Leerplannen Leerplandoelen
NL.499 Begrijpen L3 L4 L5 L6

Begrijpen in lees- en luistersituaties de letterlijke en figuurlijke betekenis van woorden en woordgroepen.

Nederlands Taalsysteem en taalgebruik Woordenschat Betekenissen van woorden Figuurlijk taalgebruik

Leeftijd
8-9,9-10,10-11,11-12 jaar
Handelingswerkwoord
Begrijpen
Verwerkingsaspect
Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
Minimumdoelen
L4 1.4.3; L6 1.4.3
In de PDF
pagina 11,12

Leerlijn

Begrijpen in lees- en luistersituaties de letterlijke en figuurlijke betekenis van woorden
en woordgroepen.

MIA
Figuurlijke betekenis:
uitdrukkingen

Te hanteren begrippen
letterlijk, figuurlijk, de uitdrukking, het figuurlijk taalgebruik

Voorbeelden
Figuurlijke betekenis:
• In het beluisterde nieuwsbericht horen de kinderen een geïnterviewd persoon
    zeggen: ‘Genoeg is genoeg!’. Ze denken samen na over de betekenis van deze
    uitdrukking en komen tot de conclusie dat het betekent dat die persoon het beu is.
• De kinderen beluisteren een interview met een bekend persoon. Als antwoord op
    een vraag van de interviewer antwoordt de persoon: ‘Dat is de hamvraag.’ De
    leerkracht verduidelijkt dat de ‘hamvraag’ de vraag is waar het allemaal om draait.
• In een aflevering van het jeugdjournaal zegt de sportjournalist dat de atleet ‘de
    handdoek in de ring gooit’. De meester legt uit dat dit spreekwoord betekent dat de
    atleet het opgeeft en niet verder deelneemt aan de wedstrijd.
• In de tekst lezen de kinderen dat het hoofdpersonage ‘groen’ is. De leerkracht legt
    uit dat ‘groen’ meerdere betekenissen kan hebben. Groen is letterlijk een kleur.
    Maar het kan figuurlijk als betekenis jong of milieubewust hebben.
• Aan het einde van het verhaal leest Timon: ‘na regen komt zonneschijn’. Hij zoekt
    het spreekwoord op in het online spreekwoordenboek en komt te weten dat het
    betekent dat na alle tegenslag alles weer goed komt.

Hangt samen met

Wordt verwezen vanuit

Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Taalsysteem en taalgebruik”
KO
TE BEREIKEN OP POPULATIENIEVEAU

De kleuters kunnen
1.4.1 basiswoordenschat en eenvoudige betekenisrelaties
inzetten met betrekking tot de leefomgeving en
de school.
1.4.2 aangeboden inhoudelijke en functionele school- en
instructietaal inzetten binnen de context van de
activiteiten en hun vakspecifieke kennis, voorkennis en
ervaring.
1.4.3 onder begeleiding hun woordenschat uitbreiden.

L4

De leerlingen kennen
1.4.1 woordvorming: samenstellingen, afleidingen.
1.4.2 basisprincipes van betekenisrelaties: synoniemen,
antoniemen en trappen van vergelijking.
1.4.3 figuurlijk taalgebruik.
1.4.9 woorden:
• woordvorming: enkelvoud, meervoud en verbuiging,
    vervoeging, samenstelling, afleiding;
• woordsoorten: zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk
    naamwoord, lidwoord, telwoord, voorzetsel,
    voegwoord, werkwoord;
• werkwoordstijden: tegenwoordige tijd, verleden tijd
1.4.14 de termen jongerentaal en vaktaal.

De leerlingen kunnen
1.4.4 woorden genuanceerd en gepast inzetten.
1.4.5 aangeboden school-, instructie- en vaktaal hanteren
in de vakdisciplines.
1.4.6 nieuwe woordbetekenissen en -relaties achterhalen
uit gesproken en geschreven contexten door gebruik te
maken van woordleerstrategieën:
• om verduidelijking vragen;
• belang van het woord in de tekst nagaan;
• vergelijken met een bekend woord;
• de context inzetten;
• de woordopbouw analyseren.
1.4.17 basisverschillen tussen formele en informele taal
verwoorden.

L6

De leerling kent
1.4.1 basisprincipes van betekenisrelaties: hyponiemen.
1.4.7 woorden: grondwoord, voorvoegsel, achtervoegsel,
verkleinwoord, stam, uitgang, infinitief.

De leerling kan
1.4.2 formeel en informeel taalgebruik conform de
context inzetten.
1.4.3 woorden genuanceerd en gepast inzetten met
steeds hogere abstractiegraad en figuurlijk taalgebruik.
1.4.4 actief op zoek gaan naar nieuwe woordbetekenissen
en -relaties door gebruik te maken van
woordleerstrategieën:
• vreemdetalenkennis inzetten;
• hulpbron inzetten.
KO

De kleuters kennen
1.4.4 woord, woorddeel, klankgroep, rijm, klank, letter.

De kleuters kunnen
1.4.5 basiselementen van het taalsysteem toepassen in
taal(spel): klanken, klankgroepen, rijm, letter- en
cijfersymbolen, klanktekenkoppeling, woorden.

L4

De leerlingen kennen
1.4.7 klanken: korte, lange, tweetekenklinkers,
medeklinkers en uitspraak.
1.4.8 spelling:
• klanktekenkoppeling, letters, alfabetisch principe;
• interpunctietekens: punt, vraagteken, uitroepteken,
    komma, dubbele punt, spatie.
1.4.9 woorden:
• woordvorming: enkelvoud, meervoud en verbuiging,
    vervoeging, samenstelling, afleiding;
• woordsoorten: zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk
    naamwoord, lidwoord, telwoord, voorzetsel,
    voegwoord, werkwoord;
• werkwoordstijden: tegenwoordige tijd, verleden tijd.
1.4.10 zinnen en zinsdelen:
• zin, onderwerp, persoonsvorm, zinsdeel, gezegde;
• soorten zinnen: mededelende zin, vragende zin,
    uitroepende zin.

De leerlingen kunnen
1.4.11 inzichten in het taalsysteem toepassen en erover
reflecteren.

L6

De leerling kent
1.4.5 spelling:
• interpunctietekens: dubbele aanhalingstekens,
    haakjes;
• woordtekens: trema, koppelteken, apostrof, accent,
    soorten afkortingen.
1.4.6 woorden:
• woordsoorten: voornaamwoord;
• werkwoordtijden: toekomende tijd, voltooid
    deelwoord.
1.4.7 woorden: grondwoord, voorvoegsel, achtervoegsel,
verkleinwoord, stam, uitgang, infinitief.
1.4.8 zinnen en zinsdelen:
• meewerkend en lijdend voorwerp;
• naamwoordelijk en werkwoordelijk gezegde;
• soorten zinnen: enkelvoudige en samengestelde
    zinnen, ontkennende zin;
• gebiedende wijs.

De leerling kan
1.4.9 inzichten in het taalsysteem toepassen en erover
reflecteren.
KO

De kleuters weten
1.4.6 dat taal non-verbale en verbale elementen
inhoudt.
1.4.7 dat er verschillende taalvariëteiten en
verschillende talen zijn.

L4

De leerlingen kennen
1.4.12 enkele taalvariëteiten: dialect,
Standaardnederlands.
1.4.13
• het communicatiemodel: zender, ontvanger,
    boodschap, kanaal;
• basisregisters: formeel, informeel;
• non-verbale communicatie: intonatie, mimiek,
    lichaamstaal.
1.4.14 de termen jongerentaal en vaktaal.

L6

De leerling kent
1.4.10 het uitgebreid communicatiemodel: doel,
medium, effect.
1.4.11 taalvariëteiten: tussentaal, vreemde taal.

De leerling weet
1.4.12 dat taal wordt beïnvloed door verschillende
factoren: plaats en cultuur.
1.4.13 dat informatiebronnen veranderen doorheen de
tijd: orale vertelcultuur, schrift, boekdrukkunst, radio,
televisie, digitale media.
De leerlingen weten
1.4.15 dat taal wordt beïnvloed door verschillende
factoren: leeftijd en beroep van de gebruiker.
1.4.16 dat taal evolueert doorheen de tijd.

De leerlingen kunnen
1.4.17 basisverschillen tussen formele en informele taal
verwoorden.
1.1.2 accuraat en geautomatiseerd lezen (vlot lezen).

1.4.14 dat het Nederlands tot een taalfamilie behoort.
1.4.15 dat er vreemde talen zijn waarin dezelfde of
andere schrifttekens worden gebruikt dan in het
Nederlands.