NL.269
Engageren
L3
L4
Reflecteren samen over de invloed die elkaars schrijfproducten uitoefenen op lezers.
Nederlands › Schrijven › Schrijven om te delen › Invloed van de auteur op de lezer
- Leeftijd
- 8-9,9-10 jaar
- Handelingswerkwoord
- Reflecteren
- Verwerkingsaspect
- Engageren — reflectie en toepassing in nieuwe, authentieke contexten
- Minimumdoelen
- L4 1.2.16
- In de PDF
- pagina 27
Leerlijn
Reflecteren samen over de invloed die elkaars schrijfproducten uitoefenen op lezers.
Voorbeelden
• Evi maakte een poster om iedereen duidelijk te maken dat bananenschillen in de
groenafvalbak horen. Ze kleurde de afvalbak groen en tekende een pijl van de
bananenschil naar de vuilbak. Evi en haar klasgenoten reflecteren samen over de
duidelijkheid van deze boodschap. Ze leggen aan elkaar uit hoe zij de boodschap op de
poster van Evi begrijpen.
• Mehmet maakte een verslag met een tekening over de voetbalmatch. Mehmet schreef in
grote letters wat de supporters riepen en hij gebruikte uitroeptekens. Mehmet en zijn
klasgenoten reflecteren samen over de tekstopmaak. Zij leggen aan elkaar uit in
hoeverre grote letters en uitroeptekens duidelijk maken dat de supporters roepen.
• Daria schreef een spookverhaal. De leerlingen ervaren hoe spannend het is door de
manier waarop Daria beschrijft hoe het hoofdpersonage kippenvel krijgt en rilt van angst
wanneer ze een deur hard hoorde dichtklappen. Daria en haar klasgenoten reflecteren
samen over de spanning in het verhaal. Ze geven aan welke woorden of woordgroepen
het verhaal voor hen spannend maken.
Hangt samen met
- Vlag NL.567 Herkennen hoe interpretatie van teksten beïnvloed wordt. L3,L4
Wordt verwezen vanuit
- Vlag NL.567 Herkennen hoe interpretatie van teksten beïnvloed wordt. L3,L4
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Schrijven”
KO De kleuters kunnen 1.2.1 een dynamische pengreep hanteren. 1.2.2 in een correcte schrijfhouding zitten. 1.2.3 rechte en gebogen lijnen maken binnen liniatuur. 1.2.4 schrijfpatronen maken binnen liniatuur. 1.2.5 egaal binnen de lijntjes kleuren. 1.2.6 arceren met rechte lijnen. 1.2.7 de schrijfrichting hanteren. L4 De leerlingen kunnen 1.2.1 letters, woorden en zinnen schrijven tussen de grondlijn en hulplijnen. 1.2.2 kleine letters, hoofdletters, cijfers, reken- en leestekens, volgens een correcte route schrijven binnen een volledige liniatuur. 1.2.3 een regelmatig handschrift hanteren met de juiste spatiëring binnen en tussen woorden. 1.2.4 de kantlijn en witruimtes hanteren in schriften. L6 De leerling kan 1.2.1 vlot en regelmatig zonder hulplijnen schrijven op een enkele grondlijn. 1.2.2 het schrijftempo en de vormgevingskwaliteit op elkaar afstemmen. 1.2.3 een digitale tekst schrijven.
KO
L4
De leerlingen kunnen
1.2.5 de volgende categorieën van woorden spellen:
• woorden met een hoofdletter: persoonsnamen, titels
van boeken en films, aardrijkskundige namen,
feestdagen, talen en taalvariëteiten;
• woorden met gedekte en vrije klinkers in open en
gesloten lettergrepen;
• woorden met een doffe klank in:
o open en onbeklemtoonde lettergrepen;
o voor- en achtervoegsels;
o -eren,-elen,-enen;
o frequente woorden.
< bv. me, moeten, gevaar, voorzichtig,
innerlijk, kinderen, meubelen, tekenen,
avond >
• woorden met tweetekenklanken: ei, ij, ou, au, eu, ui;
• woorden met lettergroepen: aai, oei, ooi, eeuw,
ieuw;
• woorden met meerdere medeklinkers vooraan, in het
midden, en achteraan;
L6
De leerling kan
1.2.4 de volgende categorieën van woorden spellen:
• woorden met hoofdletters: afleidingen van
aardrijkskundige namen, namen van historische
gebeurtenissen, namen van bedrijven, gebouwen en
merken;
• woorden die anders uitgesproken worden dan
geschreven;
< bv. station, actie, concert, succes, accu, quotiënt,
examen, journaal, team, premier >
• woorden met vrije klinkers ee, o, u, ie, i, oe, ai, in een
open of gesloten lettergreep;
< bv. café, diner, trainen, ruw, eventueel, fabrikant,
radio, historisch, baby, bijzonder, journaal, militair >
• woorden met de achtervoegsels -isch(e), -air(e), -iaal,
-eaal, -ueel, -ieel;
• vakspecifieke woorden uit het Latijn of Grieks;
< bv. fauna, flora, fotografie >
• onregelmatige verkleinwoorden;
• meervouden op -ie en -ee;
• woorden met medeklinkers eindigend op -b, -p- -d, -t,
-g;
• woorden met -ng en -nk;
• woorden met -ch/-g;
• meervouden op -s, 's, -en, -eren;
• verkleinwoorden op -je, -tje, -etje, -pje, -kje.
1.2.6 spellingregels bij werkwoorden in de tegenwoordige
tijd toepassen.
1.2.7 zwakke en sterke werkwoorden in de (on)voltooid
verleden tijd spellen.
1.2.8 zinnen en teksten schrijven met aandacht voor
zinsstructuur, gebruik van hoofdletters en
interpunctie.
< bv. kopieën en zeeën >
• afwijkende meervouden;
< bv. musea, centra >
• frequent gebruikte afkortingen, initiaalwoorden en
letterwoorden;
• frequent gebruikte woorden met koppelteken,
apostrof, trema en accent.
1.2.5 spellingregels toepassen bij frequente werkwoorden
in tegenwoordige, verleden, voltooide en toekomende
tijd.
1.2.6 samengestelde zinnen en teksten schrijven met
aandacht voor zinsstructuur, gebruik van hoofdletters en
interpunctie.
De leerling kent
1.4.5 spelling:
• interpunctietekens: dubbele aanhalingstekens,
haakjes;
• woordtekens: trema, koppelteken, apostrof, accent,
soorten afkortingen.
KO De kleuters kunnen 1.2.8 door middel van tekenen, krabbels, symbolen, letter- of cijfervormen ideeën of gebeurtenissen vastleggen.1 L4 De leerlingen kunnen 1.2.9 kernwoorden, schema's of eenvoudige lijstjes noteren om teksten of mondelinge informatie uit vakdisciplines te onthouden of te ordenen. 1.2.10 teksten of mondelinge informatie uit vakdisciplines samenvatten in korte zinnen. L6 De leerling kan 1.2.7 het kernidee van teksten of mondelinge informatie uit vakdisciplines in eigen woorden formuleren. 1.2.8 een samenvatting schrijven met een kernidee, argumenten en relevante details. 1.2.9 bij vakdisciplines gestructureerde aantekeningen maken met kernwoorden.
KO De kleuters kennen L4 De leerlingen kunnen L6 De leerling kan 1.2.3 een digitale tekst schrijven.
1.2.9 de functie van schriftelijke taal om te informeren of te communiceren. De kleuters kunnen 1.2.10 ideeën aanbrengen voor een tekst vanuit aangeboden inhouden, eigen ervaringen of creatieve ideeën. 1.2.11 met behulp van enkele gepaste tekstkenmerken specifieke teksten formuleren. < bv. een stappenplan, een brief > 1.2.12 bedenken wat de inhoud van een tekst kan zijn en hiervoor gebruik maken van hun vakspecifieke kennis en voorkennis. 1.2.13 ideeën verzamelen en ordenen voor een tekst via een woordspin of schema. 1.2.14 teksten schrijven met aandacht voor gepaste inhoud. 1.2.15 structuur in een tekst aanbrengen: begin, midden en slot. 1.2.16 teksten schrijven met aandacht voor woordkeuze en zinsconstructies afgestemd op het beoogde publiek. 1.2.17 teksten schrijven met een verzorgde tekstopmaak aangepast aan het tekstdoel. 1.2.18 teksten herlezen en op aanwijzing herschrijven. 1.2.19 teksten schrijven met aandacht en doorzettingsvermogen. 1.2.10 met behulp van enkele gepaste tekstkenmerken specifieke teksten formuleren. < bv. bij een reclametekst, een nieuwsbericht > 1.2.11 bedenken wat de inhoud van een tekst kan zijn en hiervoor gebruik maken van zijn/haar vakspecifieke kennis en voorkennis en relevante strategieën: brainstorm, vragen stellen en associëren. 1.2.12 ideeën verzamelen en ordenen voor een tekst en hierbij indien relevant een plan of structuur opstellen. 1.2.13 teksten schrijven met aandacht voor gepaste en samenhangende inhoud. 1.2.14 een herkenbare en eenvoudige structuur aanbrengen in teksten met inbegrip van titels, tussentitels, alinea's en structuuraanduiders (verwijs, verbindings- en signaalwoorden). 1.2.15 een doelgerichte formulering hanteren met variatie in zinsbouw en gepaste woordkeuze met gebruik van figuurlijk taalgebruik en een gepast register afgestemd op het beoogde publiek. 1.2.16 kritisch reflecteren op teksten en ze op aanwijzing herschrijven. 1.2.17 teksten schrijven met een verzorgde (digitale) tekstopmaak in functie van verzenden of publiceren. 1.2.18 het schrijfproces met aandacht en doorzettingsvermogen doorlopen.