meestal één inhoudselement
    • vaak met chronologische opbouw
    • korte zinnen, meestal enkelvoudig, grammaticaal eenvoudig
  288. NL.288 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.11; L4 1.2.14; L4 1.2.16

    Schrijven langere teksten.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Boodschap formuleren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Langere teksten:
    • met enkele inhoudselementen
    • met chronologische opbouw
    • langere zinnen, naast enkelvoudige ook samengestelde zinnen
  289. NL.289 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.10; L6 1.2.13; L6 1.2.15

    Schrijven langere teksten.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Boodschap formuleren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Langere teksten:
    • met meerdere, samenhangende inhoudselementen: de tekst bevat steeds meer details,
        karakters worden steeds meer uitgediept, ideeën worden steeds dieper uitgewerkt
    • variatie in zinsbouw
    • gepaste woordkeuze
    • figuurlijk taalgebruik
    • register afgestemd op het publiek
  290. NL.290 Gebruiken L1 L2 L3 L4 L4 1.2.18

    Verbeteren hun schrijfproducten op basis van feedback.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Reviseren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Shari kan heel goed vriendschapsbandjes maken. Ze maakt een stappenplan voor haar
        klasgenootjes, zodat die zelf vriendschapsbandjes kunnen maken. Ze beschrijft hoe de
        draden aan elkaar geknoopt moeten worden, maar vergeet te schrijven dat het een
        stappenplan is om vriendschapsbandjes te maken. Haar klasgenootjes geven haar
        hierover feedback. Shari verbetert haar werk door een passende titel bovenaan haar
        stappenplan te schrijven.
    • In zijn verhaal gebruikt Bert vaak erg lange zinnen zonder komma’s. Bij een klassikale
        leesbeurt door de meester valt het de leerlingen op dat er weinig leestekens gebruikt
        zijn. Bert gaat er meteen mee aan de slag. Het helpt hem om daarbij de zinnen zachtjes
        aan zichzelf voor te lezen. Zo merkt hij wanneer er een komma moet komen om adem te
        halen.
  291. NL.291 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.18

    Lezen zelfgeschreven schrijfproducten na.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Reviseren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Nalezen:
    verbeteren foutjes die ze zelf opmerken alvorens hun werk in te leveren
  292. NL.292 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.2.18; L6 1.2.16

    Gaan in dialoog met elkaar bij het reviseren van hun schrijfproducten.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Reviseren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Reviseren:
    • tekststructuur
    • zinsbouw
    • woordgebruik
    • tekstconventies
    • spelling

    Voorbeelden

    • Levi las zijn zelfgeschreven verhaal voor in de klas. De klasgenoten konden meelezen op
        het Smartboard. Nona merkt op dat het hoofdpersonage zeer goed beschreven is: ze kan
        zich inbeelden hoe die eruitziet en hoe die zich voelt. (woordgebruik)
    • Jax en Phil schreven een krantenartikel over de klasuitstap voor de schoolkrant. Lien en
        Frauke lezen het artikel na. Ze ervaren de tekst als verwarrend omdat alle
        gebeurtenissen door elkaar zijn opgesomd. Ze helpen Jax en Phil om de tekst goed te
        structureren.
  293. NL.293 Begrijpen L3 L4 GO!-doel

    Illustreren hulpmiddelen om schrijfproducten te reviseren.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Reviseren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Hulpmiddelen:
    woordenboek
  294. NL.294 Begrijpen L5 L6 GO!-doel

    Illustreren hulpmiddelen om schrijfproducten te reviseren.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Reviseren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Hulpmiddelen:
    woordenboek, spellingscorrector
  295. NL.295 Gebruiken L3 L4 L5 L6 GO!-doel

    Gebruiken hulpmiddelen bij het reviseren van schrijfproducten.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Reviseren

  296. NL.296 Engageren K2 K3 GO!-doel

    Tonen een selectie aan eigen schrijfproducten.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Verzenden/ publiceren

  297. NL.297 Gebruiken L1 L2 L3 L4 L5 L6 GO!-doel

    Selecteren uit eigen geschreven teksten welke ze willen delen met anderen.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Verzenden/ publiceren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigen geschreven teksten:
    • persoonlijke teksten
    • teksten van de groep
  298. NL.298 Begrijpen L3 L4 L5 L6 L4 1.2.16; L4 1.2.17; L6 1.2.15; L6 1.2.17

    Illustreren criteria waaraan een schrijfproduct dat ze willen delen met anderen moet voldoen.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Verzenden/ publiceren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Criteria:
    • afgestemd op het publiek
    • gepast taalregister
    • gepaste woordkeuze
    • figuurlijk taalgebruik
    • variatie aan zinsbouw
    • gepaste tekstopmaak
    • gepaste kanaal en medium: geschreven tekst

    Voorbeelden

    Gepaste kanaal en medium - geschreven tekst:
    een kartonboekje voor een verhaal voor jonge kleuters, een poster om een oproep te doen
    aan kinderen, een brief aan een ouder persoon
  299. NL.299 Begrijpen L3 L4 L5 L6 GO!-doel

    Illustreren presentatievormen voor schrijfproducten.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Verzenden/ publiceren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Presentatievormen:
    een klaskrant, een poster, een dagboek, een presentatie, een leesboek, een informatiemuur
  300. NL.300 Gebruiken L3 L4 L5 L6 GO!-doel

    Bepalen een presentatievorm in functie van het schrijfdoel en publiek.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Verzenden/ publiceren

  301. NL.301 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.17

    Schrijven teksten met een verzorgde tekstopmaak.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Verzenden/ publiceren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Schrijven:
    passend bij het schrijfdoel
  302. NL.302 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.17

    Schrijven teksten met een verzorgde opmaak.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Verzenden/ publiceren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Verzorgde opmaak:
    • handgeschreven
    • digitaal
  303. NL.303 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.17

    Gebruiken digitale middelen om geschreven teksten vorm te geven.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Verzenden/ publiceren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Geschreven teksten:
    • voor verschillende doeleinden en -groepen
    
    Vormgeven:
    • volgens gangbare schrijfconventies

    Voorbeelden

    Digitale middelen:
    • verschillende devices (of dragers)
    • tekstverwerkers
    • presentatiesoftware
  304. NL.304 Begrijpen L3 L4 L5 L6 L4 1.2.18; L6 1.2.16

    Duiden de gemaakte keuzes bij het schrijven van een tekst in functie van het schrijfdoel.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Reflectie op het schrijven

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Duiden gemaakte keuzes:
    • over het eigen schrijfproces en schrijfproduct
    • over het schrijfproces en schrijfproduct van anderen

    Voorbeelden

    Keuzes in functie van het schrijfdoel:
    • Een brief schrijven op een wisbordje is niet handig.
    • De structuur ‘inleiding – midden – slot’ gebruiken bij het schrijven van een verhaal.
    • Bij een presentatie schrijf je trefwoorden, géén zinnen.
    • Bij een verslag over ons groepswerk schrijven we hoe we te werk zijn gegaan, in de juiste
        volgorde.
    • In een versje dat we schrijven voor de kleuters van de eerste kleuterklas, gebruiken we
        geen moeilijke woorden.
  305. NL.305 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.2.18; L6 1.2.16

    Vergelijken de eigen intentie als schrijver met de interpretatie van het publiek over hun eigen geschreven tekst.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Reflectie op het schrijven

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    De eigen intentie en interpretatie van het publiek:
    • Ik schreef een instructie om een doosje van papier te vouwen. Ik zie dat mijn klasgenoten
        er niet in slagen om met behulp van mijn instructie succesvol een doosje te vouwen. Mijn
        instructie is dus niet duidelijk genoeg.
    • Ik schreef een recensie over een boek dat ik héél goed vind. Ik zie dat mijn klasgenoten
        dit boek nu ook willen lezen. Ik ben erin geslaagd om mijn enthousiasme over het boek
        over te brengen op de klasgenoten die mijn recensie lazen.
  306. NL.306 Engageren L5 L6 L4 1.2.18; L6 1.2.16

    Reflecteren over hun persoonlijke schrijfstijl.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Reflectie op het schrijven

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Reflecteren:
    op kenmerken van hun teksten die specifiek zijn voor hun eigen schrijfstijl
  307. NL.307 Gebruiken L4 L5 L6 L4 1.2.17; L6 1.2.17

    Schrijven teksten met aandacht voor schrijfconventies.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Schrijfconventies:
    • leesbaar handschrift
    • tekstopmaak afgestemd op teksttype en schrijfdoel
    • met aandacht voor een passende bladschikking: schrijven naast de kantlijn, schrijven op
        de schrijflijn, spaties tussen woorden, zinnen en alinea’s, afspraken rond het gebruik van
        leestekens

    Te hanteren begrippen

    tekstopmaak, cursief, vet
  308. NL.308 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.12; L4 1.2.15

    Gebruiken kennis over tekststructuur/verhaalstructuur om de eigen gedachten te structureren ter voorbereiding op het uiteindelijke schrijfproduct.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Tekststructuur/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Tekststructuur:
    • vormelijke structuur
    • inhoudelijke structuur: oorzaak-gevolgstructuur, chronologische opbouw, probleem-
        oplossingstructuur, vergelijkende opbouw, beschrijvende opbouw

    Te hanteren begrippen

    de tekst, het begin, het midden, het slot
  309. NL.309 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.11; L6 1.2.14

    Gebruiken kennis over tekststructuur/verhaalstructuur om de eigen gedachten te structureren ter voorbereiding op het uiteindelijke schrijfproduct.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Tekststructuur/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Tekststructuur:
    • vormelijke structuur
    • inhoudelijke structuur: oorzaak-gevolgstructuur, chronologische opbouw, probleem-
        oplossingstructuur, vergelijkende opbouw, beschrijvende opbouw

    Te hanteren begrippen

    de titel, de tussentitel, de alinea, de structuuraanduiders
  310. NL.310 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.15

    Schrijven teksten met een eenvoudige en herkenbare structuur die bij het teksttype past.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Tekststructuur/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Teksten met eenvoudige en herkenbare structuur:
    • een recept: ingrediënten, werkwijze
    • een brief: plaats en datum, aanhef, slot
  311. NL.311 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.14

    Schrijven steeds complexer wordende teksten in een structuur die bij het teksttype past.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Tekststructuur/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Steeds complexer worden teksten:
    • een brochure: omslag met titel en afbeelding of logo; introductie; informatief gedeelte
        met alinea’s en tussentitels, contactgegevens
    • een verhaal: inleiding-midden-slot
  312. NL.312 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.15

    Schrijven teksten met variatie in zinsbouw.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Tekststructuur/verhaalstructuur

  313. NL.313 Engageren L4 L5 L6 L4 1.2.15; L6 1.2.14

    Tonen hun kennis over tekststructuur/verhaalstructuur in verschillende contexten.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Tekststructuur/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Levi leest een stappenplan om pannenkoeken te bakken. Hij zegt dat er eerst een lijst
        met benodigdheden staat, gevolgd door duidelijke instructies in volgorde. Hij herkent dat
        dit een instructietekst is.
    • Rebecca vertelt een zelfverzonnen verhaal aan haar klasgenoten. Ze begint met wie en
        waar, daarna vertelt ze wat er misloopt en eindigt met hoe het opgelost wordt. Ze
        gebruikt bewust de opbouw van een verhaalstructuur.
  314. NL.314 Gebruiken L2 L3 L6 1.2.14

    Gebruiken structuuraanduiders om verbanden in teksten weer te geven.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Verbanden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Structuuraanduiders:
    signaalwoorden die de volgorde aanduiden

    Voorbeelden

    Structuuraanduiders:
    eerst, toen, daarna
  315. NL.315 Begrijpen L3 L4 L5 L6 L6 1.2.14

    Illustreren het gebruik van structuuraanduiders.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Verbanden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Structuuraanduiders:
    • verwijswoorden: verwijzen naar iemand of iets wat eerder in de tekst genoemd was
    • verbindingswoorden: leggen verbanden tussen zinnen en tussen alinea’s
    • signaalwoorden: geven het soort verband tussen zinnen en tussen alinea’s weer (tijd:
        eerst, toen, daarna; oorzaak: omdat, doordat; gevolg: zodat, waardoor; tegenstelling:
        maar; opsomming: en, bovendien; conclusie: dus, daarom)

    Voorbeelden

    Structuuraanduiders:
    • Het konijn van Alice was verdwenen. Alle buren hielpen haar zoeken. (verwijswoord)
    • Juf Jo was ervan overtuigd dat onze school kampioen zou worden. We hadden dan ook
        goed getraind. (verbindingswoord)
    • Meester Steve gelooft dat het ons zal lukken om heerlijke pannenkoeken te bakken.
        Maar dan is het wel nodig om de ingrediënten precies af te meten. (signaalwoord)
  316. NL.316 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L6 1.2.14

    Gebruiken structuuraanduiders om verbanden in teksten weer te geven.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Verbanden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Structuuraanduiders:
    • verwijswoorden: verwijzen naar iemand of iets wat eerder in de tekst genoemd was
    • verbindingswoorden: leggen verbanden tussen zinnen en tussen alinea’s
    • signaalwoorden: geven het soort verband tussen zinnen en tussen alinea’s weer
  317. NL.317 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.14

    Gebruiken structuuraanduiders om verbanden in teksten weer te geven.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Verbanden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Structuuraanduiders:
    argumentatieve verbindingswoorden

    Voorbeelden

    Structuuraanduiders:
    We willen dat de bibliotheek in onze school aantrekkelijk blijft.
    • Daarom zetten we de boeken netjes terug op hun plaats in de boekenkasten. (argument)
    • Toch zijn er nog altijd boeken die in de sofa blijven liggen. (tegenargument)
  318. NL.318 Gebruiken K1 K2 K3 KO 1.3.1

    Luisteren aandachtig.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

  319. NL.319 Gebruiken K1 K2 K3 KO 1.3.1

    Gebruiken non-verbale communicatie bij het luisteren.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Non-verbale communicatie:
    • blik gericht houden
    • blik van de leraar volgen
    • oogcontact maken
    • aandacht voor lichaamstaal, mimiek en stemgebruik van de spreker
  320. NL.320 Gebruiken K1 K2 K3 KO 1.3.4

    Leiden de betekenis van mondelinge boodschappen af met behulp van de context.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Context:
    • visuele ondersteuning: boeken, prenten, concreet materiaal, presentatie,
        gebaren, mimiek
    • auditieve ondersteuning: stemgebruik, intonatie
  321. NL.321 Gebruiken K1 K0; 1.3.2

    Voeren enkelvoudige mondeling gegeven instructies uit.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

  322. NL.322 Gebruiken K2 K3 KO 1.3.2

    Voeren meervoudige mondeling gegeven instructies uit.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

  323. NL.323 Gebruiken K1 K2 K3 KO 1.3.2

    Reageren op eenvoudige mondeling gestelde vragen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Reageren:
    • verbaal
    • non-verbaal
    
    Vragen:
    • open vragen
    • gesloten vragen
    • denkstimulerende vragen
  324. NL.324 Gebruiken K2 K3 KO 1.3.3

    Formuleren vragen in functie van de luisteropdracht.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Luisteropdracht:
    • om meer informatie te krijgen
    • om na te gaan of ze de boodschap goed begrepen hebben
  325. NL.325 Begrijpen K3 L1 L2 L3 L4 L4 1.3.1

    Begrijpen in concrete luistersituaties expliciete boodschappen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

  326. NL.326 Gebruiken K3 L1 L2 L3 L4 L4 1.3.1

    Leiden in concrete luistersituaties expliciete boodschappen af.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

  327. NL.327 Begrijpen L5 L6 L6 1.3.1

    Begrijpen in concrete luistersituaties expliciete en impliciete boodschappen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

  328. NL.328 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.1

    Leiden in concrete luistersituaties expliciete en impliciete informatie af.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Impliciete boodschappen:
    • Bij ‘Ik heb het koud’ wordt niet gezegd: ‘Het zou fijn zijn als het raam
        gesloten werd.’
    • Bij ‘Je hebt je best gedaan’ wordt niet gezegd: ‘Het resultaat is niet goed
        genoeg.’
  329. NL.329 Gebruiken K2 K3 L1 L2 KO 1.3.4

    Leiden relaties en verbanden af bij een beluisterde tekst.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Relaties en verbanden:
    • oorzaak en gevolg
    • probleem en oplossing
  330. NL.330 Gebruiken L3 L4 L4 1.3.2

    Leiden relaties en verbanden af bij expliciete informatie uit een beluisterde tekst.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Relaties en verbanden:
    • oorzaak en gevolg
    • probleem en oplossing
    • middel-doelrelatie
    • conclusie trekken: informatie uit de tekst combineren om tot een
        conclusie te komen
  331. NL.331 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.1

    Leiden relaties en verbanden af bij expliciete en impliciete informatie uit een beluisterde tekst.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Relaties en verbanden:
    conclusie trekken: informatie uit de tekst combineren om tot een conclusie te
    komen
  332. NL.332 Begrijpen L3 L4 L5 L6 L4 1.3.10; L4 1.3.14

    Herkennen feiten en meningen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herkennen:
    in beluisterde teksten

    Te hanteren begrippen

    de mening, het feit
  333. NL.333 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.3.10; L4 1.3.14

    Onderscheiden feiten en meningen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Onderscheiden:
    in beluisterde teksten
  334. NL.334 Gebruiken K1 K2 K3 L1 KO 1.3.4

    Maken verbindingen tijdens het beluisteren van teksten.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Verbindingen:
    • tussen de tekst en eigen ervaringen
    • tussen de tekst en vakspecifieke (voor)kennis
  335. NL.335 Gebruiken L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.3.3; L6 1.3.2

    Maken verbindingen tijdens het beluisteren van teksten.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Verbindingen:
    • tussen de tekst en eigen ervaringen voorkennis
    • tussen de tekst en vakspecifieke (voor)kennis
    • tussen passages uit de tekst
  336. NL.336 Engageren K1 K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.3.3; L6 1.3.2

    Reflecteren over de kennis die de beluisterde tekst opleverde.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie kritisch verwerken

  337. NL.337 Gebruiken L1 L2 L4 1.3.2

    Analyseren in luistersituaties factoren van het communicatiemodel.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Analyseren:
    • relatie tussen zender en ontvanger
    • houding van de zender ten opzichte van de ontvanger en omgekeerd

    Te hanteren begrippen

    communicatie, de zender, de ontvanger
  338. NL.338 Gebruiken L3 L4 L4 1.3.2

    Analyseren in luistersituaties factoren van het communicatiemodel.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Analyseren:
    • relatie tussen boodschap en kanaal
    • mening, feit

    Te hanteren begrippen

    de boodschap, het kanaal
  339. NL.339 Gebruiken L3 L4 L4 1.3.4

    Geven weer hoe een spreker over het onderwerp denkt.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie kritisch verwerken

  340. NL.340 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.1

    Analyseren in concrete luistersituaties factoren van het communicatiemodel.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Analyseren:
    • het medium herkennen als drager van de boodschap
    • het kanaal herkennen als de weg waarlangs de boodschap wordt
        verspreid

    Te hanteren begrippen

    communicatie, het medium, het kanaal

    Voorbeelden

    Communicatiemodel:
    • via een persoonlijke gesprek (medium) een presentatie (kanaal) over een
        onderzoek geven
    • via een radiozender (medium) een reclameboodschap in een radiospot
        (kanaal) verspreiden
  341. NL.341 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.3

    Vergelijken hoe verschillende sprekers over eenzelfde onderwerp denken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie kritisch verwerken

  342. NL.342 Engageren L5 L6 L6 1.3.4

    Reflecteren over hoe de spreker hun standpunt beïnvloedt.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie kritisch verwerken

  343. NL.343 Begrijpen K2 K3 L1 KO 1.3.3

    Herkennen sturingsstrategieën in luistersituaties.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Het luisterproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij luisteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Sturingsstrategieën:
    • actualiseren van kennis en woordenschat
    • actief luisteren met behulp van luisterstrategieën
  344. NL.344 Gebruiken K2 K3 L1 KO 1.3.3

    Gebruiken sturingsstrategieën in luistersituaties.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Het luisterproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij luisteren

  345. NL.345 Begrijpen K2 K3 L1 L2 L3 L4 KO 1.3.3

    Herkennen herstelstrategieën bij het luisteren.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Het luisterproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij luisteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herstelstrategieën:
    controle van begrip door:
    • vragen om herhaling
    • vragen om verduidelijking
    • vragen om tempo of volume aan te passen
  346. NL.346 Gebruiken K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 KO 1.3.3

    Passen herstelstrategieën functioneel toe.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Het luisterproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij luisteren

  347. NL.347 Engageren K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 KO 1.3.3

    Tonen hun kennis van herstelstrategieën in verschillende contexten.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Het luisterproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij luisteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Caleb leest een moeilijk woord voor tijdens het hoekenwerk, maar hapert
        halverwege het woord. Hij stopt even, kijkt naar het woord, spreekt het
        opnieuw maar trager uit en probeert het opnieuw.
    • Asher legt een spel uit aan haar groepje, maar merkt dat de anderen het
        niet begrijpen. Ze herformuleert haar uitleg, gebruikt voorbeelden en
        controleert of iedereen het nu wel begrijpt.
  348. NL.348 Begrijpen L2 L3 L4 L4 1.3.5

    Beschrijven sturingsstrategieën in luistersituaties.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Het luisterproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij luisteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Sturingsstrategieën:
    • luisterdoel bepalen
    • toepassen van herstelstrategieën
    • controle bereiken luisterdoel
    • actief luisteren door toepassen van luisterstrategieën
    • actualiseren van kennis en woordenschat
  349. NL.349 Gebruiken L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.3.5; L6 1.3.2

    Passen sturingsstrategieën toe in luistersituaties.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Het luisterproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij luisteren

  350. NL.350 Gebruiken L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.3.5; L6 1.3.2

    Stemmen hun manier van luisteren af op het luisterdoel.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Het luisterproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij luisteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    • Een variatie aan manieren van luisteren: globaal luisteren, intensief
        luisteren, kritisch luisteren, empatisch luisteren
  351. NL.351 Engageren K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 KO 1.3.3; L4 1.3.5; L6 1.3.2

    Tonen hun kennis van sturingsstrategieën in verschillende contexten.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Het luisterproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij luisteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Norah hoort de juf iets zeggen maar begrijpt het niet goed. Ze steekt haar
        hand op en vraagt: “Wil je het nog eens zeggen, maar trager alsjeblieft?”
    • Isaac zit naast een klasgenoot die iets uitlegt over een spel, maar hij
        verstaat het niet goed. Hij vraagt: “Wat bedoel je precies met ‘kaart
        omdraaien’?”
  352. NL.352 Begrijpen K2 K3 L1 KO 1.3.4

    Herkennen luisterstrategieën in luistersituaties.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Het luisterproces sturen met behulp van strategieën › Luisterstrategieën (cognitief)

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Luisterstrategieën:
    • voorspellen
    • vragen stellen
    • visualiseren
    • verbinden
  353. NL.353 Gebruiken K2 K3 L1 KO 1.3.4

    Gebruiken luisterstrategieën in luistersituaties.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Het luisterproces sturen met behulp van strategieën › Luisterstrategieën (cognitief)

  354. NL.354 Begrijpen L2 L3 L4 L4 1.3.3

    Beschrijven luisterstrategieën in luistersituaties.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Het luisterproces sturen met behulp van strategieën › Luisterstrategieën (cognitief)

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Luisterstrategieën:
    • voorspellen
    • vragen stellen
    • visualiseren
    • verbinden
    • samenvatten
    • afleiden

    Te hanteren begrippen

    voorspellen, vragen stellen, visualiseren, verbinden, samenvatten, afleiden
  355. NL.355 Gebruiken L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.3.3; L4 1.3.5; L6 1.3.2

    Passen luisterstrategieën toe in luistersituaties.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Het luisterproces sturen met behulp van strategieën › Luisterstrategieën (cognitief)

  356. NL.356 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.2

    Selecteren luisterstrategieën in luistersituaties.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Het luisterproces sturen met behulp van strategieën › Luisterstrategieën (cognitief)

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Selecteren:
    • Wanneer de luisterstrategie inzetten?
    • Waarom de luisterstrategie inzetten?
    • Welke luisterstrategie inzetten?
  357. NL.357 Engageren K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.3.3; L4 1.3.5; L6 1.3.2

    Tonen hun kennis van luisterstrategieën in verschillende contexten.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Het luisterproces sturen met behulp van strategieën › Luisterstrategieën (cognitief)

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Juf Linde toont de kleuters de kaft van het nieuwe boek dat ze gaat
        voorlezen. Daarop staat een grote vogel met zijn vleugel in een verband.
        Juf Linde vraagt de kleuters wat zij denken dat er zou kunnen gebeurd zijn
        met de vogel. De kleuters geven voorspellingen. Tijdens het lezen van het
        verhaal gaat juf Linde samen met de kleuters na of de voorspellingen
        overeenkomen met het verhaal. De kleuters sturen hun voorspellingen
        bij.
    • Er is een man met een blindengeleidehond naar de klas van Mika
        gekomen om uitleg te geven over hoe zo’n hond een blinde kan helpen.
        De kinderen stellen vragen om verduidelijking, of om nog meer te weten
        te komen.
  358. NL.358 Begrijpen K2 K3 KO 1.3.5

    Herkennen factoren voor verstaanbaar spreken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Verstaanbaarheid en expressie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Factoren voor verstaanbaar spreken:
    • verstaanbaar uitspreken van klanken en klankcombinaties
    • passend volume
  359. NL.359 Begrijpen L1 L2 L4 1.3.7

    Herkennen factoren voor verstaanbaar spreken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Verstaanbaarheid en expressie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Factoren voor verstaanbaar spreken:
    • correcte uitspraak van klanken en klankcombinaties
    • duidelijke articulatie
  360. NL.360 Begrijpen L3 L4 L4 1.3.7

    Herkennen factoren voor verstaanbaar spreken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Verstaanbaarheid en expressie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Factoren voor verstaanbaar spreken:
    • Standaardnederlands
    • gepaste klemtoon: zinsaccent en woordaccent
    • met een ondersteunende houding, passende gebaren en passende mimiek
    • met natuurlijkheid en emotionaliteit
  361. NL.361 Gebruiken K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 KO 1.3.5; L4 1.3.7

    Gebruiken hun kennis van verstaanbaar spreken bij het spreken, vertellen en presenteren.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Verstaanbaarheid en expressie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Spreken, vertellen en presenteren:
    • een verhaal vertellen
    • een gedicht voordragen
    • een mop vertellen
  362. NL.362 Gebruiken L3 L4 L4 1.3.1; 1

    Stemmen het spreken, presenteren en vertellen af op het spreekdoel en publiek.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Verstaanbaarheid en expressie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Afstemmen:
    • expressie
    • taalregister: formeel en informeel

    Voorbeelden

    Afstemmen van het spreken, presenteren en vertellen:
    • Yari, Matteo en Dries nemen samen een luisterverhaal op. Het is een griezelig verhaal
        over spoken, skeletten en geesten. Om de enge sfeer in het verhaal te brengen, lezen de
        jongens expressief: ze fluisteren, laten stiltes vallen, vertellen dan heel luid om het
        luisterpubliek te doen schrikken, krijsen om angst uit te drukken… (expressie)
    • Het thema van de week is ‘De aarde leeft’. In groepjes gaan de kinderen in allerlei
        teksten lezen over onderwerpen die bij het thema passen. Mandy en Soraya lezen een
        boek over een reiziger die een vulkaanuitbarsting meemaakt. Daarover maken ze een
        presentatie die ze gaan gebruiken in de klas. Daarbij komen vele vakspecifieke woorden
        aan bod. Tijdens hun presentatie leggen ze in hun eigen woorden aan de klasgenoten
        goed uit wat een krater, magma, lava… is. (register)
  363. NL.363 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.9

    Gebruiken expressie bij het spreken, vertellen en presenteren.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Verstaanbaarheid en expressie

  364. NL.364 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.9

    Gebruiken een gepast register bij het spreken, vertellen en presenteren.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Verstaanbaarheid en expressie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gepast register:
    • formele taal
    • Informele taal
  365. NL.365 Gebruiken L1 L2 L4 1.3.1; 2

    Gebruiken non-verbale communicatie om een boodschap te ondersteunen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Verstaanbaarheid en expressie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Non-verbale communicatie:
    lichaamstaal: oogcontact, lichaamshouding
  366. NL.366 Gebruiken L3 L4 1.3.; 12

    Gebruiken non-verbale communicatie om een boodschap te ondersteunen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Verstaanbaarheid en expressie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Non-verbale communicatie:
    • mimiek
    • intonatie
    • lichaamstaal: oogcontact, lichaamshouding, gebaren
  367. NL.367 Begrijpen K2 K3 L4 1.3.9

    Herkennen factoren van begrijpelijk en gepast spreken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Formulering

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Factoren van begrijpelijk en gepast spreken:
    • bij het onderwerp blijven
  368. NL.368 Begrijpen L1 L2 L3 L4 1.3.8; L4 1.3.9

    Herkennen factoren van begrijpelijk en gepast spreken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Formulering

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Factoren van begrijpelijk en gepast spreken:
    • woordkeuze
    • correcte zinsconstructies
    • samenhang
  369. NL.369 Begrijpen L4 L5 L6 L6 1.3.5; L6 1.3.6

    Herkennen factoren van begrijpelijk en gepast spreken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Formulering

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Factoren van begrijpelijk en gepast spreken:
    • gepaste woordkeuze
    • complexere zinsconstructies
    • ideeën, gedachten en verworven inzichten gestructureerd formuleren
  370. NL.370 Gebruiken K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 KO 1.3.6; L4 1.3.8; L4 1.3.9; L6 1.3.5; L6 1.3.6

    Spreken begrijpelijk en gepast.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Formulering

  371. NL.371 Gebruiken K1 K2 K3 L1 KO 1.3.7

    Vertellen samenhangend over gedachten en gebeurtenissen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Formulering

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Samenhangend:
    • met een aanzet tot volgorde
    • met een aanzet tot gebruik van structuuraanduiders (verwijs- en verbindingswoorden)
  372. NL.372 Begrijpen L2 L3 L4 1.3.9

    Illustreren gestructureerd en samenhangend spreken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Formulering

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gestructureerd en samenhangend:
    • logische en gemakkelijk te volgen samenhang
    • verbanden duidelijk aangevend met gebruik van gepaste structuuraanduiders (verwijs-,
        signaal- en verbindingswoorden)
  373. NL.373 Begrijpen L4 L5 L6 L4 1.3.9; L6 1.3.6

    Illustreren gestructureerd en samenhangend spreken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Formulering

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gestructureerd en samenhangend spreken:
    • logische en gemakkelijk te volgen samenhang
    • verbanden duidelijk aangevend met gebruik van gepaste structuuraanduiders (verwijs-,
        signaal- en verbindingswoorden)

    Te hanteren begrippen

    het begin, het midden, het slot
  374. NL.374 Gebruiken L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.3.9; L6 1.3.6

    Spreken gestructureerd en samenhangend.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Formulering

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gestructureerd en samenhangend:
    • logische en gemakkelijk te volgen samenhang
    • verbanden duidelijk aangevend met gebruik van gepaste structuuraanduiders (verwijs-,
        signaal- en verbindingswoorden)
  375. NL.375 Engageren K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 KO 1.3.7; L4 1.3.9; L6 1.3.6

    Reflecteren op factoren van verstaanbaar spreken in verschillende contexten.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Formulering

  376. NL.376 Gebruiken K1 K2 KO 1.3.6

    Formuleren mondeling korte zinnen met één of meer woorden.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Zinnen formuleren

  377. NL.377 Gebruiken K1 K2 KO 1.3.6

    Formuleren mondeling standaardzinnen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Zinnen formuleren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Standaardzinnen:
    Veel voorkomende zinnen in veel voorkomende communicatieve situaties.

    Voorbeelden

    Standaardzinnen:
    • Hoe heet jij?
    • Tot morgen!
  378. NL.378 Gebruiken K2 K3 KO 1.3.6

    Formuleren mondeling basiszinnen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Zinnen formuleren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Basiszinnen:
    • met aandacht voor eenvoudige zinsconstructies
    • mededelende, vragende, enkelvoudige en eenvoudig samengestelde zinnen

    Voorbeelden

    Basiszinnen:
    • Fikri maakt een tekening.
    • Waar is het potlood?
    • Ik teken een huis en daarna kleur ik het.
    • Ik ben moe want ik heb veel gespeeld.
  379. NL.379 Gebruiken L1 L4 1.3.8

    Formuleren mondeling verschillende soorten zinnen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Zinnen formuleren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Soorten zinnen:
    • enkelvoudige zinnen
    • de mededelende zin, de vragende zin, de uitroepende zin, de ontkennende zin, de
        gebiedende wijs
  380. NL.380 Gebruiken L2 L3 L4 L4 1.3.8

    Formuleren mondeling verschillende soorten zinnen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Zinnen formuleren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Soorten zinnen:
    • enkelvoudige zinnen
    • samengestelde zinnen: verbanden leggen met behulp van structuuraanduiders
    • de mededelende zin, de vragende zin, de uitroepende zin, de ontkennende zin, de
        gebiedende wijs
  381. NL.381 Gebruiken L5 L6 1.3.5

    Formuleren mondeling verschillende soorten zinnen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Zinnen formuleren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Soorten zinnen:
    • enkelvoudige complexere zinnen
    • samengestelde zinnen: verbanden leggen met behulp van structuuraanduiders
    • de mededelende zin, de vragende zin, de uitroepende zin, de ontkennende zin, de
        gebiedende wijs
  382. NL.382 Gebruiken L6 L6 1.3.5

    Formuleren mondeling verschillende soorten zinnen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Zinnen formuleren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Soorten zinnen:
    • enkelvoudige complexere zinnen
    • samengestelde complexere zinnen: verbanden leggen met behulp van
        structuuraanduiders
    • de mededelende zin, de vragende zin, de uitroepende zin, de ontkennende zin, de
        gebiedende wijs
  383. NL.383 Begrijpen L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.3.6; L6 1.3.8

    Illustreren stappen in het spreekproces.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Spreken voorbereiden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Stappen in het spreekproces:
    • spreken voorbereiden
    • boodschap formuleren
    • reviseren
    • presenteren
    • reflecteren op het spreekproces
  384. NL.384 Gebruiken L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.3.6; L6 1.3.8

    Verzamelen inhoud voor hun spreektaak.*

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Spreken voorbereiden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Verzamelen:
    • Bedenken wat ze zelf al weten over het onderwerp en vullen hun kennis aan met
        informatie die de leerkracht aangeboden heeft.
    • Maken een woordenwolk of mindmap over het onderwerp waarover ze gaan spreken.
    
    *onder begeleiding
  385. NL.385 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.3.6; L6 1.3.8

    Selecteren een teksttype die het beste bij het spreekdoel past.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Spreken voorbereiden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Teksttype:
    • een gedicht om te beschrijven hoe kleurrijke blaadjes van de boom in de herfst naar
        beneden dwarrelen
    • een interview om een klasgenoot te doen vertellen wat die zo geweldig vindt aan diens
        favoriete boek
  386. NL.386 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.3.6; L6 1.3.8

    Geven de inhoud van hun spreektaak gestructureerd weer.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Spreken voorbereiden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gestructureerd:
    • volgens de best passende tekststructuur bij het teksttype past
  387. NL.387 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.3.1; 0; L6 1.3.8

    Verzamelen onderbouwende argumenten om hun standpunten en meningen te staven.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Spreken voorbereiden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Standpunten en meningen:
    • op basis van voorkennis en vakspecifieke kennis
  388. NL.388 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.7; L6 1.3.8

    Selecteren onderbouwende argumenten om hun standpunten en meningen te staven.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Spreken voorbereiden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Standpunten en meningen:
    • op basis van voorkennis en vakspecifieke kennis
  389. NL.389 Gebruiken K1 K2 K3 KO 1.3.8

    Vertellen in een vertrouwde omgeving over een zelfgekozen onderwerp.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Boodschap formuleren

  390. NL.390 Gebruiken K2 K3 KO 1.3.7; KO 1.3.8

    Vertellen begrijpelijk en samenhangend over een zelfgekozen onderwerp.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Boodschap formuleren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vertellen:
    • met aandacht voor eenvoudige zinsconstructies
    • met een logische en gemakkelijk te volgen samenhang
  391. NL.391 Gebruiken L1 L2 KO 1.3.7; L4 1.3.7; L4 1.3.8; L4 1.3.9

    Spreken begrijpelijk, gepast en samenhangend.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Boodschap formuleren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Spreken:
    • in een variatie aan teksten
    • voor een publiek
    
    Begrijpelijk, gepast en samenhangend:
    • met aandacht voor goedgekozen woorden
    • met aandacht voor zinsconstructies die niet complexer zijn dan nodig
    • met aandacht voor Standaardnederlands en zinsaccent
    • met een logische en gemakkelijk te volgen samenhang
  392. NL.392 Gebruiken L3 L4 L4 1.3.7; L4 1.3.8; L4 1.3.9

    Spreken begrijpelijk, gepast en samenhangend.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Boodschap formuleren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Spreken:
    • in een variatie aan teksten
    • voor een publiek
    
    Begrijpelijk, gepast en samenhangend:
    • met aandacht voor goedgekozen woorden
    • met aandacht voor een gepaste woordkeuze
    • met aandacht voor zinsconstructies die niet complexer zijn dan nodig
    • met aandacht voor Standaardnederlands en zinsaccent
    • met aandacht voor correcte inhoud in het geval van informatieve en prescriptieve
        teksten
    • met aandacht voor onderbouwing bij meningen en standpunten
        in een gepast register
    • met een logische en gemakkelijk te volgen samenhang
    • Verbanden duidelijk aangevend met gebruik van verwijs- en verbindingswoorden
  393. NL.393 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.5; L6 1.3.6; L6 1.3.7; L6 1.3.9

    Spreken begrijpelijk, gepast en samenhangend.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Boodschap formuleren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Spreken:
    • in een variatie aan teksten
    • voor een publiek
    
    Begrijpelijk, gepast en samenhangend:
    • met aandacht voor goedgekozen woorden.
    • met aandacht voor een gepaste woordkeuze.
    • met aandacht voor complexere zinsconstructies die duidelijk zijn voor de luisteraar
    • met aandacht voor Standaardnederlands en zinsaccent
    • met aandacht voor correcte inhoud in het geval van informatieve en prescriptieve
        teksten
    • met aandacht voor onderbouwing bij meningen en standpunten
    • in een gepast register
    • met een logische en gemakkelijk te volgen samenhang
    • verbanden duidelijk aangevend met gebruik van verwijs- en verbindingswoorden
  394. NL.394 Begrijpen K3 L4 1.3.1; 3

    Herkennen fouten bij zichzelf tijdens het spreken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Reviseren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Fouten:
    • fout uitgesproken klanken, woorden en zinnen juist herhalen
  395. NL.395 Gebruiken K3 L4 1.3.1; 3

    Verbeteren zichzelf tijdens het spreken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Reviseren

  396. NL.396 Begrijpen L1 L2 L3 L4 1.3.1; 3

    Herkennen fouten bij zichzelf tijdens het spreken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Reviseren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Fouten:
    • fout uitgesproken klanken, woorden en zinnen
    • onduidelijke articulatie
  397. NL.397 Gebruiken L1 L2 L3 L4 1.3.1; 3

    Verbeteren zichzelf tijdens het spreken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Reviseren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Verbeteren:
    • fout uitgesproken klanken, woorden en zinnen juist herhalen
    • de intonatie en klemtoon passend bij de gesproken tekst herhalen
  398. NL.398 Begrijpen L4 L5 L6 L4 1.3.1; 3

    Herkennen fouten bij zichzelf tijdens het spreken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Reviseren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Fouten:
    • fout uitgesproken klanken, woorden en zinnen juist herhalen
    • de intonatie en klemtoon passend bij de gesproken tekst herhalen
    • een opbouw, gedachtegang of redenering herformuleren in functie van het begrip en de
        samenhang
  399. NL.399 Gebruiken L4 L5 L6 L4 1.3.1; 3

    Verbeteren zichzelf tijdens het spreken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Reviseren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Verbeteren:
    • fout uitgesproken klanken, woorden en zinnen juist herhalen
    • de intonatie en klemtoon passend bij de gesproken tekst herhalen
    • een opbouw, gedachtegang of redenering herformuleren in functie van het begrip en de
        samenhang
  400. NL.400 Gebruiken K2 K3 KO 1.3.8

    Vertellen in de klas.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Presenteren en vertellen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vertellen:
    • over ervaringen vanuit de eigen leefwereld en de klas- en schoolomgeving
    • over een plan van aanpak
  401. NL.401 Gebruiken L1 L2 L4 1.3.9

    Presenteren* aan een bekend publiek.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Presenteren en vertellen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Presenteren:
    • beschrijven van een voorwerp, persoon, dier of plaats
    • verslag uitbrengen over een ervaring of beleving
    • instructie geven over een plan van aanpak (uitleggen hoe je iets moet doen)
    • een mededeling doen
    
    * presenteren of vertellen
  402. NL.402 Gebruiken L3 L4 L4 1.3.9; L4 1.3.1; 0

    Presenteren* aan een bekend publiek.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Presenteren en vertellen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Presenteren:
    • verslag uitbrengen over een leeractiviteit
    • verzamelde informatie over een persoonlijk interesseveld uiteenzetten
    • een beschrijving geven
    • een mededeling of aankondiging doen
    • een anekdote vertellen
    • een mening formuleren
    
    * presenteren of vertellen
  403. NL.403 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.6; L6 1.3.7

    Presenteren* aan een bekend en onbekend publiek.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Presenteren en vertellen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Presenteren:
    • inzichten en besluit van een eerder gevoerd onderzoek delen
    • een mening uiteenzetten en beargumenteren
    • een oproep tot actievoeren
    • informatie, verzameld uit verschillende bronnen delen
    
    * presenteren of vertellen
  404. NL.404 Gebruiken L1 L2 L4 1.3.1; 2

    Gebruiken hulpmiddelen bij het presenteren* wanneer die de boodschap ondersteunen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Presenteren en vertellen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Hulpmiddelen:
    • concreet materiaal
    • afbeeldingen
    
    * presenteren of vertellen
  405. NL.405 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.3.1; 2

    Gebruiken hulpmiddelen bij mondeling presenteren*.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Presenteren en vertellen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Hulpmiddelen:
    • concreet materiaal
    • afbeeldingen
    • digitale hulpmiddelen zoals presentatiesoftware
    
    * presenteren of vertellen
  406. NL.406 Engageren L1 L2 GO!-doel

    Reflecteren over het eigen spreekproces.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Reflecteren op het spreekproces

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigen spreekproces:
    • de formulering van de boodschap tijdens het spreken
    • de presentatie bij het spreken
  407. NL.407 Engageren L3 L4 L5 L6 GO!-doel

    Reflecteren over het eigen spreekproces.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Reflecteren op het spreekproces

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigen spreekproces:
    • de voorbereiding voor het spreken
    • de keuze van het teksttype in functie van de boodschap en het publiek/ de ontvanger
    • de formulering van de boodschap tijdens het spreken
    • het eventuele reviseren of verbeteren tijdens het spreken
    • de presentatie bij het spreken
  408. NL.408 Begrijpen L3 L4 GO!-doel

    Illustreren kenmerken van een spreekstijl.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Reflecteren op het spreekproces

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Kenmerken van een spreekstijl:
    • verstaanbaarheid
    • het gebruik van lichaamstaal
    • expressie
    • taalregister
  409. NL.409 Engageren L3 L4 GO!-doel

    Reflecteren over de eigen spreekstijl en die van anderen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Reflecteren op het spreekproces

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Spreekstijl:
    • verstaanbaarheid
    • het gebruik van lichaamstaal
    • expressie
    • taalregister
  410. NL.410 Engageren L5 L6 GO!-doel

    Reflecteren over de eigen spreekstijl en die van anderen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Reflecteren op het spreekproces

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Spreekstijl:
    • verstaanbaarheid
    • het gebruik van lichaamstaal
    • expressie
    • taalregister
    • taalgebruik: complexiteit van zinnen, rijkdom van de woordenschat, breedvoerig of
        beknopt
  411. NL.411 Engageren L5 L6 GO!-doel

    Reflecteren over de boodschap van de spreker(s).

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Reflecteren op het spreekproces

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Reflecteren:
    Gebruik makend van gespreksstrategieën:
    • zich relevante zaken afvragen en vragen stellen
    • verbindingen zoeken tussen wat deelnemers zeggen
  412. NL.412 Gebruiken K1 K2 K3 KO 1.3.9

    Voeren gesprekken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Variatie aan mondelinge interactievormen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gesprekken:
    mondelinge interactievormen
    • rechtstreeks aansluitend bij de plaats, tijd en situatie waarin ze plaatsvinden
    • los van de zichtbare werkelijkheid

    Voorbeelden

    Gesprekken:
    • De kleuters bekijken samen met de leerkracht een apparaat (technisch systeem) en
        bespreken hoe het zou kunnen werken. (plaats, tijd en situatie)
    • Jonas vertelt over een bezoek dat hij samen met zijn ouders bracht aan hun
        grootouders in het rusthuis. (los van de zichtbare werkelijkheid)
  413. NL.413 Gebruiken L1 L2 L4 1.3.1; 4

    Participeren aan gesprekken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Variatie aan mondelinge interactievormen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Participeren:
    • doelgericht luisteren, spreken en non-verbaal reageren in het gesprek
    
    Gesprekken:
    mondelinge interactievormen
    • kringgesprek
    • onderwijsleergesprek
    • gesprek om informatie te geven of te vragen
    • dialoog
    • gesprekken in kleine groepen
  414. NL.414 Gebruiken L3 L4 L4 1.3.1; 4

    Participeren aan gesprekken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Variatie aan mondelinge interactievormen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Participeren:
    • doelgericht luisteren, spreken en non-verbaal reageren in het gesprek
    
    Gesprekken:
    mondelinge interactievormen
    • onderwijsleergesprek
    • gesprek om informatie te geven of te vragen
    • dialoog
    • groepsgesprek
    • discussie
  415. NL.415 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.1; 0

    Participeren aan gesprekken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Variatie aan mondelinge interactievormen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Participeren:
    • Doelgericht en genuanceerd luisteren, spreken en non-verbaal reageren in het gesprek
    
    Gesprekken:
    mondelinge interactievormen
    • onderwijsleergesprek
    • gesprek om informatie te geven of te vragen
    • dialoog
    • groepsgesprek
    • discussie
  416. NL.416 Gebruiken K3 L1 L2 KO 1.3.9; L4 1.3.1; 4

    Gaan met elkaar in gesprek om te onderhandelen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Deelnemen aan discussie en overleg

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Onderhandelen:
    • over het plan van aanpak bij een groepsactiviteit
    • over de oplossingsstrategie bij problemen
  417. NL.417 Gebruiken L3 L4 L4 1.3.1; 4

    Gaan met elkaar in gesprek om te onderhandelen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Deelnemen aan discussie en overleg

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Onderhandelen:
    • over het plan van aanpak bij een groepsactiviteit
    • over de taakverdeling bij een groepsactiviteit
    • over de oplossingsstrategie bij problemen
  418. NL.418 Gebruiken L3 L4 L4 1.3.1; 4

    Gaan met elkaar in gesprek om afspraken te maken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Deelnemen aan discussie en overleg

  419. NL.419 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.1; 0

    Voeren probleemoplossende gesprekken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Deelnemen aan discussie en overleg

  420. NL.420 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.1; 0

    Geven in een gesprek argumenten om de eigen mening te staven en een andere mening te ontkrachten.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Deelnemen aan discussie en overleg

  421. NL.421 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.1; 0

    Gebruiken vragen in een discussie om verduidelijking van de standpunten te krijgen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Deelnemen aan discussie en overleg

  422. NL.422 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.1; 0

    Vergelijken in een discussie argumenten en tegenargumenten.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Deelnemen aan discussie en overleg

  423. NL.423 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.1; 0

    Formuleren een conclusie bij een discussie.*

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Deelnemen aan discussie en overleg

  424. NL.424 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.1; 0

    Sturen in een discussie argumenten, het eigen standpunt of de eigen mening bij.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Deelnemen aan discussie en overleg

  425. NL.425 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.1; 0

    Geven in een discussie argumenten om de overtuiging van de anderen te veranderen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Deelnemen aan discussie en overleg

  426. NL.426 Gebruiken K1 K2 K3 KO 1.3.9

    Participeren spontaan aan gesprekken om persoonlijke ervaringen uit te wisselen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Informatie uitwisselen

  427. NL.427 Gebruiken K2 K3 L1 KO 1.3.9

    Gebruiken in een gesprek vraagzinnen om hulp te vragen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Informatie uitwisselen

  428. NL.428 Gebruiken K2 K3 KO 1.3.9

    Gebruiken in een gesprek vragen om de gewenste informatie te bekomen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Informatie uitwisselen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Informatie:
    • een behandeld onderwerp binnen de verschillende leergebieden
    
    Vraagsoorten:
    • gesloten vragen
    • open vragen
  429. NL.429 Gebruiken L1 L2 L4 1.3.1; 4

    Gebruiken in een gesprek vragen om de gewenste informatie te bekomen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Informatie uitwisselen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Informatie:
    • een behandeld onderwerp binnen de verschillende leergebieden
    
    Vraagsoorten:
    • gesloten vragen
    • open vragen
    • meerkeuzevragen
  430. NL.430 Gebruiken L3 L4 L4 1.3.1; 4

    Gebruiken in een gesprek verschillende vraagsoorten om informatie in te winnen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Informatie uitwisselen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vraagsoorten:
    • gesloten vragen
    • open vragen
    • reflectieve vragen
  431. NL.431 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.1; 0

    Gebruiken in een gesprek verschillende vraagsoorten om informatie in te winnen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Informatie uitwisselen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vraagsoorten:
    • kritische vragen
    • hypothetische vragen
    • controlevragen
  432. NL.432 Engageren L3 L4 L5 L6 L4 1.3.1; 4; L6 1.3.1; 0

    Tonen hun kennis over het stellen van vragen in verschillende contexten.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Informatie uitwisselen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Ezra bladert in een informatief boek over vulkanen en zegt: “Hoe ontstaat lava
        eigenlijk?”
    • Micah bouwt samen met klasgenoten een bouwwerk voor een project en vraagt: “Wie
        wil de toren bouwen en wie maakt de brug?”
  433. NL.433 Gebruiken L5 L6 GO!-doel

    Gebruiken gerichte vragen om de gewenste informatie te bekomen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Informatie uitwisselen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gerichte vragen:
    • aan leeftijdsgenoten en bekende volwassenen
  434. NL.434 Gebruiken L5 L6 GO!-doel

    Gebruiken vragen in een gesprek om meer informatie te winnen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Informatie uitwisselen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gebruiken:
    • stellen van vragen en verder doorvragen
  435. NL.435 Gebruiken L1 L2 L4 1.3.1; 4

    Gaan met elkaar in gesprek om gedachten uit te wisselen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Informatie uitwisselen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Gedachten uitwisselen:
    • over eigen werk, groepsactiviteiten, (voor)gelezen boeken, actualiteit, media
  436. NL.436 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.3.1; 4; L6 1.3.1; 0

    Gaan met elkaar in gesprek over hun eigen en elkaars mening.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Informatie uitwisselen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Eigen en elkaars mening:
    • over eigen werk, over andermans werk, ervaringen bij leeractiviteiten, gelezen boeken,
        actualiteit, media
  437. NL.437 Begrijpen L3 L4 L5 L6 L4 1.3.1; 4; L6 1.3.1; 0

    Herkennen feiten en meningen in gesprekssituaties.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Informatie uitwisselen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de mening, het feit
  438. NL.438 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.3.1; 4; L6 1.3.1; 0

    Onderscheiden feiten en meningen in gesprekssituaties.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Informatie uitwisselen

  439. NL.439 Gebruiken K1 K2 K3 KO 1.3.9

    Participeren actief aan een gesprek.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Actief:
    • de blik gericht houden op de gesprekspartners
    • non-verbaal reageren
    • verbaal reageren
  440. NL.440 Engageren K1 K2 K3 KO 1.3.9

    Zetten een volgehouden aandachtspanne in bij het voeren van gesprekken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

  441. NL.441 Gebruiken K2 K3 KO 1.3.9

    Gebruiken standaardzinnen, basiszinnen en vraagzinnen in een gesprek.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Standaardzinnen, basiszinnen en vraagzinnen:
    • bij het groeten
    • bij het aanspreken
    • bij het bedanken
    • bij vragen

    Voorbeelden

    Groeten:
    • Goeiemorgen juf/meester.
    • Tot morgen juf/meester.
    Aanspreken:
    • Dag meneer/mevrouw directeur, dit is voor u.
    • Yoshi, mag ik met jou meespelen?
    Bedanken:
    • Dankjewel, Lize.
    • Dat is lief, dankjewel.
    Vragen:
    • Wie weet dat?
    • Hoe doe je dat?
  442. NL.442 Begrijpen K1 K2 K3 KO 1.3.9

    Herkennen gespreksconventies.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gespreksconventies:
    • op een gepaste manier het woord nemen of vragen
    • elkaar laten uitspreken
  443. NL.443 Gebruiken K1 K2 K3 KO 1.3.9

    Gebruiken gespreksconventies.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gespreksconventies:
    • op een gepaste manier het woord nemen of vragen
    • elkaar laten uitspreken
  444. NL.444 Begrijpen K2 K3 KO 1.3.9

    Herkennen gespreksconventies.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gespreksconventies:
    • inspelen op wat anderen zeggen
  445. NL.445 Gebruiken K2 K3 KO 1.3.9

    Gebruiken gespreksconventies.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gespreksconventies:
    • inspelen op wat anderen zeggen
  446. NL.446 Begrijpen L1 L2 L4 1.3.1; 4

    Illustreren gespreksconventies.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gespreksconventies:
    • elkaar laten uitspreken
    • op een gepaste manier het woord vragen of nemen
    • inspelen op de inbreng van de gesprekspartner
    • elkaars inbreng waarderen
  447. NL.447 Gebruiken L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.3.1; 4

    Passen gespreksconventies toe.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gespreksconventies:
    • elkaar laten uitspreken
    • op een gepaste manier het woord vragen of nemen
    • inspelen op de inbreng van de gesprekspartner
    • elkaars inbreng waarderen
  448. NL.448 Gebruiken L3 L4 L4 1.3.1; 4

    Voeren samenhangende gesprekken die ze gaande houden door in te spelen op de inbreng van de ander.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Inspelen op de inbreng van de ander:
    • antwoorden in volzinnen op vragen
    • brengen argumenten, meningen en nieuwe informatie in die aansluiten bij het
        gespreksonderwerp.
  449. NL.449 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.3.1; 4; L6 1.3.1; 0

    Houden in een gesprek de gesprekslijn vast.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

  450. NL.450 Gebruiken L5 L6 L4 1.3.1; 4; L6 1.3.1; 0

    Passen de rol van gespreksleider toe.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Rol van de gespreksleider:
    • rekening houdend met beurtwisseling
  451. NL.451 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.1; 0

    Voeren samenhangende gesprekken die ze gaande houden door in te spelen op de inbreng van de ander.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Inspelen op de inbreng van de ander:
    • bouwen verder op andermans ideeën
    • bevragen argumenten die aansluiten bij het gespreksonderwerp
    • nuanceren argumenten die aansluiten bij het gespreksonderwerp
    • legen verbanden tussen verschillende standpunten
    • komen tot een conclusie*
    
    *met ondersteuning
  452. NL.452 Begrijpen L4 L5 L6 GO!-doel

    Illustreren het passend afronden van een gesprek.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Passend afronden van een gesprek:
    • het gesprek samenvatten, waardering uiten, vooruitblikken, een reflectie geven
  453. NL.453 Gebruiken L4 L5 L6 GO!-doel

    Ronden een gesprek passend af.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

  454. NL.454 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.3.1; 4

    Houden rekening met wat gesprekspartners weten.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Rekening houden met wat gesprekspartners weten:
    • Niet nodeloos herhalen van informatie die al gekend of geweten is, iedereen weet dat
        de school niet open is op zaterdag en zondag.
    • Geven aanvullende informatie die nodig is om het gesprek te volgen, leggen uit dat een
        ‘glitch’ een fout of storing in een computerspel is.
  455. NL.455 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.3.1; 4

    Stemmen luister- en spreekstijl af op verschillende situaties.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Spreekstijlen:
    • formeel en informeel taalgebruik
    • spreektempo, volume en woordgebruik aangepast aan het publiek
  456. NL.456 Engageren L3 L4 L5 L6 L4 1.3.1; 4

    Tonen open te staan voor elkaars meningen en standpunten.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

  457. NL.457 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.1; 0

    Reageren gepast als de gesprekspartner anders reageert of denkt.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gepast:
    • aanvaarden dat de ander anders reageert dan verwacht
    • de ander de vrijheid gunnen om de vragen, onderwerpen… aan te nemen, te weigeren
        of te twijfelen
  458. NL.458 Engageren K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 KO 1.3.9; L4 1.3.1; 4; L6 1.3.1; 0

    Reflecteren over de gespreksconventies die ze gebruikt hebben.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

  459. NL.459 Engageren K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.3.1; 4; L6 1.3.1; 0

    Reflecteren over gevoerde gesprekken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Reflecteren over:
    • Wat ging er goed in het gesprek?
    • Wat zou je anders doen de volgende keer?
    • Op welke manier liet je merken dat je de ander begreep?
    • Heb je je mening duidelijk kunnen overbrengen?
    • Was mijn uitleg duidelijk voor de ander? Hoe weet ik dat?
    • Waren mijn argumenten sterk genoeg, en hoe had ik die nog sterker kunnen maken?
    • Hoe heb ik mijn non-verbale communicatie ingezet om het gesprek te ondersteunen?
  460. NL.460 Begrijpen K1 KO 1.4.1

    Begrijpen basiswoordenschat.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Basiswoordenschat:
    • woordenschat met betrekking tot de leefomgeving en de school
    • Inhoudswoorden
    • functiewoorden

    Voorbeelden

    Inhoudswoorden:
    stoel, bouwen, eten
    Functiewoorden:
    want, naast, nu, maar
  461. NL.461 Gebruiken K1 KO 1.4.1

    Gebruiken basiswoordenschat.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Basiswoordenschat:
    • woordenschat met betrekking tot de leefomgeving en de school
    • Inhoudswoorden
    • Functiewoorden
  462. NL.462 Begrijpen K2 K3 KO 1.4.1

    Begrijpen basiswoordenschat*.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Basiswoordenschat:
    • inhoudswoorden
    • functiewoorden
    • woorden met meerdere betekenissen

    Voorbeelden

    Inhoudswoorden:
    stoel, bouwen, eten
    Functiewoorden:
    want, naast, nu, maar
    Woorden met meerdere betekenissen:
    arm, bloem, pad, blik, blad
    
    *woordenschat met betrekking tot de leefomgeving en de school
  463. NL.463 Gebruiken K2 K3 KO 1.4.1

    Gebruiken basiswoordenschat.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Basiswoordenschat:
    • woordenschat met betrekking tot de leefomgeving en de school
    • inhoudswoorden
    • functiewoorden
    • woorden met meerdere betekenissen
  464. NL.464 Begrijpen K1 KO 1.4.2

    Herkennen eenvoudige school- en instructietaal.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eenvoudige school-en instructietaal:
    • binnen de context van de activiteiten, vakspecifieke kennis, voorkennis en ervaring
    • inhoudswoorden
    • functiewoorden

    Voorbeelden

    Inhoudswoorden:
    bank, kijken
    Functiewoorden:
    want, naast, nu, maar
  465. NL.465 Gebruiken K1 KO 1.4.2

    Gebruiken eenvoudige school- en instructietaal.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eenvoudige school-en instructietaal:
    • binnen de context van de activiteiten, vakspecifieke kennis, voorkennis en ervaring
    • inhoudswoorden
    • functiewoorden
  466. NL.466 Begrijpen K2 K3 KO 1.4.2

    Begrijpen eenvoudige school- en instructietaal.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eenvoudige school- en instructietaal:
    • binnen de context van de activiteiten, vakspecifieke kennis, voorkennis en ervaring
    • inhoudswoorden
    • uitdrukkingen
    • functiewoorden
    • woorden met meerdere betekenissen

    Voorbeelden

    School- en instructietaal:
    • Neem het penseel.
    • Hang je jas aan de kapstok en ga in de rij staan.
  467. NL.467 Gebruiken K2 K3 KO 1.4.2

    Gebruiken eenvoudige school- en instructietaal.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eenvoudige school- en instructietaal:
    • binnen de context van de activiteiten, vakspecifieke kennis, voorkennis en ervaring
    • inhoudswoorden
    • functiewoorden
    • woorden met meerdere betekenissen
  468. NL.468 Gebruiken K2 K3 KO 1.4.3

    Gebruiken een steeds uitgebreidere woordenschat.*

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Uitgebreide woordenschat:
    nieuw geleerde woorden, zowel school- als instructietaal
    
    *onder begeleiding
  469. NL.469 Begrijpen L1 L2 L3 L4 L4 1.4.5

    Begrijpen school- en instructietaal.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    School- en instructietaal:
    • inhoudswoorden
    • uitdrukkingen
    • functiewoorden
    • woorden met meerdere betekenissen

    Voorbeelden

    School- en instructietaal:
    functie, gevolg van, tenzij, ondanks, verklaren, omcirkelen, toch, dus, behandelen, vorm
    (tekst of voorwerp), vergelijken
  470. NL.470 Gebruiken L1 L2 L3 L4 L4 1.4.5

    Gebruiken school- en instructietaal.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    School- en instructietaal:
    in verschillende vakken
  471. NL.471 Begrijpen K2 K3 KO 1.4.2

    Begrijpen vaktaal.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vaktaal:
    • binnen de context van de activiteiten, vakspecifieke kennis, voorkennis en ervaring
    • relevante themawoordenschat
    • vakspecifieke taal
  472. NL.472 Gebruiken K2 K3 KO 1.4.2

    Gebruiken vaktaal.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vaktaal:
    • binnen de context van de activiteiten, vakspecifieke kennis, voorkennis en ervaring
    • relevante themawoordenschat
    • vakspecifieke taal
  473. NL.473 Begrijpen L1 L2 L4 1.4.5

    Begrijpen vaktaal.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

  474. NL.474 Begrijpen L3 L4 L4 1.4.5; L4 1.4.14

    Begrijpen vaktaal.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de vaktaal
  475. NL.475 Gebruiken L1 L2 L3 L4 L4 1.4.5

    Gebruiken vaktaal.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

  476. NL.476 Engageren K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 KO 1.4.2; L4 1.4.5

    Tonen hun kennis van school-, instructie- en vaktaal in verschillende contexten.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Fons zit nog maar pas in de Ravenklas (K2-K3). Hij mag van de juf een vriendje
        aanduiden waarmee hij samen een taak gaat doen. Fons begrijpt het woord
        ‘aanduiden’ en wijst naar zijn vriend Rune, die een jaartje ouder is. (instructietaal)
    • In het vijfde leerjaar lezen de leerlingen boeken die binnen het brede thema ‘kracht
        en beweging’ passen. Kyona leest een boek waarin het hoofdpersonage een
        waterraket gaat bouwen. In het boek komen woorden voor zoals ‘kracht, beweging,
        massa, energie, snelheid en weerstand’. Kyona begrijpt deze woorden in de context
        van het boek omdat ze in de lessen over natuurverschijnselen hierover leerde.
        (vaktaal)
  477. NL.477 Begrijpen K1 K2 K3 KO 1.4.3

    Herkennen woordleerstrategieën in luistersituaties.*

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordleerstrategieën

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Woordleerstrategieën:
    • linken leggen met bekende woorden
    • de woordopbouw analyseren
    • de eigen bredere talenkennis inzetten om betekenissen af te leiden
    • de betekenis van woorden afleiden uit de context

    Voorbeelden

    De eigen bredere talenkennis inzetten:
    • Irene spreekt thuis Spaans. Wanneer ze met haar klasgenootjes in de keukenhoek
        speelt, maakt ze graag een woordgrapje: wanneer de andere kinderen haar vragen
        om de pan aan te geven, geeft ze een brood. In het Spaans betekent ‘pan’ immers
        brood!
    • Taner is een Turkse jongen die nog maar twee maanden op school is, maar hij kent
        het Nederlandse woord ‘suiker’ al! Dat is niet moeilijk want het Turkse woord
        ‘şeker’ (klinkt als ‘sjeek-èr’) lijkt heel erg op het Nederlandse woord ‘suiker’.
        Misschien zijn er nog meer Nederlandse en Turkse woorden die op elkaar lijken?
    
    *onder begeleiding
  478. NL.478 Begrijpen L1 L2 L4 1.4.6

    Illustreren woordleerstrategieën in luister- en leessituaties.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordleerstrategieën

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Woordleerstrategieën:
    • om verduidelijking vragen
    • vergelijken met een bekend woord
    • de context inzetten
    • de eigen bredere talenkennis inzetten om betekenissen af te leiden
    • de woordopbouw analyseren
  479. NL.479 Begrijpen L3 L4 L4 1.4.6

    Illustreren woordleerstrategieën in luister- en leessituaties.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordleerstrategieën

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Woordleerstrategieën:
    • om verduidelijking vragen
    • vergelijken met een bekend woord
    • de context inzetten
    • de eigen bredere talenkennis inzetten om betekenissen af te leiden
    • de woordopbouw analyseren
    • belang van het woord in de tekst na gaan
    • hulpbron inzetten
  480. NL.480 Begrijpen L5 L6 L6 1.4.4

    Illustreren woordleerstrategieën in luister- en leessituaties.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordleerstrategieën

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Woordleerstrategieën:
    • om verduidelijking vragen
    • vergelijken met een bekend woord
    • de context inzetten
    • de eigen bredere talenkennis inzetten om betekenissen af te leiden
    • de woordopbouw analyseren
    • belang van het woord in de tekst na gaan
    • hulpbron inzetten
    • vreemdetalenkennis inzetten
  481. NL.481 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.4.6; L6 1.4.4

    Gebruiken verklarende woordenlijsten en woordenboeken om de betekenis van woorden te achterhalen.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordleerstrategieën

  482. NL.482 Engageren L5 L6 L4 1.4.6; L6 1.4.4

    Zetten woordleerstrategieën actief in op zoek naar nieuwe woordbetekenissen en relaties.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordleerstrategieën

  483. NL.483 Gebruiken K1 K2 K3 KO 1.4.3

    Passen woordleerstrategieën toe*.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordleerstrategieën

  484. NL.484 Gebruiken L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.4.6; L6 1.4.4

    Passen woordleerstrategieën toe.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordleerstrategieën

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Toepassen:
    • Om nieuwe woordbetekenissen en relaties te achterhalen uit gesproken context.
    • Om nieuwe woordbetekenissen en relaties te achterhalen uit geschreven context.
  485. NL.485 Begrijpen K2 K3 KO 1.4.1

    Herkennen betekenisrelaties tussen woorden.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Betekenisrelaties:
    • categorie en exemplaar (hyperoniem- hyponiem)
    • eenvoudige synoniemen
    • eenvoudige tegenstellingen (antoniemen)
    • veel gebruikte trappen van vergelijking

    Voorbeelden

    Betekenisrelaties: categorie en exemplaar:
    • Een appel (exemplaar) is een stuk fruit (categorie).
    • Het kleurpotlood (exemplaar) is tekengerief (categorie).
    Betekenisrelaties: eenvoudige synoniemen
    Mijn mama rijdt met de wagen; mijn mama rijdt met de auto.
    Betekenisrelaties: eenvoudige tegenstellingen
    Ik ben groot, mijn zus is klein.
    Betekenisrelaties: veel gebruikte trappen van vergelijking
    Die meloen is zwaarder dan de perzik. De pompoen is het zwaarst.
  486. NL.486 Begrijpen K3 L1 KO 1.4.1

    Herkennen betekenisrelaties tussen woorden.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Betekenisrelaties:
    context: beroep-handeling, gebeurtenis-plaats, tijd-gebeurtenis

    Voorbeelden

    Betekenisrelaties – context:
    • De kok doet zijn schort aan en neemt een braadpan. (beroep-handeling)
    • Zwemmen – het zwembad (gebeurtenis-plaats)
    • De ochtend – opstaan (tijd-gebeurtenis)
  487. NL.487 Begrijpen K3 L1 L2 L3 L4 1.4.2

    Begrijpen betekenisrelaties tussen woorden.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Betekenisrelaties:
    verwijswoorden: zij, hij, het, die, deze, dit, dat

    Voorbeelden

    Verwijswoorden:
    • Toen was zij nog een baby. > ‘zij’ verwijst naar een eerder vernoemd personage.
    • Oma wil graag de mooiste taart van de bakker, die met slagroom.
  488. NL.488 Begrijpen L3 L4 L4 1.4.2

    Illustreren betekenisrelaties tussen woorden.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Betekenisrelaties:
    vormrelatie - homoniemen (woorden die hetzelfde klinken maar iets anders betekenen)

    Te hanteren begrippen

    het homoniem

    Voorbeelden

    Vormrelatie – homoniemen:
    • Hij zit op de bank voor de bank.
    • Zij neemt de bal niet mee naar het bal.
  489. NL.489 Begrijpen L3 L4 L4 1.4.2

    Illustreren betekenisrelaties tussen woorden.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Betekenisrelaties:
    antoniemen

    Te hanteren begrippen

    het antoniem

    Voorbeelden

    Antoniemen:
    boven – onder, groot – klein, blij – verdrietig
  490. NL.490 Begrijpen L3 L4 L4 1.4.2

    Illustreren betekenisrelaties tussen woorden.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Betekenisrelaties:
    synoniemen

    Te hanteren begrippen

    het synoniem

    Voorbeelden

    Synoniemen:
    boos – kwaad, blij – vrolijk, snel – vlug, beginnen – starten
  491. NL.491 Begrijpen L3 L4 L4 1.4.2

    Illustreren betekenisrelaties tussen woorden.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Betekenisrelaties:
    trappen van vergelijking

    Te hanteren begrippen

    de trappen van vergelijking

    Voorbeelden

    Trappen van vergelijking:
    • Deze pizza is lekker, maar die pizza is lekkerder.
    • Het resultaat is goed, dit resultaat is beter, dat resultaat is het best.
  492. NL.492 Begrijpen L4 L4 1.4.2

    Begrijpen gradaties in woordbetekenissen.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gradaties in woordbetekenissen:
    woorden die de intensiteit van een eigenschap of actie weergeven

    Voorbeelden

    Woorden die de intensiteit van een eigenschap of actie weergeven:
    • Caro vindt de blauwe jurk prachtig!
    • Die danseres danst uitstekend!
  493. NL.493 Begrijpen L5 L6 L6 1.4.1

    Illustreren betekenisrelaties tussen woorden.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    betekenisrelaties tussen woorden:
    • hyponiemen
    • hyperoniem

    Te hanteren begrippen

    het hyponiem

    Voorbeelden

    Hyponiemen en hyperoniem:
    • ‘Dier’ is het hyperoniem. ‘Hond, kat, olifant’ zijn hyponiemen van ‘dier’.
    • ‘Vogel’, ‘zoogdier’, ‘reptiel’(hyponiemen) zijn ‘gewervelden’(hyperoniem).
    • ‘Tang’, ‘hamer’, ‘schroevendraaier’ (hyponiemen) zijn ‘gereedschappen’
        (hyperoniem).
  494. NL.494 Gebruiken K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.4.2

    Gebruiken betekenisrelaties tussen woorden.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

  495. NL.495 Gebruiken L4 L5 L6 L4 1.4.2; L6 1.4.1

    Gebruiken gradaties van woordbetekenissen.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

  496. NL.496 Engageren K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 KO 1.4.1; KO 1.4.3; L4 1.4.2; L6 1.4.1

    Reflecteren in luister- en leessituaties op verbanden tussen woorden en hun betekenis.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

  497. NL.497 Gebruiken L5 L6 L6 1.4.3

    Analyseren concrete en abstracte woorden in een gelezen tekst.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Abstractiegraad van woorden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Concrete en abstracte woorden:
    hoe meer abstracte woorden gebruikt worden in een tekst, hoe complexer de tekst is

    Voorbeelden

    Concrete woorden:
    voetballer, appel, lopen, wakker, rood, lauw
    Abstracte woorden:
    verandering, democratie, analyseren, evalueren
  498. NL.498 Begrijpen K3 L1 L2 L4 1.4.3

    Herkennen in lees- en luistersituaties de figuurlijke betekenis van woorden en woordgroepen.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Figuurlijk taalgebruik

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Figuurlijke betekenis:
    uitdrukkingen

    Voorbeelden

    figuurlijke betekenis van woorden en woordgroepen:
    • Het hoofdpersonage in het luisterverhaal wordt ‘een brave Hendrik’ genoemd. De
        meester legt uit dat dit een uitdrukking is voor een gehoorzaam iemand die zich
        netjes aan de regels houdt.
    • De juf leest een verhaal voor waarin wordt verteld dat een personage ‘met hart en
        ziel’ haar werk deed. Ze legt uit dat dit een gezegde is en dat het betekent dat het
        personage haar werk heel graag doet.
    • De juf leest een verhaal voor over ‘een buitenbeentje’. Ze legt uit dat het een
        uitdrukking is voor iemand die een beetje anders dan anderen is.
    • In de tekst lezen de kinderen dat prinses Elisabeth ‘blauw bloed’ heeft. De
        leerkracht legt uit dat prinses Elisabeth haar bloed niet blauw van kleur is, maar dat
        het een gezegde is dat betekent dat zij van adel is en dus geboren is in een
        voorname familie.
  499. NL.499 Begrijpen L3 L4 L5 L6 L4 1.4.3; L6 1.4.3

    Begrijpen in lees- en luistersituaties de letterlijke en figuurlijke betekenis van woorden en woordgroepen.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Figuurlijk taalgebruik

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Figuurlijke betekenis:
    uitdrukkingen

    Te hanteren begrippen

    letterlijk, figuurlijk, de uitdrukking, het figuurlijk taalgebruik

    Voorbeelden

    Figuurlijke betekenis:
    • In het beluisterde nieuwsbericht horen de kinderen een geïnterviewd persoon
        zeggen: ‘Genoeg is genoeg!’. Ze denken samen na over de betekenis van deze
        uitdrukking en komen tot de conclusie dat het betekent dat die persoon het beu is.
    • De kinderen beluisteren een interview met een bekend persoon. Als antwoord op
        een vraag van de interviewer antwoordt de persoon: ‘Dat is de hamvraag.’ De
        leerkracht verduidelijkt dat de ‘hamvraag’ de vraag is waar het allemaal om draait.
    • In een aflevering van het jeugdjournaal zegt de sportjournalist dat de atleet ‘de
        handdoek in de ring gooit’. De meester legt uit dat dit spreekwoord betekent dat de
        atleet het opgeeft en niet verder deelneemt aan de wedstrijd.
    • In de tekst lezen de kinderen dat het hoofdpersonage ‘groen’ is. De leerkracht legt
        uit dat ‘groen’ meerdere betekenissen kan hebben. Groen is letterlijk een kleur.
        Maar het kan figuurlijk als betekenis jong of milieubewust hebben.
    • Aan het einde van het verhaal leest Timon: ‘na regen komt zonneschijn’. Hij zoekt
        het spreekwoord op in het online spreekwoordenboek en komt te weten dat het
        betekent dat na alle tegenslag alles weer goed komt.
  500. NL.500 Engageren K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.4.3; L6 1.4.3

    Reflecteren over de figuurlijke betekenis van woorden en woordgroepen.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Figuurlijk taalgebruik

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Reflecteren:
    • met elkaar
    • in verschillende lees- en luistercontexten