NL.135
Begrijpen
L3
L4
L5
L6
Begrijpen de hoofdgedachte van een tekst aan de hand van inhoudelijke elementen van tekststructuur/verhaalstructuur.
Nederlands › Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur
- Leeftijd
- 8-9,9-10,10-11,11-12 jaar
- Handelingswerkwoord
- Begrijpen
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- L4 1.1.13; L6 1.1.9
- In de PDF
- pagina 28,29
Leerlijn
Begrijpen de hoofdgedachte van een tekst aan de hand van inhoudelijke elementen van
tekststructuur/verhaalstructuur.
MIA
Inhoudelijke elementen van tekststructuur:
• oorzaak-gevolgstructuur
• chronologische opbouw
• probleem-oplossingsstructuur
• vergelijkende opbouw
• beschrijvende opbouw
Inhoudelijke elementen van verhaalstructuur:
• begin (kennismaking: personages, situatie, plaats), midden (probleem en obstakels),
slot (oplossing en afloop)
• chronologische opbouw
Voorbeelden
Oorzaak-gevolg:
In een tekst over de opwarming van de aarde lezen de leerlingen dat door de
opwarming de ijskappen smelten en daardoor de zeespiegel stijgt. De hoofdgedachte in
de tekst (oorzaak-gevolg) is: “de opwarming van de aarde zorgt voor een stijgende
zeespiegel”
Chronologisch opbouw:
In een tekst over de levenscyclus van een vlinder leiden leerlingen aan de hand van de
opeenvolgende chronologische stappen volgende hoofdgedachte af: “Het leven van een
vlinder bestaat uit vier fases die elkaar opvolgen.”
Probleem-oplossing:
In een tekst over het verkeer lezen de leerlingen over de toenemende
verkeersonveiligheid en mogelijke oplossingen. De hoofdgedachte is: “Toenemend
verkeer veroorzaakt gevaar voor voetgangers en fietsers, dus worden er maatregelen
genomen.”
Vergelijkende opbouw:
In een tekst over de verschillen en gelijkenissen tussen haaien en dolfijnen leiden
leerlingen aan de hand van vergelijkende elementen volgende hoofdgedachte af:
“Dolfijnen en haaien leven in zee maar verschillen sterk in bouw en ademhaling.”
Beschrijvende opbouw:
In een tekst over het leven in een middeleeuwse stad leiden de leerlingen aan de hand
van de verschillende beschrijvende elementen af dat de tekst beschrijft hoe een
middeleeuwse stad eruitzag en hoe het leven daar georganiseerd was.
Hangt samen met
- Vlag NL.080 Leiden relaties en verbanden af bij gelezen teksten*. L2,L3,L4,L5,L6
- Vlag NL.138 Herkennen samenhang in teksten aan de hand van structuuraanduiders. L3
- Vlag NL.139 Begrijpen de betekenis van structuuraanduiders. L4
- Vlag NL.140 Herkennen de invloed van zinsconstructies en tekststructuur/verhaalstructuur op het tekstbegrip bij het lezen. L5,L6
- Vlag NL.258 Gebruiken schematische voorstellingen bij het ordenen van inhouden uit teksten. L3,L4
- Vlag NL.260 Schrijven de hoofdgedachte van een tekst in een korte zin. L3,L4
- Vlag NL.262 Schrijven in eigen woorden het kernidee van een tekst op. L5,L6
- Vlag NL.265 Vatten de inhoud van teksten samen, gebruikmakend van de tekststructuur/verhaalstructuur. L5,L6
Wordt verwezen vanuit
- Vlag NL.080 Leiden relaties en verbanden af bij gelezen teksten*. L2,L3,L4,L5,L6
- Vlag NL.138 Herkennen samenhang in teksten aan de hand van structuuraanduiders. L3
- Vlag NL.139 Begrijpen de betekenis van structuuraanduiders. L4
- Vlag NL.140 Herkennen de invloed van zinsconstructies en tekststructuur/verhaalstructuur op het tekstbegrip bij het lezen. L5,L6
- Vlag NL.258 Gebruiken schematische voorstellingen bij het ordenen van inhouden uit teksten. L3,L4
- Vlag NL.259 Verwoorden de hoofdgedachte van een tekst in een korte zin. L3,L4
- Vlag NL.260 Schrijven de hoofdgedachte van een tekst in een korte zin. L3,L4
- Vlag NL.262 Schrijven in eigen woorden het kernidee van een tekst op. L5,L6
- Vlag NL.264 Vatten een tekst samen. L5,L6
- Schakel NL.265 Vatten de inhoud van teksten samen, gebruikmakend van de tekststructuur/verhaalstructuur. L5,L6
- Schakel NL.308 Gebruiken kennis over tekststructuur/verhaalstructuur om de eigen gedachten te structureren ter voorbereiding op het uiteindelijke schrijfproduct. L3,L4
- Schakel NL.309 Gebruiken kennis over tekststructuur/verhaalstructuur om de eigen gedachten te structureren ter voorbereiding op het uiteindelijke schrijfproduct. L5,L6
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Lezen”
KO De kleuters kunnen 1.1.1 rijm herkennen, rijmwoorden bedenken en woorden in klankgroepen verdelen (fonologisch bewustzijn). 1.1.2 een bepaalde klank in gesproken woorden op verschillende posities herkennen (fonemisch bewustzijn). 1.1.3 een variatie aan klanken in mk-, km- en mkm- woorden onderscheiden (fonemisch bewustzijn). 1.1.4 minimum 15 letters (korte, lange, tweetekenklinkers en medeklinkers) herkennen door de bijbehorende klank uit te spreken (klanktekenkoppeling). L4 De leerlingen kunnen 1.1.1 woorden lezen met behulp van inzicht in de morfologische opbouw. 1.1.2 accuraat en geautomatiseerd lezen (vlot lezen). 1.1.3 teksten accuraat, met gepast tempo en met intonatie lezen (vloeiend lezen). 1.1.4 teksten en boeken lezen met aandacht en doorzettingsvermogen. 1.1.12 tonen dat ze de volgende tekstconventies begrijpen: gebruik van interpunctie, hoofdletters, structuuraanduiders (verwijs-, verbindings- en signaalwoorden), titels, tussentitels en alinea’s. L6 De leerling kan 1.1.1 onbekende woorden lezen met behulp van inzicht in de morfologische opbouw en kennis van leenwoorden. 1.1.2 teksten expressief lezen.
KO De kleuters kunnen 1.1.5 de betekenis van eenvoudige visuele boodschappen begrijpen. 1.1.6 expliciete informatie over de situatie, de gevoelens, de personages en perspectiefname uit voorgelezen teksten halen. 1.1.7 expliciete verbanden binnen een tekst verwoorden: oorzaak, gevolg, probleem en oplossing. 1.1.8 verbanden leggen tussen voorgelezen teksten en hun vakspecifieke kennis en voorkennis. 1.1.9 de belangrijkste gebeurtenissen uit een verhaallijn in eigen woorden navertellen. 1.3.4 op een voorgelezen verhaal reageren door voorspellingen te maken, vragen te stellen of verbanden te leggen met hun vakspecifieke kennis en voorkennis. L4 De leerlingen kunnen 1.1.5 expliciet vermelde informatie in teksten weergeven. 1.1.6 informatie uit een tekst combineren om tot een logische conclusie te komen. 1.1.7 verbanden leggen tussen teksten en hun vakspecifieke kennis en voorkennis. 1.1.8 beoordelen of de titel bij de tekst past. 1.1.9 verwoorden hoe de auteur denkt over het onderwerp van de tekst. 1.1.10 verwoorden hoe een tekst aansluit bij het leesdoel. 1.1.11 zich oriënteren op het lezen, tot begrip komen en het lezen bijsturen door aangeleerde leesstrategieën te gebruiken. L6 De leerling kan 1.1.3 expliciete en impliciete informatie uit een tekst combineren om tot een logische conclusie te komen. 1.1.4 verbanden leggen tussen teksten en zijn/haar vakspecifieke kennis en voorkennis. 1.1.5 vergelijken hoe verschillende auteurs denken over eenzelfde onderwerp. 1.1.6 beoordelen hoe een tekst zijn/haar standpunt wel of niet beïnvloedt. 1.1.7 zich oriënteren op het lezen, tot leesbegrip komen en het lezen bijsturen door indien nodig relevante leesstrategieën te selecteren en te gebruiken.
KO De kleuters kunnen 1.1.10 tonen dat ze de volgende tekstconventies begrijpen: inzicht in leesrichting, onderscheid tekst en beeld, congruentie tussen tekst en beeld. 1.1.11 tonen dat teksten een doel hebben: iets onthouden, iets doen, genieten. L4 De leerlingen kunnen 1.1.12 tonen dat ze de volgende tekstconventies begrijpen: gebruik van interpunctie, hoofdletters, structuuraanduiders (verwijs-, verbindings- en signaalwoorden), titels, tussentitels en alinea's. 1.1.13 tonen dat ze doelen van teksten herkennen aan de hand van tekstkenmerken. < bv. instructies geven via een stappenplan, genieten van een gedicht > L6 De leerling kan 1.1.8 tonen dat hij/zij de volgende tekstconventies begrijpt: index, inhoudsopgave, legende, tabellen en figuren. 1.1.9 doelen van teksten analyseren aan de hand van tekstkenmerken. < bv. een publiek activeren via een reclametekst, informeren via een nieuwsbericht >