NL.133
Begrijpen
L5
L6
Begrijpen vormelijke elementen van tekststructuur.
Nederlands › Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur
- Leeftijd
- 10-11,11-12 jaar
- Handelingswerkwoord
- Begrijpen
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- L6 1.1.8
- In de PDF
- pagina 28
Leerlijn
Begrijpen vormelijke elementen van tekststructuur. MIA Begrijpen: • doel en gebruik Vormelijke elementen van tekststructuur: • de index • de inhoudsopgave • de legende • de tabellen • de figuren
Hangt samen met
- Vlag LL.080 Gebruiken hulpmiddelen om informatiebronnen te raadplegen. L3,L4,L5,L6
Wordt verwezen vanuit
- Vlag NL.302 Schrijven teksten met een verzorgde opmaak. L5,L6
- Vlag NL.303 Gebruiken digitale middelen om geschreven teksten vorm te geven. L5,L6
- Vlag NL.309 Gebruiken kennis over tekststructuur/verhaalstructuur om de eigen gedachten te structureren ter voorbereiding op het uiteindelijke schrijfproduct. L5,L6
- Vlag NL.621 Bedenken een eigen geschreven talige creatie.* L3,L4,L5,L6
- Vlag WI.919 Interpreteren een tabel. L2,L3,L4,L5,L6
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Lezen”
KO De kleuters kunnen 1.1.1 rijm herkennen, rijmwoorden bedenken en woorden in klankgroepen verdelen (fonologisch bewustzijn). 1.1.2 een bepaalde klank in gesproken woorden op verschillende posities herkennen (fonemisch bewustzijn). 1.1.3 een variatie aan klanken in mk-, km- en mkm- woorden onderscheiden (fonemisch bewustzijn). 1.1.4 minimum 15 letters (korte, lange, tweetekenklinkers en medeklinkers) herkennen door de bijbehorende klank uit te spreken (klanktekenkoppeling). L4 De leerlingen kunnen 1.1.1 woorden lezen met behulp van inzicht in de morfologische opbouw. 1.1.2 accuraat en geautomatiseerd lezen (vlot lezen). 1.1.3 teksten accuraat, met gepast tempo en met intonatie lezen (vloeiend lezen). 1.1.4 teksten en boeken lezen met aandacht en doorzettingsvermogen. 1.1.12 tonen dat ze de volgende tekstconventies begrijpen: gebruik van interpunctie, hoofdletters, structuuraanduiders (verwijs-, verbindings- en signaalwoorden), titels, tussentitels en alinea’s. L6 De leerling kan 1.1.1 onbekende woorden lezen met behulp van inzicht in de morfologische opbouw en kennis van leenwoorden. 1.1.2 teksten expressief lezen.
KO De kleuters kunnen 1.1.5 de betekenis van eenvoudige visuele boodschappen begrijpen. 1.1.6 expliciete informatie over de situatie, de gevoelens, de personages en perspectiefname uit voorgelezen teksten halen. 1.1.7 expliciete verbanden binnen een tekst verwoorden: oorzaak, gevolg, probleem en oplossing. 1.1.8 verbanden leggen tussen voorgelezen teksten en hun vakspecifieke kennis en voorkennis. 1.1.9 de belangrijkste gebeurtenissen uit een verhaallijn in eigen woorden navertellen. 1.3.4 op een voorgelezen verhaal reageren door voorspellingen te maken, vragen te stellen of verbanden te leggen met hun vakspecifieke kennis en voorkennis. L4 De leerlingen kunnen 1.1.5 expliciet vermelde informatie in teksten weergeven. 1.1.6 informatie uit een tekst combineren om tot een logische conclusie te komen. 1.1.7 verbanden leggen tussen teksten en hun vakspecifieke kennis en voorkennis. 1.1.8 beoordelen of de titel bij de tekst past. 1.1.9 verwoorden hoe de auteur denkt over het onderwerp van de tekst. 1.1.10 verwoorden hoe een tekst aansluit bij het leesdoel. 1.1.11 zich oriënteren op het lezen, tot begrip komen en het lezen bijsturen door aangeleerde leesstrategieën te gebruiken. L6 De leerling kan 1.1.3 expliciete en impliciete informatie uit een tekst combineren om tot een logische conclusie te komen. 1.1.4 verbanden leggen tussen teksten en zijn/haar vakspecifieke kennis en voorkennis. 1.1.5 vergelijken hoe verschillende auteurs denken over eenzelfde onderwerp. 1.1.6 beoordelen hoe een tekst zijn/haar standpunt wel of niet beïnvloedt. 1.1.7 zich oriënteren op het lezen, tot leesbegrip komen en het lezen bijsturen door indien nodig relevante leesstrategieën te selecteren en te gebruiken.
KO De kleuters kunnen 1.1.10 tonen dat ze de volgende tekstconventies begrijpen: inzicht in leesrichting, onderscheid tekst en beeld, congruentie tussen tekst en beeld. 1.1.11 tonen dat teksten een doel hebben: iets onthouden, iets doen, genieten. L4 De leerlingen kunnen 1.1.12 tonen dat ze de volgende tekstconventies begrijpen: gebruik van interpunctie, hoofdletters, structuuraanduiders (verwijs-, verbindings- en signaalwoorden), titels, tussentitels en alinea's. 1.1.13 tonen dat ze doelen van teksten herkennen aan de hand van tekstkenmerken. < bv. instructies geven via een stappenplan, genieten van een gedicht > L6 De leerling kan 1.1.8 tonen dat hij/zij de volgende tekstconventies begrijpt: index, inhoudsopgave, legende, tabellen en figuren. 1.1.9 doelen van teksten analyseren aan de hand van tekstkenmerken. < bv. een publiek activeren via een reclametekst, informeren via een nieuwsbericht >