NL.114
Begrijpen
L2
L3
L4
Beschrijven leesstrategieën bij het lezen van teksten.
Nederlands › Lezen › Tekstbegrip › Leesproces sturen met behulp van strategieën › Leesstrategieën (cognitief)
- Leeftijd
- 7-8,8-9,9-10 jaar
- Handelingswerkwoord
- Beschrijven
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- L4 1.1.11
- In de PDF
- pagina 24
Leerlijn
Beschrijven leesstrategieën bij het lezen van teksten.
MIA
Beschrijven:
Welke strategie zet ik wanneer in en waarom?
Leesstrategieën:
• voorspellen
• vragen stellen
• visualiseren: mentale beelden en zintuigelijke gewaarwordingen
• verbinden
• samenvatten
• afleiden
Te hanteren begrippen
voorspellen, vragen stellen, visualiseren, verbinden, samenvatten, afleiden
Voorbeelden
Visualiseren:
• Terwijl je leest speelt er zich een film af in je hoofd.
• Bij het lezen van een tekst over een heerlijk geurende en mooi versierde taart,
beelden de leerlingen zich in hoe de taart smaakt.
Hangt samen met
- Schakel LL.048 Herkennen cognitieve strategieën om informatie te verwerven en te verwerken. L3,L4
- Vlag LL.068 Verwoorden vakspecifieke leerstrategieën. K3,L1,L2,L3,L4,L5,L6
- Vlag NL.080 Leiden relaties en verbanden af bij gelezen teksten*. L2,L3,L4,L5,L6
- Vlag NL.082 Leiden impliciete boodschappen in een gelezen tekst* af. L3,L4,L5,L6
- Vlag NL.354 Beschrijven luisterstrategieën in luistersituaties. L2,L3,L4
Wordt verwezen vanuit
- Vlag NL.080 Leiden relaties en verbanden af bij gelezen teksten*. L2,L3,L4,L5,L6
- Vlag NL.081 Leiden logische conclusies af uit gelezen teksten*. L2,L3,L4
- Vlag NL.082 Leiden impliciete boodschappen in een gelezen tekst* af. L3,L4,L5,L6
- Vlag NL.354 Beschrijven luisterstrategieën in luistersituaties. L2,L3,L4
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Lezen”
KO De kleuters kunnen 1.1.1 rijm herkennen, rijmwoorden bedenken en woorden in klankgroepen verdelen (fonologisch bewustzijn). 1.1.2 een bepaalde klank in gesproken woorden op verschillende posities herkennen (fonemisch bewustzijn). 1.1.3 een variatie aan klanken in mk-, km- en mkm- woorden onderscheiden (fonemisch bewustzijn). 1.1.4 minimum 15 letters (korte, lange, tweetekenklinkers en medeklinkers) herkennen door de bijbehorende klank uit te spreken (klanktekenkoppeling). L4 De leerlingen kunnen 1.1.1 woorden lezen met behulp van inzicht in de morfologische opbouw. 1.1.2 accuraat en geautomatiseerd lezen (vlot lezen). 1.1.3 teksten accuraat, met gepast tempo en met intonatie lezen (vloeiend lezen). 1.1.4 teksten en boeken lezen met aandacht en doorzettingsvermogen. 1.1.12 tonen dat ze de volgende tekstconventies begrijpen: gebruik van interpunctie, hoofdletters, structuuraanduiders (verwijs-, verbindings- en signaalwoorden), titels, tussentitels en alinea’s. L6 De leerling kan 1.1.1 onbekende woorden lezen met behulp van inzicht in de morfologische opbouw en kennis van leenwoorden. 1.1.2 teksten expressief lezen.
KO De kleuters kunnen 1.1.5 de betekenis van eenvoudige visuele boodschappen begrijpen. 1.1.6 expliciete informatie over de situatie, de gevoelens, de personages en perspectiefname uit voorgelezen teksten halen. 1.1.7 expliciete verbanden binnen een tekst verwoorden: oorzaak, gevolg, probleem en oplossing. 1.1.8 verbanden leggen tussen voorgelezen teksten en hun vakspecifieke kennis en voorkennis. 1.1.9 de belangrijkste gebeurtenissen uit een verhaallijn in eigen woorden navertellen. 1.3.4 op een voorgelezen verhaal reageren door voorspellingen te maken, vragen te stellen of verbanden te leggen met hun vakspecifieke kennis en voorkennis. L4 De leerlingen kunnen 1.1.5 expliciet vermelde informatie in teksten weergeven. 1.1.6 informatie uit een tekst combineren om tot een logische conclusie te komen. 1.1.7 verbanden leggen tussen teksten en hun vakspecifieke kennis en voorkennis. 1.1.8 beoordelen of de titel bij de tekst past. 1.1.9 verwoorden hoe de auteur denkt over het onderwerp van de tekst. 1.1.10 verwoorden hoe een tekst aansluit bij het leesdoel. 1.1.11 zich oriënteren op het lezen, tot begrip komen en het lezen bijsturen door aangeleerde leesstrategieën te gebruiken. L6 De leerling kan 1.1.3 expliciete en impliciete informatie uit een tekst combineren om tot een logische conclusie te komen. 1.1.4 verbanden leggen tussen teksten en zijn/haar vakspecifieke kennis en voorkennis. 1.1.5 vergelijken hoe verschillende auteurs denken over eenzelfde onderwerp. 1.1.6 beoordelen hoe een tekst zijn/haar standpunt wel of niet beïnvloedt. 1.1.7 zich oriënteren op het lezen, tot leesbegrip komen en het lezen bijsturen door indien nodig relevante leesstrategieën te selecteren en te gebruiken.
KO De kleuters kunnen 1.1.10 tonen dat ze de volgende tekstconventies begrijpen: inzicht in leesrichting, onderscheid tekst en beeld, congruentie tussen tekst en beeld. 1.1.11 tonen dat teksten een doel hebben: iets onthouden, iets doen, genieten. L4 De leerlingen kunnen 1.1.12 tonen dat ze de volgende tekstconventies begrijpen: gebruik van interpunctie, hoofdletters, structuuraanduiders (verwijs-, verbindings- en signaalwoorden), titels, tussentitels en alinea's. 1.1.13 tonen dat ze doelen van teksten herkennen aan de hand van tekstkenmerken. < bv. instructies geven via een stappenplan, genieten van een gedicht > L6 De leerling kan 1.1.8 tonen dat hij/zij de volgende tekstconventies begrijpt: index, inhoudsopgave, legende, tabellen en figuren. 1.1.9 doelen van teksten analyseren aan de hand van tekstkenmerken. < bv. een publiek activeren via een reclametekst, informeren via een nieuwsbericht >