Leerplannen Leerplandoelen
NL.250 Gebruiken K2 K3

Gebruiken tekeningen, krabbels, symbolen, letter- of cijfervormen om ideeën, gebeurtenissen en kennis vast te leggen.

Nederlands Schrijven Schrijven om te leren Noteren en samenvatten

Leeftijd
4-5,5-6 jaar
Handelingswerkwoord
Gebruiken
Verwerkingsaspect
Gebruiken — procedurele kennis — weten hoe
Minimumdoelen
KO 1.2.8
In de PDF
pagina 22

Leerlijn

Gebruiken tekeningen, krabbels, symbolen, letter- of cijfervormen om ideeën,
gebeurtenissen en kennis vast te leggen.

Voorbeelden
• Lotje tekent een smiley naast haar opdracht om aan te geven dat ze het leuk vond om
    die te maken.
• Achilles vult de eerste letter van een woord aan met een zelf uitgevonden letterteken.

Hangt samen met

Wordt verwezen vanuit

Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Schrijven”
KO

De kleuters kunnen
1.2.1 een dynamische pengreep hanteren.
1.2.2 in een correcte schrijfhouding zitten.
1.2.3 rechte en gebogen lijnen maken binnen liniatuur.
1.2.4 schrijfpatronen maken binnen liniatuur.
1.2.5 egaal binnen de lijntjes kleuren.
1.2.6 arceren met rechte lijnen.
1.2.7 de schrijfrichting hanteren.

L4

De leerlingen kunnen
1.2.1 letters, woorden en zinnen schrijven tussen de
grondlijn en hulplijnen.
1.2.2 kleine letters, hoofdletters, cijfers, reken- en
leestekens, volgens een correcte route schrijven
binnen een volledige liniatuur.
1.2.3 een regelmatig handschrift hanteren met de juiste
spatiëring binnen en tussen woorden.
1.2.4 de kantlijn en witruimtes hanteren in schriften.

L6

De leerling kan
1.2.1 vlot en regelmatig zonder hulplijnen schrijven op
een enkele grondlijn.
1.2.2 het schrijftempo en de vormgevingskwaliteit op
elkaar afstemmen.
1.2.3 een digitale tekst schrijven.
KO

L4

De leerlingen kunnen
1.2.5 de volgende categorieën van woorden spellen:
• woorden met een hoofdletter: persoonsnamen, titels
    van boeken en films, aardrijkskundige namen,
    feestdagen, talen en taalvariëteiten;
• woorden met gedekte en vrije klinkers in open en
    gesloten lettergrepen;
• woorden met een doffe klank in:
      o open en onbeklemtoonde lettergrepen;
      o voor- en achtervoegsels;
      o -eren,-elen,-enen;
      o frequente woorden.
          < bv. me, moeten, gevaar, voorzichtig,
          innerlijk, kinderen, meubelen, tekenen,
          avond >
• woorden met tweetekenklanken: ei, ij, ou, au, eu, ui;
• woorden met lettergroepen: aai, oei, ooi, eeuw,
    ieuw;
• woorden met meerdere medeklinkers vooraan, in het
    midden, en achteraan;

L6

De leerling kan
1.2.4 de volgende categorieën van woorden spellen:
• woorden met hoofdletters: afleidingen van
    aardrijkskundige namen, namen van historische
    gebeurtenissen, namen van bedrijven, gebouwen en
    merken;
• woorden die anders uitgesproken worden dan
    geschreven;
    < bv. station, actie, concert, succes, accu, quotiënt,
    examen, journaal, team, premier >
• woorden met vrije klinkers ee, o, u, ie, i, oe, ai, in een
    open of gesloten lettergreep;
    < bv. café, diner, trainen, ruw, eventueel, fabrikant,
    radio, historisch, baby, bijzonder, journaal, militair >
• woorden met de achtervoegsels -isch(e), -air(e), -iaal,
    -eaal, -ueel, -ieel;
• vakspecifieke woorden uit het Latijn of Grieks;
    < bv. fauna, flora, fotografie >
• onregelmatige verkleinwoorden;
• meervouden op -ie en -ee;
• woorden met medeklinkers eindigend op -b, -p- -d, -t,
    -g;
• woorden met -ng en -nk;
• woorden met -ch/-g;
• meervouden op -s, 's, -en, -eren;
• verkleinwoorden op -je, -tje, -etje, -pje, -kje.
1.2.6 spellingregels bij werkwoorden in de tegenwoordige
tijd toepassen.
1.2.7 zwakke en sterke werkwoorden in de (on)voltooid
verleden tijd spellen.
1.2.8 zinnen en teksten schrijven met aandacht voor
zinsstructuur, gebruik van hoofdletters en
interpunctie.

< bv. kopieën en zeeën >
• afwijkende meervouden;
    < bv. musea, centra >
• frequent gebruikte afkortingen, initiaalwoorden en
    letterwoorden;
• frequent gebruikte woorden met koppelteken,
    apostrof, trema en accent.
1.2.5 spellingregels toepassen bij frequente werkwoorden
in tegenwoordige, verleden, voltooide en toekomende
tijd.
1.2.6 samengestelde zinnen en teksten schrijven met
aandacht voor zinsstructuur, gebruik van hoofdletters en
interpunctie.

De leerling kent
1.4.5 spelling:
• interpunctietekens: dubbele aanhalingstekens,
    haakjes;
• woordtekens: trema, koppelteken, apostrof, accent,
    soorten afkortingen.
KO

De kleuters kunnen
1.2.8 door middel van tekenen, krabbels, symbolen,
letter- of cijfervormen ideeën of gebeurtenissen
vastleggen.1

L4

De leerlingen kunnen
1.2.9 kernwoorden, schema's of eenvoudige lijstjes
noteren om teksten of mondelinge informatie uit
vakdisciplines te onthouden of te ordenen.
1.2.10 teksten of mondelinge informatie uit vakdisciplines
samenvatten in korte zinnen.

L6

De leerling kan
1.2.7 het kernidee van teksten of mondelinge informatie
uit vakdisciplines in eigen woorden formuleren.
1.2.8 een samenvatting schrijven met een kernidee,
argumenten en relevante details.
1.2.9 bij vakdisciplines gestructureerde aantekeningen
maken met kernwoorden.
KO

De kleuters kennen

L4

De leerlingen kunnen

L6

De leerling kan
1.2.3 een digitale tekst schrijven.
1.2.9 de functie van schriftelijke taal om te informeren of
te communiceren.

De kleuters kunnen
1.2.10 ideeën aanbrengen voor een tekst vanuit
aangeboden inhouden, eigen ervaringen of creatieve
ideeën.

1.2.11 met behulp van enkele gepaste tekstkenmerken
specifieke teksten formuleren.
< bv. een stappenplan, een brief >
1.2.12 bedenken wat de inhoud van een tekst kan zijn en
hiervoor gebruik maken van hun vakspecifieke
kennis en voorkennis.
1.2.13 ideeën verzamelen en ordenen voor een tekst via
een woordspin of schema.
1.2.14 teksten schrijven met aandacht voor gepaste
inhoud.
1.2.15 structuur in een tekst aanbrengen: begin, midden
en slot.
1.2.16 teksten schrijven met aandacht voor woordkeuze
en zinsconstructies afgestemd op het beoogde
publiek.
1.2.17 teksten schrijven met een verzorgde tekstopmaak
aangepast aan het tekstdoel.
1.2.18 teksten herlezen en op aanwijzing herschrijven.
1.2.19 teksten schrijven met aandacht en
doorzettingsvermogen.

1.2.10 met behulp van enkele gepaste tekstkenmerken
specifieke teksten formuleren.
< bv. bij een reclametekst, een nieuwsbericht >
1.2.11 bedenken wat de inhoud van een tekst kan zijn en
hiervoor gebruik maken van zijn/haar vakspecifieke
kennis en voorkennis en relevante strategieën:
brainstorm, vragen stellen en associëren.
1.2.12 ideeën verzamelen en ordenen voor een tekst en
hierbij indien relevant een plan of structuur opstellen.
1.2.13 teksten schrijven met aandacht voor gepaste en
samenhangende inhoud.
1.2.14 een herkenbare en eenvoudige structuur
aanbrengen in teksten met inbegrip van titels, tussentitels,
alinea's en structuuraanduiders (verwijs, verbindings- en
signaalwoorden).
1.2.15 een doelgerichte formulering hanteren met variatie
in zinsbouw en gepaste woordkeuze met gebruik van
figuurlijk taalgebruik en een gepast register afgestemd op
het beoogde publiek.
1.2.16 kritisch reflecteren op teksten en ze op aanwijzing
herschrijven.
1.2.17 teksten schrijven met een verzorgde (digitale)
tekstopmaak in functie van verzenden of publiceren.
1.2.18 het schrijfproces met aandacht en
doorzettingsvermogen doorlopen.