NL.477
Begrijpen
K1
K2
K3
Herkennen woordleerstrategieën in luistersituaties.*
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordleerstrategieën
- Leeftijd
- 2,5-4,4-5,5-6 jaar
- Handelingswerkwoord
- Herkennen
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- KO 1.4.3
- In de PDF
- pagina 5,6
Leerlijn
Herkennen woordleerstrategieën in luistersituaties.*
MIA
Woordleerstrategieën:
• linken leggen met bekende woorden
• de woordopbouw analyseren
• de eigen bredere talenkennis inzetten om betekenissen af te leiden
• de betekenis van woorden afleiden uit de context
Voorbeelden
De eigen bredere talenkennis inzetten:
• Irene spreekt thuis Spaans. Wanneer ze met haar klasgenootjes in de keukenhoek
speelt, maakt ze graag een woordgrapje: wanneer de andere kinderen haar vragen
om de pan aan te geven, geeft ze een brood. In het Spaans betekent ‘pan’ immers
brood!
• Taner is een Turkse jongen die nog maar twee maanden op school is, maar hij kent
het Nederlandse woord ‘suiker’ al! Dat is niet moeilijk want het Turkse woord
‘şeker’ (klinkt als ‘sjeek-èr’) lijkt heel erg op het Nederlandse woord ‘suiker’.
Misschien zijn er nog meer Nederlandse en Turkse woorden die op elkaar lijken?
*onder begeleiding
Hangt samen met
- Vlag NL.320 Leiden de betekenis van mondelinge boodschappen af met behulp van de context. K1,K2,K3
Wordt verwezen vanuit
- Schakel NL.320 Leiden de betekenis van mondelinge boodschappen af met behulp van de context. K1,K2,K3
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Taalsysteem en taalgebruik”
KO
TE BEREIKEN OP POPULATIENIEVEAU
De kleuters kunnen
1.4.1 basiswoordenschat en eenvoudige betekenisrelaties
inzetten met betrekking tot de leefomgeving en
de school.
1.4.2 aangeboden inhoudelijke en functionele school- en
instructietaal inzetten binnen de context van de
activiteiten en hun vakspecifieke kennis, voorkennis en
ervaring.
1.4.3 onder begeleiding hun woordenschat uitbreiden.
L4
De leerlingen kennen
1.4.1 woordvorming: samenstellingen, afleidingen.
1.4.2 basisprincipes van betekenisrelaties: synoniemen,
antoniemen en trappen van vergelijking.
1.4.3 figuurlijk taalgebruik.
1.4.9 woorden:
• woordvorming: enkelvoud, meervoud en verbuiging,
vervoeging, samenstelling, afleiding;
• woordsoorten: zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk
naamwoord, lidwoord, telwoord, voorzetsel,
voegwoord, werkwoord;
• werkwoordstijden: tegenwoordige tijd, verleden tijd
1.4.14 de termen jongerentaal en vaktaal.
De leerlingen kunnen
1.4.4 woorden genuanceerd en gepast inzetten.
1.4.5 aangeboden school-, instructie- en vaktaal hanteren
in de vakdisciplines.
1.4.6 nieuwe woordbetekenissen en -relaties achterhalen
uit gesproken en geschreven contexten door gebruik te
maken van woordleerstrategieën:
• om verduidelijking vragen;
• belang van het woord in de tekst nagaan;
• vergelijken met een bekend woord;
• de context inzetten;
• de woordopbouw analyseren.
1.4.17 basisverschillen tussen formele en informele taal
verwoorden.
L6
De leerling kent
1.4.1 basisprincipes van betekenisrelaties: hyponiemen.
1.4.7 woorden: grondwoord, voorvoegsel, achtervoegsel,
verkleinwoord, stam, uitgang, infinitief.
De leerling kan
1.4.2 formeel en informeel taalgebruik conform de
context inzetten.
1.4.3 woorden genuanceerd en gepast inzetten met
steeds hogere abstractiegraad en figuurlijk taalgebruik.
1.4.4 actief op zoek gaan naar nieuwe woordbetekenissen
en -relaties door gebruik te maken van
woordleerstrategieën:
• vreemdetalenkennis inzetten;
• hulpbron inzetten.
KO
De kleuters kennen
1.4.4 woord, woorddeel, klankgroep, rijm, klank, letter.
De kleuters kunnen
1.4.5 basiselementen van het taalsysteem toepassen in
taal(spel): klanken, klankgroepen, rijm, letter- en
cijfersymbolen, klanktekenkoppeling, woorden.
L4
De leerlingen kennen
1.4.7 klanken: korte, lange, tweetekenklinkers,
medeklinkers en uitspraak.
1.4.8 spelling:
• klanktekenkoppeling, letters, alfabetisch principe;
• interpunctietekens: punt, vraagteken, uitroepteken,
komma, dubbele punt, spatie.
1.4.9 woorden:
• woordvorming: enkelvoud, meervoud en verbuiging,
vervoeging, samenstelling, afleiding;
• woordsoorten: zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk
naamwoord, lidwoord, telwoord, voorzetsel,
voegwoord, werkwoord;
• werkwoordstijden: tegenwoordige tijd, verleden tijd.
1.4.10 zinnen en zinsdelen:
• zin, onderwerp, persoonsvorm, zinsdeel, gezegde;
• soorten zinnen: mededelende zin, vragende zin,
uitroepende zin.
De leerlingen kunnen
1.4.11 inzichten in het taalsysteem toepassen en erover
reflecteren.
L6
De leerling kent
1.4.5 spelling:
• interpunctietekens: dubbele aanhalingstekens,
haakjes;
• woordtekens: trema, koppelteken, apostrof, accent,
soorten afkortingen.
1.4.6 woorden:
• woordsoorten: voornaamwoord;
• werkwoordtijden: toekomende tijd, voltooid
deelwoord.
1.4.7 woorden: grondwoord, voorvoegsel, achtervoegsel,
verkleinwoord, stam, uitgang, infinitief.
1.4.8 zinnen en zinsdelen:
• meewerkend en lijdend voorwerp;
• naamwoordelijk en werkwoordelijk gezegde;
• soorten zinnen: enkelvoudige en samengestelde
zinnen, ontkennende zin;
• gebiedende wijs.
De leerling kan
1.4.9 inzichten in het taalsysteem toepassen en erover
reflecteren.
KO
De kleuters weten
1.4.6 dat taal non-verbale en verbale elementen
inhoudt.
1.4.7 dat er verschillende taalvariëteiten en
verschillende talen zijn.
L4
De leerlingen kennen
1.4.12 enkele taalvariëteiten: dialect,
Standaardnederlands.
1.4.13
• het communicatiemodel: zender, ontvanger,
boodschap, kanaal;
• basisregisters: formeel, informeel;
• non-verbale communicatie: intonatie, mimiek,
lichaamstaal.
1.4.14 de termen jongerentaal en vaktaal.
L6
De leerling kent
1.4.10 het uitgebreid communicatiemodel: doel,
medium, effect.
1.4.11 taalvariëteiten: tussentaal, vreemde taal.
De leerling weet
1.4.12 dat taal wordt beïnvloed door verschillende
factoren: plaats en cultuur.
1.4.13 dat informatiebronnen veranderen doorheen de
tijd: orale vertelcultuur, schrift, boekdrukkunst, radio,
televisie, digitale media.
De leerlingen weten 1.4.15 dat taal wordt beïnvloed door verschillende factoren: leeftijd en beroep van de gebruiker. 1.4.16 dat taal evolueert doorheen de tijd. De leerlingen kunnen 1.4.17 basisverschillen tussen formele en informele taal verwoorden. 1.1.2 accuraat en geautomatiseerd lezen (vlot lezen). 1.4.14 dat het Nederlands tot een taalfamilie behoort. 1.4.15 dat er vreemde talen zijn waarin dezelfde of andere schrifttekens worden gebruikt dan in het Nederlands.