NL.412
Gebruiken
K1
K2
K3
Voeren gesprekken.
Nederlands › Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Variatie aan mondelinge interactievormen
- Leeftijd
- 2,5-4,4-5,5-6 jaar
- Handelingswerkwoord
- Voeren
- Verwerkingsaspect
- Gebruiken — procedurele kennis — weten hoe
- Minimumdoelen
- KO 1.3.9
- In de PDF
- pagina 20
Leerlijn
Voeren gesprekken.
MIA
Gesprekken:
mondelinge interactievormen
• rechtstreeks aansluitend bij de plaats, tijd en situatie waarin ze plaatsvinden
• los van de zichtbare werkelijkheid
Voorbeelden
Gesprekken:
• De kleuters bekijken samen met de leerkracht een apparaat (technisch systeem) en
bespreken hoe het zou kunnen werken. (plaats, tijd en situatie)
• Jonas vertelt over een bezoek dat hij samen met zijn ouders bracht aan hun
grootouders in het rusthuis. (los van de zichtbare werkelijkheid)
Hangt samen met
- Schakel NL.426 Participeren spontaan aan gesprekken om persoonlijke ervaringen uit te wisselen. K1,K2,K3
- Schakel NL.439 Participeren actief aan een gesprek. K1,K2,K3
- Vlag NL.318 Luisteren aandachtig. K1,K2,K3
- Vlag NL.389 Vertellen in een vertrouwde omgeving over een zelfgekozen onderwerp. K1,K2,K3
- Vlag NL.400 Vertellen in de klas. K2,K3
- Vlag NL.603 Gaan in gesprek over boeken, teksten en bijhorende illustraties. K1,K2,K3,L1
Wordt verwezen vanuit
- Schakel NL.400 Vertellen in de klas. K2,K3
- Schakel NL.426 Participeren spontaan aan gesprekken om persoonlijke ervaringen uit te wisselen. K1,K2,K3
- Schakel NL.439 Participeren actief aan een gesprek. K1,K2,K3
- Vlag NL.603 Gaan in gesprek over boeken, teksten en bijhorende illustraties. K1,K2,K3,L1
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Mondeling taalgebruik”
KO
TE BEREIKEN OP POPULATIENIVEAU
De kleuters kunnen
1.3.1 met aandacht luisteren.
1.3.2 gepast reageren op vragen en instructies.
1.3.3 vragen stellen om meer informatie te krijgen en om
te controleren of ze de boodschap begrepen
hebben.
1.3.4 op een voorgelezen verhaal reageren door
voorspellingen te maken, vragen te stellen of verbanden
te leggen met hun vakspecifieke kennis en voorkennis.
L4
De leerlingen kunnen
1.3.1 expliciet vermelde informatie in teksten weergeven.
1.3.2 informatie uit een tekst combineren om tot een
logische conclusie te komen.
1.3.3 verbanden leggen tussen teksten en hun
vakspecifieke kennis en voorkennis.
1.3.4 verwoorden hoe de auteur denkt over het
onderwerp van de tekst.
1.3.5 verwoorden hoe een tekst aansluit bij het
luisterdoel.
1.3.10 meningen met argumenten onderbouwen op basis
van hun vakspecifieke kennis en voorkennis.
1.3.14 doelgericht deelnemen aan mondelinge
interactievormen zoals dialoog, discussie en
groepsgesprek en hierbij de volgende
interactiestrategieën toepassen:
• inspelen op de inbreng van de gesprekspartner(s);
• informatie, argument of mening in het gesprek
inbrengen.
L6
De leerling kan
1.3.1 expliciete en impliciete informatie uit een tekst
combineren om tot een logische conclusie te komen.
1.3.2 verbanden leggen tussen teksten en zijn/haar
vakspecifieke kennis en voorkennis.
1.3.3 vergelijken hoe verschillende auteurs denken over
eenzelfde onderwerp.
1.3.4 beoordelen hoe een tekst zijn/haar standpunt wel of
niet beïnvloedt.
KO De kleuters kunnen 1.3.5 verstaanbaar spreken met aandacht voor uitspraak van klanken, klankcombinaties en volume. 1.3.6 bij het spreken mededelende, vragende en samengestelde zinnen hanteren. 1.3.7 gedachten en gebeurtenissen formuleren met een aanzet tot volgorde en tonen hierbij een aanzet tot het gebruik van structuuraanduiders (verwijs-, verbindings- en signaalwoorden). 1.3.8 in een vertrouwde omgeving over een zelfgekozen onderwerp vertellen. L4 De leerlingen kunnen 1.3.6 voorafgaand aan het vertellen en presenteren inhoud verzamelen en structureren onder begeleiding. 1.3.7 verstaanbaar spreken met aandacht voor uitspraak van het Standaardnederlands en zinsaccent. 1.3.8 bij het spreken gepaste woordkeuze en correcte zinsconstructies gebruiken. 1.3.9 ideeën, gedachten en verworven inzichten samenhangend formuleren. 1.3.10 meningen met argumenten onderbouwen op basis van hun vakspecifieke kennis en voorkennis. 1.3.11 bij het vertellen of presenteren afstemmen op het spreekdoel en het publiek. 1.3.12 bij het vertellen of presenteren gebruik maken van hulpmiddelen wanneer die de boodschap ondersteunen. 1.3.13 het spreken en presenteren op aanwijzing verbeteren. L6 De leerling kan 1.3.5 bij het spreken gepaste woordkeuze en complexere zinsconstructies gebruiken. 1.3.6 ideeën, gedachten en verworven inzichten gestructureerd formuleren. 1.3.7 meningen beargumenteren op basis van zijn/haar vakspecifieke kennis en voorkennis. 1.3.8 voorafgaand aan het vertellen en presenteren inhoud verzamelen en structureren op basis van zijn/haar vakspecifieke kennis en voorkennis. 1.3.9 bij het vertellen en presenteren een gepaste expressie en gepast register gebruiken.
KO
De kleuters kunnen
1.3.9 actief deelnemen aan mondelinge interactievormen
zoals kringgesprekken, samen spelen, gesprekken
met gekende volwassenen en hierbij de volgende
interactiestrategieën toepassen:
• op een gepaste manier het woord nemen en vragen;
• elkaar laten uitspreken;
• inspelen op wat anderen zeggen;
• standaardformules gebruiken bij het groeten,
aanspreken, bedanken en vragen.
L4
De leerlingen kunnen
1.3.14 doelgericht deelnemen aan mondelinge
interactievormen zoals dialoog, discussie en
groepsgesprek en hierbij de volgende
interactiestrategieën toepassen:
• inspelen op de inbreng van de gesprekspartner(s);
• informatie, argument of mening in het gesprek
inbrengen.
L6
De leerling kan
1.3.10 doelgericht en genuanceerd deelnemen aan
mondelinge interactievormen zoals dialoog, discussie en
groepsgesprek en hierbij de volgende
interactiestrategieën toepassen:
• voortbouwen op andermans ideeën;
• verbanden leggen tussen verschillende standpunten;
• argumenten bevragen en nuanceren;
• met ondersteuning tot een conclusie komen.