NL.362
Gebruiken
L3
L4
Stemmen het spreken, presenteren en vertellen af op het spreekdoel en publiek.
Nederlands › Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Verstaanbaarheid en expressie
- Leeftijd
- 8-9,9-10 jaar
- Handelingswerkwoord
- Stemmen
- Verwerkingsaspect
- Gebruiken — procedurele kennis — weten hoe
- Minimumdoelen
- L4 1.3.1; 1
- In de PDF
- pagina 9,10
Leerlijn
Stemmen het spreken, presenteren en vertellen af op het spreekdoel en publiek.
MIA
Afstemmen:
• expressie
• taalregister: formeel en informeel
Voorbeelden
Afstemmen van het spreken, presenteren en vertellen:
• Yari, Matteo en Dries nemen samen een luisterverhaal op. Het is een griezelig verhaal
over spoken, skeletten en geesten. Om de enge sfeer in het verhaal te brengen, lezen de
jongens expressief: ze fluisteren, laten stiltes vallen, vertellen dan heel luid om het
luisterpubliek te doen schrikken, krijsen om angst uit te drukken… (expressie)
• Het thema van de week is ‘De aarde leeft’. In groepjes gaan de kinderen in allerlei
teksten lezen over onderwerpen die bij het thema passen. Mandy en Soraya lezen een
boek over een reiziger die een vulkaanuitbarsting meemaakt. Daarover maken ze een
presentatie die ze gaan gebruiken in de klas. Daarbij komen vele vakspecifieke woorden
aan bod. Tijdens hun presentatie leggen ze in hun eigen woorden aan de klasgenoten
goed uit wat een krater, magma, lava… is. (register)
Hangt samen met
- Schakel NL.510 Verwoorden basisverschillen tussen formele en informele taal. L3,L4
- Vlag NL.279 Beschrijven manieren om een bepaald schrijfonderwerp voor te bereiden. L2,L3,L4
- Vlag NL.451 Voeren samenhangende gesprekken die ze gaande houden door in te spelen op de inbreng van de ander. L5,L6
Wordt verwezen vanuit
- Vlag NL.276 Bepalen het schrijfdoel en -publiek. K2,K3,L1,L2,L3,L4,L5,L6
- Vlag NL.298 Illustreren criteria waaraan een schrijfproduct dat ze willen delen met anderen moet voldoen. L3,L4,L5,L6
- Schakel NL.392 Spreken begrijpelijk, gepast en samenhangend. L3,L4
- Vlag NL.408 Illustreren kenmerken van een spreekstijl. L3,L4
- Vlag NL.455 Stemmen luister- en spreekstijl af op verschillende situaties. L3,L4,L5,L6
- Vlag NL.510 Verwoorden basisverschillen tussen formele en informele taal. L3,L4
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Mondeling taalgebruik”
KO
TE BEREIKEN OP POPULATIENIVEAU
De kleuters kunnen
1.3.1 met aandacht luisteren.
1.3.2 gepast reageren op vragen en instructies.
1.3.3 vragen stellen om meer informatie te krijgen en om
te controleren of ze de boodschap begrepen
hebben.
1.3.4 op een voorgelezen verhaal reageren door
voorspellingen te maken, vragen te stellen of verbanden
te leggen met hun vakspecifieke kennis en voorkennis.
L4
De leerlingen kunnen
1.3.1 expliciet vermelde informatie in teksten weergeven.
1.3.2 informatie uit een tekst combineren om tot een
logische conclusie te komen.
1.3.3 verbanden leggen tussen teksten en hun
vakspecifieke kennis en voorkennis.
1.3.4 verwoorden hoe de auteur denkt over het
onderwerp van de tekst.
1.3.5 verwoorden hoe een tekst aansluit bij het
luisterdoel.
1.3.10 meningen met argumenten onderbouwen op basis
van hun vakspecifieke kennis en voorkennis.
1.3.14 doelgericht deelnemen aan mondelinge
interactievormen zoals dialoog, discussie en
groepsgesprek en hierbij de volgende
interactiestrategieën toepassen:
• inspelen op de inbreng van de gesprekspartner(s);
• informatie, argument of mening in het gesprek
inbrengen.
L6
De leerling kan
1.3.1 expliciete en impliciete informatie uit een tekst
combineren om tot een logische conclusie te komen.
1.3.2 verbanden leggen tussen teksten en zijn/haar
vakspecifieke kennis en voorkennis.
1.3.3 vergelijken hoe verschillende auteurs denken over
eenzelfde onderwerp.
1.3.4 beoordelen hoe een tekst zijn/haar standpunt wel of
niet beïnvloedt.
KO De kleuters kunnen 1.3.5 verstaanbaar spreken met aandacht voor uitspraak van klanken, klankcombinaties en volume. 1.3.6 bij het spreken mededelende, vragende en samengestelde zinnen hanteren. 1.3.7 gedachten en gebeurtenissen formuleren met een aanzet tot volgorde en tonen hierbij een aanzet tot het gebruik van structuuraanduiders (verwijs-, verbindings- en signaalwoorden). 1.3.8 in een vertrouwde omgeving over een zelfgekozen onderwerp vertellen. L4 De leerlingen kunnen 1.3.6 voorafgaand aan het vertellen en presenteren inhoud verzamelen en structureren onder begeleiding. 1.3.7 verstaanbaar spreken met aandacht voor uitspraak van het Standaardnederlands en zinsaccent. 1.3.8 bij het spreken gepaste woordkeuze en correcte zinsconstructies gebruiken. 1.3.9 ideeën, gedachten en verworven inzichten samenhangend formuleren. 1.3.10 meningen met argumenten onderbouwen op basis van hun vakspecifieke kennis en voorkennis. 1.3.11 bij het vertellen of presenteren afstemmen op het spreekdoel en het publiek. 1.3.12 bij het vertellen of presenteren gebruik maken van hulpmiddelen wanneer die de boodschap ondersteunen. 1.3.13 het spreken en presenteren op aanwijzing verbeteren. L6 De leerling kan 1.3.5 bij het spreken gepaste woordkeuze en complexere zinsconstructies gebruiken. 1.3.6 ideeën, gedachten en verworven inzichten gestructureerd formuleren. 1.3.7 meningen beargumenteren op basis van zijn/haar vakspecifieke kennis en voorkennis. 1.3.8 voorafgaand aan het vertellen en presenteren inhoud verzamelen en structureren op basis van zijn/haar vakspecifieke kennis en voorkennis. 1.3.9 bij het vertellen en presenteren een gepaste expressie en gepast register gebruiken.
KO
De kleuters kunnen
1.3.9 actief deelnemen aan mondelinge interactievormen
zoals kringgesprekken, samen spelen, gesprekken
met gekende volwassenen en hierbij de volgende
interactiestrategieën toepassen:
• op een gepaste manier het woord nemen en vragen;
• elkaar laten uitspreken;
• inspelen op wat anderen zeggen;
• standaardformules gebruiken bij het groeten,
aanspreken, bedanken en vragen.
L4
De leerlingen kunnen
1.3.14 doelgericht deelnemen aan mondelinge
interactievormen zoals dialoog, discussie en
groepsgesprek en hierbij de volgende
interactiestrategieën toepassen:
• inspelen op de inbreng van de gesprekspartner(s);
• informatie, argument of mening in het gesprek
inbrengen.
L6
De leerling kan
1.3.10 doelgericht en genuanceerd deelnemen aan
mondelinge interactievormen zoals dialoog, discussie en
groepsgesprek en hierbij de volgende
interactiestrategieën toepassen:
• voortbouwen op andermans ideeën;
• verbanden leggen tussen verschillende standpunten;
• argumenten bevragen en nuanceren;
• met ondersteuning tot een conclusie komen.