Leerplannen Leerplandoelen
NL.498 Begrijpen K3 L1 L2

Herkennen in lees- en luistersituaties de figuurlijke betekenis van woorden en woordgroepen.

Nederlands Taalsysteem en taalgebruik Woordenschat Betekenissen van woorden Figuurlijk taalgebruik

Leeftijd
5-6,6-7,7-8 jaar
Handelingswerkwoord
Herkennen
Verwerkingsaspect
Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
Minimumdoelen
L4 1.4.3
In de PDF
pagina 11

Leerlijn

Herkennen in lees- en luistersituaties de figuurlijke betekenis van woorden en
woordgroepen.

MIA
Figuurlijke betekenis:
uitdrukkingen

Voorbeelden
figuurlijke betekenis van woorden en woordgroepen:
• Het hoofdpersonage in het luisterverhaal wordt ‘een brave Hendrik’ genoemd. De
    meester legt uit dat dit een uitdrukking is voor een gehoorzaam iemand die zich
    netjes aan de regels houdt.
• De juf leest een verhaal voor waarin wordt verteld dat een personage ‘met hart en
    ziel’ haar werk deed. Ze legt uit dat dit een gezegde is en dat het betekent dat het
    personage haar werk heel graag doet.
• De juf leest een verhaal voor over ‘een buitenbeentje’. Ze legt uit dat het een
    uitdrukking is voor iemand die een beetje anders dan anderen is.
• In de tekst lezen de kinderen dat prinses Elisabeth ‘blauw bloed’ heeft. De
    leerkracht legt uit dat prinses Elisabeth haar bloed niet blauw van kleur is, maar dat
    het een gezegde is dat betekent dat zij van adel is en dus geboren is in een
    voorname familie.

Wordt verwezen vanuit

Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Taalsysteem en taalgebruik”
KO
TE BEREIKEN OP POPULATIENIEVEAU

De kleuters kunnen
1.4.1 basiswoordenschat en eenvoudige betekenisrelaties
inzetten met betrekking tot de leefomgeving en
de school.
1.4.2 aangeboden inhoudelijke en functionele school- en
instructietaal inzetten binnen de context van de
activiteiten en hun vakspecifieke kennis, voorkennis en
ervaring.
1.4.3 onder begeleiding hun woordenschat uitbreiden.

L4

De leerlingen kennen
1.4.1 woordvorming: samenstellingen, afleidingen.
1.4.2 basisprincipes van betekenisrelaties: synoniemen,
antoniemen en trappen van vergelijking.
1.4.3 figuurlijk taalgebruik.
1.4.9 woorden:
• woordvorming: enkelvoud, meervoud en verbuiging,
    vervoeging, samenstelling, afleiding;
• woordsoorten: zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk
    naamwoord, lidwoord, telwoord, voorzetsel,
    voegwoord, werkwoord;
• werkwoordstijden: tegenwoordige tijd, verleden tijd
1.4.14 de termen jongerentaal en vaktaal.

De leerlingen kunnen
1.4.4 woorden genuanceerd en gepast inzetten.
1.4.5 aangeboden school-, instructie- en vaktaal hanteren
in de vakdisciplines.
1.4.6 nieuwe woordbetekenissen en -relaties achterhalen
uit gesproken en geschreven contexten door gebruik te
maken van woordleerstrategieën:
• om verduidelijking vragen;
• belang van het woord in de tekst nagaan;
• vergelijken met een bekend woord;
• de context inzetten;
• de woordopbouw analyseren.
1.4.17 basisverschillen tussen formele en informele taal
verwoorden.

L6

De leerling kent
1.4.1 basisprincipes van betekenisrelaties: hyponiemen.
1.4.7 woorden: grondwoord, voorvoegsel, achtervoegsel,
verkleinwoord, stam, uitgang, infinitief.

De leerling kan
1.4.2 formeel en informeel taalgebruik conform de
context inzetten.
1.4.3 woorden genuanceerd en gepast inzetten met
steeds hogere abstractiegraad en figuurlijk taalgebruik.
1.4.4 actief op zoek gaan naar nieuwe woordbetekenissen
en -relaties door gebruik te maken van
woordleerstrategieën:
• vreemdetalenkennis inzetten;
• hulpbron inzetten.
KO

De kleuters kennen
1.4.4 woord, woorddeel, klankgroep, rijm, klank, letter.

De kleuters kunnen
1.4.5 basiselementen van het taalsysteem toepassen in
taal(spel): klanken, klankgroepen, rijm, letter- en
cijfersymbolen, klanktekenkoppeling, woorden.

L4

De leerlingen kennen
1.4.7 klanken: korte, lange, tweetekenklinkers,
medeklinkers en uitspraak.
1.4.8 spelling:
• klanktekenkoppeling, letters, alfabetisch principe;
• interpunctietekens: punt, vraagteken, uitroepteken,
    komma, dubbele punt, spatie.
1.4.9 woorden:
• woordvorming: enkelvoud, meervoud en verbuiging,
    vervoeging, samenstelling, afleiding;
• woordsoorten: zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk
    naamwoord, lidwoord, telwoord, voorzetsel,
    voegwoord, werkwoord;
• werkwoordstijden: tegenwoordige tijd, verleden tijd.
1.4.10 zinnen en zinsdelen:
• zin, onderwerp, persoonsvorm, zinsdeel, gezegde;
• soorten zinnen: mededelende zin, vragende zin,
    uitroepende zin.

De leerlingen kunnen
1.4.11 inzichten in het taalsysteem toepassen en erover
reflecteren.

L6

De leerling kent
1.4.5 spelling:
• interpunctietekens: dubbele aanhalingstekens,
    haakjes;
• woordtekens: trema, koppelteken, apostrof, accent,
    soorten afkortingen.
1.4.6 woorden:
• woordsoorten: voornaamwoord;
• werkwoordtijden: toekomende tijd, voltooid
    deelwoord.
1.4.7 woorden: grondwoord, voorvoegsel, achtervoegsel,
verkleinwoord, stam, uitgang, infinitief.
1.4.8 zinnen en zinsdelen:
• meewerkend en lijdend voorwerp;
• naamwoordelijk en werkwoordelijk gezegde;
• soorten zinnen: enkelvoudige en samengestelde
    zinnen, ontkennende zin;
• gebiedende wijs.

De leerling kan
1.4.9 inzichten in het taalsysteem toepassen en erover
reflecteren.
KO

De kleuters weten
1.4.6 dat taal non-verbale en verbale elementen
inhoudt.
1.4.7 dat er verschillende taalvariëteiten en
verschillende talen zijn.

L4

De leerlingen kennen
1.4.12 enkele taalvariëteiten: dialect,
Standaardnederlands.
1.4.13
• het communicatiemodel: zender, ontvanger,
    boodschap, kanaal;
• basisregisters: formeel, informeel;
• non-verbale communicatie: intonatie, mimiek,
    lichaamstaal.
1.4.14 de termen jongerentaal en vaktaal.

L6

De leerling kent
1.4.10 het uitgebreid communicatiemodel: doel,
medium, effect.
1.4.11 taalvariëteiten: tussentaal, vreemde taal.

De leerling weet
1.4.12 dat taal wordt beïnvloed door verschillende
factoren: plaats en cultuur.
1.4.13 dat informatiebronnen veranderen doorheen de
tijd: orale vertelcultuur, schrift, boekdrukkunst, radio,
televisie, digitale media.
De leerlingen weten
1.4.15 dat taal wordt beïnvloed door verschillende
factoren: leeftijd en beroep van de gebruiker.
1.4.16 dat taal evolueert doorheen de tijd.

De leerlingen kunnen
1.4.17 basisverschillen tussen formele en informele taal
verwoorden.
1.1.2 accuraat en geautomatiseerd lezen (vlot lezen).

1.4.14 dat het Nederlands tot een taalfamilie behoort.
1.4.15 dat er vreemde talen zijn waarin dezelfde of
andere schrifttekens worden gebruikt dan in het
Nederlands.