Leerplannen Leerplandoelen
NL.351 Engageren K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6

Tonen hun kennis van sturingsstrategieën in verschillende contexten.

Nederlands Mondeling taalgebruik Luisterbegrip Het luisterproces sturen met behulp van strategieën Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij luisteren

Leeftijd
4-5,5-6,6-7,7-8,8-9,9-10,10-11,11-12 jaar
Handelingswerkwoord
Tonen
Verwerkingsaspect
Engageren — reflectie en toepassing in nieuwe, authentieke contexten
Minimumdoelen
KO 1.3.3; L4 1.3.5; L6 1.3.2
In de PDF
pagina 6,7

Leerlijn

Tonen hun kennis van sturingsstrategieën in verschillende contexten.

Voorbeelden
• Norah hoort de juf iets zeggen maar begrijpt het niet goed. Ze steekt haar
    hand op en vraagt: “Wil je het nog eens zeggen, maar trager alsjeblieft?”
• Isaac zit naast een klasgenoot die iets uitlegt over een spel, maar hij
    verstaat het niet goed. Hij vraagt: “Wat bedoel je precies met ‘kaart
    omdraaien’?”

Hangt samen met

Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Mondeling taalgebruik”
KO
TE BEREIKEN OP POPULATIENIVEAU

De kleuters kunnen
1.3.1 met aandacht luisteren.
1.3.2 gepast reageren op vragen en instructies.
1.3.3 vragen stellen om meer informatie te krijgen en om
te controleren of ze de boodschap begrepen
hebben.
1.3.4 op een voorgelezen verhaal reageren door
voorspellingen te maken, vragen te stellen of verbanden
te leggen met hun vakspecifieke kennis en voorkennis.

L4

De leerlingen kunnen
1.3.1 expliciet vermelde informatie in teksten weergeven.
1.3.2 informatie uit een tekst combineren om tot een
logische conclusie te komen.
1.3.3 verbanden leggen tussen teksten en hun
vakspecifieke kennis en voorkennis.
1.3.4 verwoorden hoe de auteur denkt over het
onderwerp van de tekst.
1.3.5 verwoorden hoe een tekst aansluit bij het
luisterdoel.
1.3.10 meningen met argumenten onderbouwen op basis
van hun vakspecifieke kennis en voorkennis.
1.3.14 doelgericht deelnemen aan mondelinge
interactievormen zoals dialoog, discussie en
groepsgesprek en hierbij de volgende
interactiestrategieën toepassen:
• inspelen op de inbreng van de gesprekspartner(s);
• informatie, argument of mening in het gesprek
    inbrengen.

L6

De leerling kan
1.3.1 expliciete en impliciete informatie uit een tekst
combineren om tot een logische conclusie te komen.
1.3.2 verbanden leggen tussen teksten en zijn/haar
vakspecifieke kennis en voorkennis.
1.3.3 vergelijken hoe verschillende auteurs denken over
eenzelfde onderwerp.
1.3.4 beoordelen hoe een tekst zijn/haar standpunt wel of
niet beïnvloedt.
KO

De kleuters kunnen
1.3.5 verstaanbaar spreken met aandacht voor uitspraak
van klanken, klankcombinaties en volume.
1.3.6 bij het spreken mededelende, vragende en
samengestelde zinnen hanteren.
1.3.7 gedachten en gebeurtenissen formuleren met een
aanzet tot volgorde en tonen hierbij een aanzet tot
het gebruik van structuuraanduiders (verwijs-,
verbindings- en signaalwoorden).
1.3.8 in een vertrouwde omgeving over een zelfgekozen
onderwerp vertellen.

L4

De leerlingen kunnen
1.3.6 voorafgaand aan het vertellen en presenteren
inhoud verzamelen en structureren onder
begeleiding.
1.3.7 verstaanbaar spreken met aandacht voor uitspraak
van het Standaardnederlands en zinsaccent.
1.3.8 bij het spreken gepaste woordkeuze en correcte
zinsconstructies gebruiken.
1.3.9 ideeën, gedachten en verworven inzichten
samenhangend formuleren.
1.3.10 meningen met argumenten onderbouwen op basis
van hun vakspecifieke kennis en voorkennis.
1.3.11 bij het vertellen of presenteren afstemmen op het
spreekdoel en het publiek.
1.3.12 bij het vertellen of presenteren gebruik maken van
hulpmiddelen wanneer die de boodschap ondersteunen.
1.3.13 het spreken en presenteren op aanwijzing
verbeteren.

L6

De leerling kan
1.3.5 bij het spreken gepaste woordkeuze en complexere
zinsconstructies gebruiken.
1.3.6 ideeën, gedachten en verworven inzichten
gestructureerd formuleren.
1.3.7 meningen beargumenteren op basis van zijn/haar
vakspecifieke kennis en voorkennis.
1.3.8 voorafgaand aan het vertellen en presenteren
inhoud verzamelen en structureren op basis van zijn/haar
vakspecifieke kennis en voorkennis.
1.3.9 bij het vertellen en presenteren een gepaste
expressie en gepast register gebruiken.
KO

De kleuters kunnen
1.3.9 actief deelnemen aan mondelinge interactievormen
zoals kringgesprekken, samen spelen, gesprekken
met gekende volwassenen en hierbij de volgende
interactiestrategieën toepassen:
• op een gepaste manier het woord nemen en vragen;
• elkaar laten uitspreken;
• inspelen op wat anderen zeggen;
• standaardformules gebruiken bij het groeten,
    aanspreken, bedanken en vragen.

L4

De leerlingen kunnen
1.3.14 doelgericht deelnemen aan mondelinge
interactievormen zoals dialoog, discussie en
groepsgesprek en hierbij de volgende
interactiestrategieën toepassen:
• inspelen op de inbreng van de gesprekspartner(s);
• informatie, argument of mening in het gesprek
    inbrengen.

L6

De leerling kan
1.3.10 doelgericht en genuanceerd deelnemen aan
mondelinge interactievormen zoals dialoog, discussie en
groepsgesprek en hierbij de volgende
interactiestrategieën toepassen:
• voortbouwen op andermans ideeën;
• verbanden leggen tussen verschillende standpunten;
• argumenten bevragen en nuanceren;
• met ondersteuning tot een conclusie komen.