NL.378
Gebruiken
K2
K3
Formuleren mondeling basiszinnen.
Nederlands › Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Zinnen formuleren
- Leeftijd
- 4-5,5-6 jaar
- Handelingswerkwoord
- Formuleren
- Verwerkingsaspect
- Gebruiken — procedurele kennis — weten hoe
- Minimumdoelen
- KO 1.3.6
- In de PDF
- pagina 12
Leerlijn
Formuleren mondeling basiszinnen. MIA Basiszinnen: • met aandacht voor eenvoudige zinsconstructies • mededelende, vragende, enkelvoudige en eenvoudig samengestelde zinnen Voorbeelden Basiszinnen: • Fikri maakt een tekening. • Waar is het potlood? • Ik teken een huis en daarna kleur ik het. • Ik ben moe want ik heb veel gespeeld.
Hangt samen met
- Vlag NL.390 Vertellen begrijpelijk en samenhangend over een zelfgekozen onderwerp. K2,K3
- Vlag NL.433 Gebruiken gerichte vragen om de gewenste informatie te bekomen. L5,L6
Wordt verwezen vanuit
- Schakel NL.390 Vertellen begrijpelijk en samenhangend over een zelfgekozen onderwerp. K2,K3
- Vlag NL.427 Gebruiken in een gesprek vraagzinnen om hulp te vragen. K2,K3,L1
- Vlag NL.428 Gebruiken in een gesprek vragen om de gewenste informatie te bekomen. K2,K3
- Schakel NL.441 Gebruiken standaardzinnen, basiszinnen en vraagzinnen in een gesprek. K2,K3
- Vlag NL.546 Herkennen dat zinnen uit woorden bestaan. K2,K3
- Vlag NL.610 Zetten op een speelse en creatieve manier gesproken taal in. K1,K2,K3
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Mondeling taalgebruik”
KO
TE BEREIKEN OP POPULATIENIVEAU
De kleuters kunnen
1.3.1 met aandacht luisteren.
1.3.2 gepast reageren op vragen en instructies.
1.3.3 vragen stellen om meer informatie te krijgen en om
te controleren of ze de boodschap begrepen
hebben.
1.3.4 op een voorgelezen verhaal reageren door
voorspellingen te maken, vragen te stellen of verbanden
te leggen met hun vakspecifieke kennis en voorkennis.
L4
De leerlingen kunnen
1.3.1 expliciet vermelde informatie in teksten weergeven.
1.3.2 informatie uit een tekst combineren om tot een
logische conclusie te komen.
1.3.3 verbanden leggen tussen teksten en hun
vakspecifieke kennis en voorkennis.
1.3.4 verwoorden hoe de auteur denkt over het
onderwerp van de tekst.
1.3.5 verwoorden hoe een tekst aansluit bij het
luisterdoel.
1.3.10 meningen met argumenten onderbouwen op basis
van hun vakspecifieke kennis en voorkennis.
1.3.14 doelgericht deelnemen aan mondelinge
interactievormen zoals dialoog, discussie en
groepsgesprek en hierbij de volgende
interactiestrategieën toepassen:
• inspelen op de inbreng van de gesprekspartner(s);
• informatie, argument of mening in het gesprek
inbrengen.
L6
De leerling kan
1.3.1 expliciete en impliciete informatie uit een tekst
combineren om tot een logische conclusie te komen.
1.3.2 verbanden leggen tussen teksten en zijn/haar
vakspecifieke kennis en voorkennis.
1.3.3 vergelijken hoe verschillende auteurs denken over
eenzelfde onderwerp.
1.3.4 beoordelen hoe een tekst zijn/haar standpunt wel of
niet beïnvloedt.
KO De kleuters kunnen 1.3.5 verstaanbaar spreken met aandacht voor uitspraak van klanken, klankcombinaties en volume. 1.3.6 bij het spreken mededelende, vragende en samengestelde zinnen hanteren. 1.3.7 gedachten en gebeurtenissen formuleren met een aanzet tot volgorde en tonen hierbij een aanzet tot het gebruik van structuuraanduiders (verwijs-, verbindings- en signaalwoorden). 1.3.8 in een vertrouwde omgeving over een zelfgekozen onderwerp vertellen. L4 De leerlingen kunnen 1.3.6 voorafgaand aan het vertellen en presenteren inhoud verzamelen en structureren onder begeleiding. 1.3.7 verstaanbaar spreken met aandacht voor uitspraak van het Standaardnederlands en zinsaccent. 1.3.8 bij het spreken gepaste woordkeuze en correcte zinsconstructies gebruiken. 1.3.9 ideeën, gedachten en verworven inzichten samenhangend formuleren. 1.3.10 meningen met argumenten onderbouwen op basis van hun vakspecifieke kennis en voorkennis. 1.3.11 bij het vertellen of presenteren afstemmen op het spreekdoel en het publiek. 1.3.12 bij het vertellen of presenteren gebruik maken van hulpmiddelen wanneer die de boodschap ondersteunen. 1.3.13 het spreken en presenteren op aanwijzing verbeteren. L6 De leerling kan 1.3.5 bij het spreken gepaste woordkeuze en complexere zinsconstructies gebruiken. 1.3.6 ideeën, gedachten en verworven inzichten gestructureerd formuleren. 1.3.7 meningen beargumenteren op basis van zijn/haar vakspecifieke kennis en voorkennis. 1.3.8 voorafgaand aan het vertellen en presenteren inhoud verzamelen en structureren op basis van zijn/haar vakspecifieke kennis en voorkennis. 1.3.9 bij het vertellen en presenteren een gepaste expressie en gepast register gebruiken.
KO
De kleuters kunnen
1.3.9 actief deelnemen aan mondelinge interactievormen
zoals kringgesprekken, samen spelen, gesprekken
met gekende volwassenen en hierbij de volgende
interactiestrategieën toepassen:
• op een gepaste manier het woord nemen en vragen;
• elkaar laten uitspreken;
• inspelen op wat anderen zeggen;
• standaardformules gebruiken bij het groeten,
aanspreken, bedanken en vragen.
L4
De leerlingen kunnen
1.3.14 doelgericht deelnemen aan mondelinge
interactievormen zoals dialoog, discussie en
groepsgesprek en hierbij de volgende
interactiestrategieën toepassen:
• inspelen op de inbreng van de gesprekspartner(s);
• informatie, argument of mening in het gesprek
inbrengen.
L6
De leerling kan
1.3.10 doelgericht en genuanceerd deelnemen aan
mondelinge interactievormen zoals dialoog, discussie en
groepsgesprek en hierbij de volgende
interactiestrategieën toepassen:
• voortbouwen op andermans ideeën;
• verbanden leggen tussen verschillende standpunten;
• argumenten bevragen en nuanceren;
• met ondersteuning tot een conclusie komen.