Leerplannen Leerplandoelen
Leerjaar
Verwerkingsaspect

276 doelen

CSV downloaden filters wissen

vak: AA ✕

  1. AA.001 Begrijpen K2 KO 4.1.4

    Benoemen waar ze wonen.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › Mijn woonplaats: mijn gemeente, stad of dorp

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Benoemen:
    naam van de stad of gemeente
  2. AA.002 Begrijpen K3 KO 4.1.1; KO 4.1.4

    Benoemen waar ze wonen.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › Mijn woonplaats: mijn gemeente, stad of dorp

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Benoemen:
    straatnaam, huisnummer
    België

    Te hanteren begrippen

    de straatnaam, het huisnummer, het land, België
  3. AA.003 Begrijpen L1 L2 KO 4.1.4

    Benoemen waar ze wonen.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › Mijn woonplaats: mijn gemeente, stad of dorp

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Benoemen:
    naam en adres (straat, huisnummer, gemeente of stad)
    België
    stad, dorp

    Te hanteren begrippen

    het adres, de stad, het dorp
  4. AA.004 Begrijpen L3 L4 4.1.1; L4 4.1.3

    Benoemen de “schoolgemeente”.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › Mijn woonplaats: mijn gemeente, stad of dorp

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Benoemen:
    de gemeente of stad waar de school zich bevindt en de postcode

    Te hanteren begrippen

    de postcode, de schoolgemeente
  5. AA.005 Begrijpen L3 L4 4.1.1; L4 4.1.3

    Illustreren de eigen gemeente, buurgemeente(n) en/of deelgemeente(n).

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › Mijn woonplaats: mijn gemeente, stad of dorp

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigen gemeente:
    naam en postcode

    Te hanteren begrippen

    de buurgemeente, de deelgemeente, de gemeente, de thuisgemeente

    Voorbeelden

    Buurgemeente:
    Een buurgemeente van de gemeente Bredene is De Haan.
    Deelgemeente:
    Uitkerke is een deelgemeente van de stad Blankenberge.
  6. AA.006 Begrijpen L3 L4 4.1.1

    Illustreren de eigen regio.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › Mijn woonplaats: mijn gemeente, stad of dorp

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigen regio:
    • de naam van de eigen regio
    • geografische kenmerken
    • culturele kenmerken
    • economische/toeristische kenmerken
  7. AA.007 Begrijpen L4 L4 4.1.1

    Herkennen regio’s in België.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › Mijn woonplaats: mijn gemeente, stad of dorp

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Regio’s in België:
    • de Kempen
    • de Hoge Venen
    • de kuststreek
    • de Ardennen

    Te hanteren begrippen

    de regio, de Kempen, de Hoge Venen, de kuststreek, de Ardennen
  8. AA.008 Gebruiken K3 KO 4.1.1; KO 4.1.2

    Lokaliseren België op de globe.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › Mijn woonplaats: mijn gemeente, stad of dorp

  9. AA.009 Gebruiken L3 L4 L4 4.1.1

    Lokaliseren de eigen gemeente of stad, de “schoolgemeente”, buurgemeente(n), deelgemeente(n), regio’s van België en de eigen regio op een kaart.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › Mijn woonplaats: mijn gemeente, stad of dorp

  10. AA.010 Begrijpen L3 L4 4.1.1

    Benoemen de Belgische provincies met hun provinciehoofdplaatsen.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › België: provincies, hoofdplaatsen, gewesten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de provincie, de provinciehoofdplaats
  11. AA.011 Gebruiken L3 L4 4.1.1

    Lokaliseren de Belgische provincies en hun provinciehoofdplaatsen op een kaart van België.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › België: provincies, hoofdplaatsen, gewesten

  12. AA.012 Begrijpen L4 L4 4.1.1

    Benoemen de gewesten en de gemeenschappen in België.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › België: provincies, hoofdplaatsen, gewesten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de gewesten, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk
    Gewest, de gemeenschappen, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de
    Duitstalige Gemeenschap
  13. AA.013 Gebruiken L4 L4 4.1.1

    Lokaliseren de gemeenschappen en gewesten op een kaart van België.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › België: provincies, hoofdplaatsen, gewesten

  14. AA.014 Begrijpen L3 L4 4.1.1

    Benoemen de buurlanden van België met hun hoofdstad.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › De wereld › Buurlanden van België

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    het buurland, de hoofdstad
  15. AA.015 Gebruiken L3 L4 4.1.1

    Lokaliseren de buurlanden van België met hun hoofdstad.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › De wereld › Buurlanden van België

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Lokaliseren:
    • op een kaart van Europa
    • op een globe
  16. AA.016 Begrijpen L4 L4 4.1.1

    Benoemen de werelddelen.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › De wereld › De werelddelen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    Afrika, Antarctica, Azië, Europa, Oceanië, Noord – Amerika, Zuid- Amerika, het
    werelddeel
  17. AA.017 Gebruiken L4 L4 4.1.1

    Lokaliseren de werelddelen.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › De wereld › De werelddelen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Werelddelen:
    Afrika, Antarctica, Azië, Europa, Oceanië, Noord-Amerika, Zuid-Amerika
    
    Lokaliseren:
    • op een wereldkaart
    • op een globe
  18. AA.018 Begrijpen L5 L6 4.1.1

    Benoemen de landen van EU inclusief Verenigd Koninkrijk, Noorwegen, Zwitserland, Rusland met hun hoofdsteden.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › De wereld › Landen van EU inclusief Verenigd Koninkrijk, Noorwegen, Zwitserland, Rusland

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de Europese Unie, Europa
  19. AA.019 Gebruiken L5 L6 L6 4.1.1

    Lokaliseren de landen van EU inclusief Verenigd Koninkrijk, Noorwegen, Zwitserland, Rusland met hun hoofdsteden.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › De wereld › Landen van EU inclusief Verenigd Koninkrijk, Noorwegen, Zwitserland, Rusland

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Lokaliseren:
    op een kaart van Europa
  20. AA.020 Begrijpen L6 L6 4.1.1

    Benoemen landen in de wereld.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › De wereld › Landen in de wereld

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Landen:
    • Egypte, Marokko, Congo, Zuid-Afrika
    • de Verenigde Staten van Amerika, Canada, Mexico, Brazilië, Argentinië
    • Australië, Nieuw-Zeeland
    • China, India, Japan
    • Israël, Iran, Turkije
  21. AA.021 Gebruiken L6 L6 4.1.1

    Lokaliseren landen in de wereld.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › De wereld › Landen in de wereld

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Landen:
    • Egypte, Marokko, Congo, Zuid-Afrika
    • de Verenigde Staten van Amerika, Canada, Mexico, Brazilië, Argentinië
    • Australië, Nieuw-Zeeland
    • China, India, Japan
    • Israël, Iran, Turkije
    
    Lokaliseren:
    • op een wereldkaart
    • op een globe
  22. AA.022 Begrijpen K3 KO 4.1.1

    Benoemen een lokale rivier.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › Rivieren, zeeën en oceanen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de rivier
  23. AA.023 Begrijpen K3 KO 4.1.1

    Benoemen rivieren, zeeën en oceanen.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › Rivieren, zeeën en oceanen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Rivieren:
    de Nijl
  24. AA.024 Gebruiken K3 L1 L2 KO 4.1.2; L4 4.1.1

    Lokaliseren een plaatselijke rivier.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › Rivieren, zeeën en oceanen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Jeremy legt uit hoe je van de school naar de Zwalm moet stappen.
    • Amy vertelt: “Als we naar het zwembad gaan, dan rijden we over de Demer.”
  25. AA.025 Begrijpen L3 L4 4.1.1

    Benoemen rivieren in België.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › Rivieren, zeeën en oceanen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Rivieren:
    • de Maas
    • de Schelde
    • de Ijzer

    Te hanteren begrippen

    de Ijzer, de Maas, de Schelde
  26. AA.026 Gebruiken L3 L4 4.1.1

    Lokaliseren rivieren in België.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › Rivieren, zeeën en oceanen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Lokaliseren:
    op een kaart van België
  27. AA.027 Begrijpen L3 L4 4.1.1

    Benoemen de zeeën in Europa.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › Rivieren, zeeën en oceanen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Zeeën:
    • de Middellandse Zee
    • de Noordzee

    Te hanteren begrippen

    de Middellandse Zee, de Noordzee
  28. AA.028 Gebruiken L3 L4 4.1.1

    Lokaliseren de zeeën in Europa.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › Rivieren, zeeën en oceanen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Zeeën:
    • de Middellandse Zee
    • de Noordzee
    
    Lokaliseren:
    op een kaart van Europa
  29. AA.029 Begrijpen L4 L4 4.1.1

    Benoemen de oceanen in de wereld.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › Rivieren, zeeën en oceanen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Oceanen:
    • de Grote Oceaan
    • de Atlantische Oceaan
    • de Indische Oceaan

    Te hanteren begrippen

    de Grote Oceaan, de Atlantische Oceaan, de Indische Oceaan
  30. AA.030 Gebruiken L4 L4 4.1.1

    Lokaliseren de oceanen in de wereld.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › Rivieren, zeeën en oceanen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Oceanen:
    • de Grote Oceaan
    • de Atlantische Oceaan
    • de Indische Oceaan
    
    Lokaliseren:
    • op een wereldkaart
    • op een globe
  31. AA.031 Begrijpen L5 L6 4.1.1

    Benoemen rivieren in de wereld.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › Rivieren, zeeën en oceanen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Rivieren:
    • de Seine
    • de Donau
    • de Rijn
    • de Amazone

    Te hanteren begrippen

    de Seine, de Donau, de Rijn, de Amazone
  32. AA.032 Gebruiken L5 L6 4.1.1

    Lokaliseren rivieren in de wereld.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › Rivieren, zeeën en oceanen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Rivieren:
    • de Seine
    • de Donau
    • de Rijn
    • de Amazone
    
    Lokaliseren:
    • op een wereldkaart
  33. AA.033 Begrijpen L4 L4 4.1.1

    Benoemen vulkanen.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › Bergen, bergketens en vulkanen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vulkanen :
    • de Etna
    • de Vesuvius

    Te hanteren begrippen

    de vulkaan, de Etna, de Vesuvius
  34. AA.034 Gebruiken L4 L4 4.1.1

    Lokaliseren vulkanen.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › Bergen, bergketens en vulkanen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vulkanen :
    • de Etna
    • de Vesuvius
    
    Lokaliseren:
    op een kaart van Europa
  35. AA.035 Begrijpen L5 L6 4.1.1

    Benoemen bergen en bergketens.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › Bergen, bergketens en vulkanen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Bergen en bergketens:
    • de Alpen
    • het Himalayagebergte
    • de Pyreneeën
    • de Oeral
    • de Mount Everest

    Te hanteren begrippen

    de bergketen, de Alpen, de Pyreneeën, de Oeral, de Mount Everest, de Himalaya
  36. AA.036 Gebruiken L5 L6 4.1.1

    Lokaliseren bergen en bergketens.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › Bergen, bergketens en vulkanen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Bergen en bergketens:
    • de Alpen
    • het Himalayagebergte
    • de Pyreneeën
    • de Oeral
    • de Mount Everest
    
    Lokaliseren:
    • op een kaart van Europa
    • op een wereldkaart
    • op een globe
  37. AA.037 Begrijpen L6 L6 4.1.1

    Illustreren de hoogteligging van bergen.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › Bergen, bergketens en vulkanen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Hoogteligging:
    • Mount Everest (Nepal – Tibet): hoogste berg ter wereld (8848 m)

    Te hanteren begrippen

    de Mount Everest, de hoogste berg
    
    Voorbeelden:
    Hoogteligging:
    • Mount Everest (Nepal – Tibet): 8849 m
    • Annapurna (Nepal): 8091 m
    • Mont Blanc (Frankrijk – Italië): 4807 m
    • De Matterhorn (Zwitserland – Italië): 4478 m
    • Großglockner (Oostenrijk): 3798 m
  38. AA.038 Gebruiken L6 GO!-doel

    Ordenen bergketens volgens hun hoogteligging.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › Bergen, bergketens en vulkanen

  39. AA.039 Engageren L3 L4 L5 L6 L4 4.1.1; L6 4.1.1

    Tonen hun topografische kennis van de wereld en de mentale kaart van Europa in verschillende contexten.

    Aardrijkskunde Topografie › Topografisch referentiekader › Bergen, bergketens en vulkanen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Joris situeert de nieuwe president in Polen op de staatkundige Europese kaart.
    • Op uitstap met de klas in Luik wandelen de leerlingen over een brug. “We wandelen
        over de Maas”, zegt Oona.
  40. AA.040 Begrijpen K1 KO 4.1.3

    Herkennen een vertrouwde ruimte vanuit relatieve ligging.

    Aardrijkskunde Topografie › Relatieve en absolute ligging › Relatieve ligging › Ruimtebegrippen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    op, onder, boven, ver, dicht, voor, achter
  41. AA.041 Begrijpen K2 KO 4.1.3

    Herkennen een ruimte vanuit relatieve ligging.

    Aardrijkskunde Topografie › Relatieve en absolute ligging › Relatieve ligging › Ruimtebegrippen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Ruimte:
    • vertrouwde/ verkende ruimte
    • verkleinde ruimte

    Te hanteren begrippen

    in, erop, uit, naast, hoog, laag, tussen, binnen, buiten, tegen
  42. AA.042 Begrijpen K3 KO 4.1.3

    Herkennen een ruimte vanuit relatieve ligging.

    Aardrijkskunde Topografie › Relatieve en absolute ligging › Relatieve ligging › Ruimtebegrippen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Ruimte:
    • verkende ruimte
    • verkleinde ruimte
    • afgebeelde ruimte

    Te hanteren begrippen

    erboven, eronder, ervoor, erachter, vooraan, achteraan, voorste, achterste, bovenaan,
    onderaan, bovenste, onderste, dicht(er)bij, ver(der)af, tegenover, opzij, midden, links,
    rechts
  43. AA.043 Begrijpen L1 GO!-doel

    Herkennen een ruimte vanuit relatieve ligging.

    Aardrijkskunde Topografie › Relatieve en absolute ligging › Relatieve ligging › Ruimtebegrippen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Ruimte:
    • verkende ruimte
    • verkleinde ruimte
    • afgebeelde ruimte

    Te hanteren begrippen

    linkerkant, rechterkant, linkerzijde, rechterzijde
  44. AA.044 Begrijpen L2 GO!-doel

    Herkennen een ruimte vanuit relatieve ligging.

    Aardrijkskunde Topografie › Relatieve en absolute ligging › Relatieve ligging › Ruimtebegrippen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Ruimte:
    • verkende ruimte
    • verkleinde ruimte
    • afgebeelde ruimte

    Te hanteren begrippen

    linksboven, rechtsboven, linksonder, rechtsonder
  45. AA.045 Gebruiken K1 K2 K3 L1 L2 KO 4.1.3

    Gebruiken de relatieve ligging om een bepaalde locatie, persoon of voorwerp te beschrijven.

    Aardrijkskunde Topografie › Relatieve en absolute ligging › Relatieve ligging › Ruimtebegrippen

  46. AA.046 Begrijpen L3 L4 4.1.2

    Duiden de relatie tussen zonnestand, tijdstip en de hoofdwindrichtingen.

    Aardrijkskunde Topografie › Relatieve en absolute ligging › Relatieve ligging › Windrichtingen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Relatie:
    De zon komt op in het oosten en gaat onder in het westen.
    De zon komt nooit in het noorden.
    's Middags staat de zon in het zuiden.
    
    Duiden:
    met inbegrip van notatie O, W, N en Z

    Te hanteren begrippen

    de hoofdwindrichting, het oosten (O), het noorden (N), het westen (W), het zuiden (Z)
    de windroos
  47. AA.047 Gebruiken L3 L4 4.1.2

    Gebruiken de hoofdwindrichtingen.

    Aardrijkskunde Topografie › Relatieve en absolute ligging › Relatieve ligging › Windrichtingen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gebruiken:
    • de windroos
    • het kompas
    • de zonnestand
    • inclusief notatie (O, W, N, Z)
  48. AA.048 Begrijpen L4 L4 4.1.2

    Benoemen de tussenwindrichtingen.

    Aardrijkskunde Topografie › Relatieve en absolute ligging › Relatieve ligging › Windrichtingen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    het noordoosten (NO), het zuidoosten (ZO), het zuidwesten (ZW), het noordwesten
    (NW), de tussenwindrichting(en)
  49. AA.049 Gebruiken L4 L4 4.1.2

    Gebruiken de hoofd- en tussenwindrichtingen.

    Aardrijkskunde Topografie › Relatieve en absolute ligging › Relatieve ligging › Windrichtingen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gebruiken:
    • de windroos
    • het kompas
    • de zonnestand (schaduwlijnen)
    • bepaling van richting en locatie
    • inclusief notatie (O, W, N, Z, NO, ZO, ZW, NW)
  50. AA.050 Begrijpen K3 KO 4.1.4

    Benoemen Noordpool en Zuidpool.

    Aardrijkskunde Topografie › Relatieve en absolute ligging › Absolute ligging

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de Noordpool, de Zuidpool
  51. AA.051 Gebruiken K3 L1 KO 4.1.4; L4 4.1.3

    Lokaliseren Noordpool en Zuidpool.

    Aardrijkskunde Topografie › Relatieve en absolute ligging › Absolute ligging

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Lokaliseren:
    op een globe
  52. AA.052 Begrijpen L2 L4 4.1.3

    Herkennen de evenaar.

    Aardrijkskunde Topografie › Relatieve en absolute ligging › Absolute ligging

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    De evenaar:
    De denkbeeldige lijn die de aarde verdeelt in twee gelijke helften.

    Te hanteren begrippen

    de evenaar, het halfrond, de halfronden
  53. AA.053 Gebruiken L2 L4 4.1.3

    Lokaliseren de evenaar.

    Aardrijkskunde Topografie › Relatieve en absolute ligging › Absolute ligging

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Lokaliseren:
    op een globe
  54. AA.054 Begrijpen L3 L4 4.1.3

    Herkennen het noordelijk halfrond en het zuidelijk halfrond ten opzichte van de evenaar.

    Aardrijkskunde Topografie › Relatieve en absolute ligging › Absolute ligging

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    het noordelijk halfrond, het zuidelijk halfrond
  55. AA.055 Gebruiken L3 L4 4.1.3

    Lokaliseren de evenaar, het noordelijk halfrond en het zuidelijk halfrond.

    Aardrijkskunde Topografie › Relatieve en absolute ligging › Absolute ligging

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Lokaliseren:
    • op een wereldkaart
    • op een globe
  56. AA.056 Begrijpen L4 L4 4.1.3

    Herkennen de nulmeridiaan, het westelijk halfrond en het oostelijk halfrond.

    Aardrijkskunde Topografie › Relatieve en absolute ligging › Absolute ligging

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    De nulmeridiaan:
    De denkbeeldige lijn die de aarde verdeelt in 2 halfronden.
    De nulmeridiaan wordt gebruikt als het beginpunt voor het meten van lengtegraden.
    Deze lijn loopt van de Noordpool naar de Zuidpool en heeft een lengtegraad van 0
    graden.
    Belangrijke feiten over de nulmeridiaan:
        locatie: De officiële nulmeridiaan loopt door Greenwich, een wijk in Londen,
        Engeland. Daarom wordt hij ook wel de Greenwichmeridiaan genoemd.
        gebruik: Hij wordt gebruikt als referentiepunt voor het wereldwijde
        coördinatensysteem (GPS) en voor het bepalen van tijdzones

    Te hanteren begrippen

    de nulmeridiaan, de meridiaan, het westelijk halfrond, het oostelijk halfrond
  57. AA.057 Gebruiken L4 L4 4.1.3

    Lokaliseren de evenaar, het noordelijk halfrond, het zuidelijk halfrond, de nulmeridiaan, het oostelijk halfrond en het westelijk halfrond.

    Aardrijkskunde Topografie › Relatieve en absolute ligging › Absolute ligging

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Lokaliseren:
    • op een wereldkaart
    • op een globe
  58. AA.058 Begrijpen L5 L6 4.1.2

    Herkennen de Noordpoolcirkel en de Zuidpoolcirkel.

    Aardrijkskunde Topografie › Relatieve en absolute ligging › Absolute ligging

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de Noordpoolcirkel, de Zuidpoolcirkel
  59. AA.059 Gebruiken L5 L6 4.1.2

    Lokaliseren de Noordpoolcirkel en de Zuidpoolcirkel.

    Aardrijkskunde Topografie › Relatieve en absolute ligging › Absolute ligging

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Lokaliseren:
    • op een wereldkaart
    • op een globe
  60. AA.060 Begrijpen L6 L6 4.1.2

    Herkennen de Kreeftskeerkring en de Steenbokskeerkring.

    Aardrijkskunde Topografie › Relatieve en absolute ligging › Absolute ligging

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de Kreeftskeerkring, de Steenbokskeerkring, de breedtecirkel
  61. AA.061 Gebruiken L6 L6 4.1.2

    Lokaliseren de Kreeftskeerkring en de Steenbokskeerkring.

    Aardrijkskunde Topografie › Relatieve en absolute ligging › Absolute ligging

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Lokaliseren:
    • op een wereldkaart
    • op een globe
  62. AA.062 Begrijpen L6 L6 4.1.2

    Herkennen breedtecirkels.

    Aardrijkskunde Topografie › Relatieve en absolute ligging › Absolute ligging

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Breedtecirkels:
    De denkbeeldige lijnen die parallel lopen aan de evenaar. Ze geven de geografische
    breedte aan, gemeten in graden ten noorden of zuiden van de evenaar.
    De evenaar, Kreeftskeerkring, Steenbokskeerkring en poolcirkels zijn breedtecirkels.

    Te hanteren begrippen

    de breedtecirkel
  63. AA.063 Engageren K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 KO 4.1.3; KO 4.1.4; L4 4.1.2; L4 4.1.3; L6 4.1.2

    Tonen hun kennis over absolute en relatieve ligging in verschillende contexten.

    Aardrijkskunde Topografie › Relatieve en absolute ligging › Absolute ligging

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Johan zegt: “Onze school ligt ten zuiden van het station en vlakbij de rivier."
    • Saartje zegt: “Kinshasa ligt dicht bij de evenaar. Het is daar dus dikwijls heel warm.
  64. AA.064 Begrijpen K2 K3 KO 4.2.1

    Herkennen lucht als essentieel voor het leven op aarde.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › Kenmerken van de atmosfeer

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de lucht
  65. AA.065 Begrijpen L1 L2 L4 4.2.1

    Herkennen de atmosfeer als essentieel voor het leven op aarde.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › Kenmerken van de atmosfeer

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    De atmosfeer:
    is een laag van lucht die de aarde omringt
  66. AA.066 Begrijpen L3 L4 L4 4.2.1; L6 4.2.2

    Verwoorden de functies van de atmosfeer.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › Kenmerken van de atmosfeer

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    De functies:
    Zorgt voor zuurstof die de meeste organismen nodig hebben.
    Beschermt ons tegen gevaarlijke straling van de zon.
    Houdt de aarde voldoende warm zodat planten, dieren en mensen kunnen leven.
    Het weer ontstaat in de atmosfeer

    Te hanteren begrippen

    de atmosfeer
  67. AA.067 Begrijpen L5 L6 L6 4.2.1; L6 4.2.2

    Beschrijven de rol en samenstelling van de atmosfeer.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › Kenmerken van de atmosfeer

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    De samenstelling van de atmosfeer:
    De atmosfeer bestaat uit:
    koolstofdioxide: Dit gas helpt planten groeien, omdat ze koolstofdioxide opnemen
    en zuurstof teruggeven. Het speelt ook een rol in de opwarming van de aarde.
    zuurstofgas: Dit is het gas dat we nodig hebben om te ademen. Zonder zuurstof
    kunnen mensen, dieren en planten niet leven.
    stikstofgas: Dit is het meest voorkomende gas. Planten gebruiken stikstof om te
    groeien (de meeste planten nemen het op uit de bodem via hun wortels), maar
    wij mensen ademen het gewoon in en weer uit.
    andere gassen: Naast stikstofgas, zuurstofgas en koolstofdioxide bevat de
    atmosfeer nog kleine hoeveelheden andere gassen.
    
    De rol van de atmosfeer (voor het leven op aarde):
    • Maakt door de samenstelling van de gassen leven op aarde mogelijk.
    • Beschermt tegen gevaarlijke straling van de zon, vooral dankzij de ‘ozonlaag’.
    • ‘Broeikaseffect’: het vasthouden van warmte in de atmosfeer zodat de aarde
        warm genoeg blijft om op te leven. Door extra CO₂ in de atmosfeer wordt het
        broeikaseffect sterker.
    • De atmosfeer bepaalt ons weer en ons klimaat omdat daarin lucht, wolken,
        wind en regen ontstaan en warmte wordt vastgehouden of afgevoerd.

    Te hanteren begrippen

    het zuurstofgas, de koolstofdioxide
  68. AA.068 Gebruiken L5 L6 L6 4.2.1

    Geven mogelijke maatregelen voor het in stand houden van de verhouding van het gasmengsel in de atmosfeer.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › Kenmerken van de atmosfeer

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Duurzame maatregelen:
    • bomen planten: Bossen absorberen koolstofdioxide en produceren zuurstof.
    • beperk luchtvervuiling: Strengere regels voor industrieën verminderen de
        uitstoot van schadelijke stoffen.
  69. AA.069 Engageren L5 L6 L6 4.2.1

    Tonen hun kennis over de atmosfeer in verschillende contexten.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › Kenmerken van de atmosfeer

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Elisabeth loopt door het park en zegt dat bomen helpen om de lucht schoon
        te houden. Ze weet dat planten koolstofdioxide uit de lucht nemen en er
        zuurstof voor in de plaats geven, zodat het evenwicht tussen gassen wordt
        behouden.
    • Basie kijkt naar een natuurdocumentaire en hoort dat dieren en mensen
        moeten ademen. Hij vertelt dat we zuurstof uit de lucht halen om te leven.
  70. AA.070 Begrijpen K3 KO 4.1.2; KO 4.2.1

    Benoemen water en land op de globe.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › Land, water en lucht

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    het water, het land
  71. AA.071 Gebruiken K3 KO 4.1.2

    Lokaliseren water en land op de globe.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › Land, water en lucht

  72. AA.072 Begrijpen L1 L2 L4 4.2.1

    Illustreren de ‘blauwe planeet’.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › Land, water en lucht

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Blauwe planeet:
    Het aardoppervlak bestaat uit land en water in ongelijke verdeling (meer water
    dan land) en wordt omgeven door lucht.

    Te hanteren begrippen

    de planeet, de blauwe planeet
  73. AA.073 Begrijpen L3 L4 4.2.1

    Beschrijven de consequentie van de verhouding zout en zoet water op aarde.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › Land, water en lucht

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Verhouding:
    meer zout (97,5%) dan zoet (2,5%) water
    
    Zoet water:
    Enkel gezuiverd zoet water is voor mensen drinkbaar.
    
    Consequentie:
    Aangezien mensen en dieren vooral zoet water nodig hebben om te drinken en er
    veel minder zoet water is dan zout water, is het zoet water kostbaar en moet dus
    zuinig gebruikt worden.

    Te hanteren begrippen

    het zoet water, het zout water
  74. AA.074 Gebruiken L3 L4 L4 4.2.1

    Lokaliseren gebieden met zoet water.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › Land, water en lucht

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gebieden:
    • rivieren
    • meren
    • ondergrondse voorraden
    • de zoetwatergebieden van de Amazone
    • de polen (70% van zoet water is opgeslagen in de ijslagen van de polen)
  75. AA.075 Begrijpen L5 L6 GO!-doel

    Illustreren de aanwezigheid van ondergrondse voorraden van zoet water.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › Land, water en lucht

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Ondergrondse voorraden:
    • het Maasbekken en het Henegouws bekken
    • Onder de Noordzee en voor de kust van Noorwegen liggen
        zoetwatervoorraden die honderden jaren mee kunnen gaan.
  76. AA.076 Engageren L3 L4 L5 L6 GO!-doel

    Reflecteren over eigen watergebruik en de gevolgen hiervan.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › Land, water en lucht

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigen watergebruik:
    zoet water
    regenwater
    
    Gevolgen:
    waterschaarste
  77. AA.077 Begrijpen K1 K2 K3 KO 4.2.1

    Herkennen dat water van hoog naar laag stroomt.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › De waterkringloop

  78. AA.078 Begrijpen L1 L2 L4 4.2.4

    Herkennen watervlaktes en waterlopen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › De waterkringloop

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de beek, de rivier, het meer, de zee
  79. AA.079 Begrijpen L3 L4 4.2.4

    Verwoorden het onderscheid tussen rivier en kanaal.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › De waterkringloop

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    het kanaal
  80. AA.080 Gebruiken L3 L4 4.2.4

    Geven de loop van een rivier in een eenvoudige voorstelling weer.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › De waterkringloop

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Voorstelling:
    de richting van het stromende water (de stroom: hoog naar laag)
    het begin (de bron) en einde van een waterloop (de monding)

    Te hanteren begrippen

    de bron, de monding, de stroom, stroomopwaarts, stroomafwaarts
  81. AA.081 Begrijpen L4 L4 4.2.2

    Beschrijven de waterkringloop.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › De waterkringloop

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    De waterkringloop:
    De kringloop van het water begint waar water door de “zonnewarmte” verdampt.
    Deze verdamping vormt waterdamp, die opstijgt en afkoelt. Hierdoor ontstaat
    condensatie, waarbij waterdruppels samenkomen en wolken vormen. Wanneer
    de druppels in de wolken te zwaar worden, valt het water als neerslag naar
    beneden. Een deel van deze neerslag stroomt via rivieren terug naar de zee,
    terwijl een ander deel in de bodem zakt en onderdeel wordt van het grondwater.
    Dit grondwater kan weer naar boven komen en als oppervlaktewater verder
    stromen, waarna het proces opnieuw begint. Zo blijft water voortdurend in
    beweging in een natuurlijke kringloop.

    Te hanteren begrippen

    de waterkringloop, verdampen, de verdamping, de condensatie, de neerslag, de
    wolk, de zee, de rivier, de bodem, het grondwater, het oppervlaktewater
  82. AA.082 Gebruiken L4 L4 4.2.2

    Tekenen de waterkringloop.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › De waterkringloop

  83. AA.083 Engageren L4 L5 L6 GO!-doel

    Reflecteren over het belang van wateropname in de bodem.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › De waterkringloop

  84. AA.084 Begrijpen K2 K3 KO 4.2.1

    Herkennen kenmerken van de aarde.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › Kenmerken van de aardkorst, vulkanen, aardbevingen en platentektoniek

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Kenmerken:
    de rots: grote, harde stukken steen. Ze liggen op de grond of in bergen. Sommige
    rotsen zijn glad, andere zijn ruw.
    de grot: Een grote opening in een berg of onder de grond.
    het zand: Kleine, zachte korreltjes die je vindt op het strand of in de zandbak.

    Te hanteren begrippen

    de aarde, de rots, de grot, het zand
  85. AA.085 Gebruiken K2 K3 KO 4.2.1

    Classificeren volgens kenmerken van de aarde.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › Kenmerken van de aardkorst, vulkanen, aardbevingen en platentektoniek

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Kenmerken:
    steen
    zand
    aarde
  86. AA.086 Begrijpen L1 L2 L4 4.2.1

    Herkennen de verschillende lagen van de aarde.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › Kenmerken van de aardkorst, vulkanen, aardbevingen en platentektoniek

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    De aarde:
    is bolvormig. De buitenkant van de aarde noemen we de aardkorst. Daaronder zit
    een laag heet gesteente met sommige vloeibare delen.

    Te hanteren begrippen

    de aarde, bolvormig, vloeibaar, de aardkorst
  87. AA.087 Begrijpen L3 L4 L4 4.2.1

    Benoemen de verschillende lagen van de aarde met hun relatieve temperatuur.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › Kenmerken van de aardkorst, vulkanen, aardbevingen en platentektoniek

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    De lagen van de aarde met hun temperaturen:
    aardkorst: de rotsachtige buitenlaag (0°C tot 1000°C)
        De buitenste laag waar wij op leven.
        Onder de oceanen is hij dunner, onder continenten dikker.
    mantel: de halfvaste middenlaag (1000°C tot 3700°C)
        Dikste laag van de aarde, gemaakt van langzaam bewegend heet gesteente en
        ook gesmolten gesteente of magma.
        Zorgt voor vulkanen en aardbevingen.
    buitenkern (3700°C tot 4500°C)
        Vloeibaar en gemaakt van gesmolten ijzer en nikkel.
        Beweging in deze laag zorgt voor het magnetisch veld van de aarde.
    binnenkern (4500°C tot 6000°C)
        Gemaakt van vast ijzer en nikkel, ondanks de enorme hitte.
        Blijft vast door de gigantische druk van de bovenliggende lagen.

    Te hanteren begrippen

    de aardkorst, de mantel, de buitenkern, de binnenkern, de verschillende lagen van
    de aarde, de relatieve temperatuur
  88. AA.088 Gebruiken L3 L4 L4 4.2.1

    Tekenen de lagen van de aarde.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › Kenmerken van de aardkorst, vulkanen, aardbevingen en platentektoniek

  89. AA.089 Begrijpen L3 L4 4.2.3

    Beschrijven vulkanen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › Kenmerken van de aardkorst, vulkanen, aardbevingen en platentektoniek

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Beschrijven:
    invloed op het landschap: ontstaan van nieuwe bergen en eilanden,
    warmwaterbronnen en geisers
    menselijke activiteiten: ontstaan van landbouw (door mineralen in de lava en as:
    voedingsstoffen voor planten), toerisme (vulkanische eilanden, spectaculaire
    fenomenen) en ontginning van delfstoffen

    Te hanteren begrippen

    de warmwaterbron, de geiser, de aswolk
  90. AA.090 Begrijpen L4 L4 4.2.3

    Beschrijven vulkanen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › Kenmerken van de aardkorst, vulkanen, aardbevingen en platentektoniek

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vulkanen:
    kenmerken: magma, lava, vulkaanpijp, krater
    
    Beschrijven:
    • oorzaken: Onder de aardkorst, in ‘de mantel’ zit o.a. heel heet gesmolten
        gesteente (magma). Dat magma wil omhoog omdat er veel druk op staat. Als
        er een opening in de aarde is, komt het naar buiten via de vulkaanpijp van de
        vulkaan. Dan noemen we dat een uitbarsting. Dan stroomt er lava van de
        krater naar beneden.

    Te hanteren begrippen

    de vulkaan, het magma, de lava, de vulkaanpijp, de krater, de vulkaanuitbarsting
  91. AA.091 Begrijpen L5 L6 4.2.5

    Illustreren patronen van vulkanen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › Kenmerken van de aardkorst, vulkanen, aardbevingen en platentektoniek

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Patronen:
    Vulkanen vormen vaak ketens of bogen langs de randen van tektonische platen,
    waar ze ontstaan door bewegingen in de aardkorst.
    Twee van die patronen van vulkanen zijn: de vulkanen in de Middellandse zee
    (waaronder de Etna) en de vulkanen rond de rand van de Grote Oceaan: ‘de Ring
    van Vuur’

    Te hanteren begrippen

    de Ring van Vuur, de Etna
  92. AA.092 Gebruiken L4 L5 L6 4.2.5

    Lokaliseren vulkanen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › Kenmerken van de aardkorst, vulkanen, aardbevingen en platentektoniek

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Lokaliseren:
    • in het Middellandse Zeegebied waaronder de Etna
    • de Ring van Vuur
  93. AA.093 Begrijpen L5 L6 4.2.4

    Beschrijven aardbevingen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › Kenmerken van de aardkorst, vulkanen, aardbevingen en platentektoniek

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Aardbevingen:
    epicentrum: Het punt aan het aardoppervlak recht boven de plaats waar de
    aardbeving begint.
    seismische golven: Trillingen die zich door de aardkorst verplaatsen en de
    schokken veroorzaken.
    De magnitude of de kracht van de aardbeving wordt afgeleid uit een seismogram.
    naschokken: Kleinere schokken die volgen na de hoofdbeving en nog schade
    kunnen veroorzaken.

    Te hanteren begrippen

    de aardbeving, het epicentrum, de seismische golven, de beving, de magnitude,
    het seismogram, de kracht van de beving
  94. AA.094 Begrijpen L6 L6 4.2.4

    Beschrijven de platentektoniek.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › Kenmerken van de aardkorst, vulkanen, aardbevingen en platentektoniek

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Platentektoniek:
    De aardkorst is verdeeld in grote stukken, tektonische platen. Bij de randen van
    deze platen, de plaatgrenzen, gebeurt heel wat:
        Platen bewegen zeer langzaam uit elkaar.
        Platen botsen en de ene schuift zeer langzaam onder de andere, wat bergen
        of vulkanen kan vormen.
        Platen schuiven langs elkaar, wat aardbevingen veroorzaakt.

    Te hanteren begrippen

    de plaatgrens, verschuiven

    Voorbeelden

    Uit elkaar bewegen:
    bij de Midden-Atlantische Rug: door het langzaam uit elkaar bewegen van 2
    platen midden in de Atlantische oceaan stroomt magma uit de aardkorst en
    ontstaat nieuwe oceaanbodem en een lange onderzeese bergketen
    Botsen:
    de Himalaya, de Ring van Vuur.
    Langs elkaar:
    de San Andreasbreuk in Californië.
  95. AA.095 Begrijpen L5 L6 4.2.4

    Beschrijven de mogelijke effecten van aardbevingen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › Kenmerken van de aardkorst, vulkanen, aardbevingen en platentektoniek

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Mogelijke effecten:
    naschok, verwoesting, aardverschuiving, tsunami
    (Een tsunami is een reusachtige golf die ontstaat door een aardbeving,
    vulkaanuitbarsting of onderwaterlandschuiving.)

    Te hanteren begrippen

    de naschok, de verwoesting, de tsunami, de aardverschuiving
  96. AA.096 Begrijpen L5 L6 4.2.4

    Illustreren de kracht/de magnitude van aardbevingen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › Kenmerken van de aardkorst, vulkanen, aardbevingen en platentektoniek

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Kracht/de magnitude van aardbevingen:
    lichte aardbeving: Je voelt het meestal niet. Alles blijft veilig.
    zwakke tot matige aardbeving: Dingen kunnen licht schudden, maar er is weinig
    schade.
    sterke aardbeving: Gebouwen kunnen beschadigd worden en mensen voelen het
    duidelijk.
    zeer krachtige aardbeving: Veel schade, bruggen en huizen kunnen instorten.
    extreme aardbeving: Heel zeldzaam, maar kan hele gebieden verwoesten.

    Te hanteren begrippen

    de verwoesting
  97. AA.097 Gebruiken L6 L6 4.2.5

    Analyseren de ruimtelijke spreiding van aardbevingen, vulkanen en bergketens.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › Kenmerken van de aardkorst, vulkanen, aardbevingen en platentektoniek

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Situeren aardbevingen:
    plaats
    gevolgen voor natuur en mens
    
    Analyseren:
    relatie met de ligging van plaatgrenzen.

    Voorbeelden

    Housan vergelijkt op een wereldkaart de ligging van de Ring van Vuur met de
    Himalaya. Hij merkt op dat in de Ring van Vuur veel aardbevingen én vulkanen
    voorkomen, terwijl de Himalaya vooral uit een lange bergketen bestaat. Hij vraagt
    zich af wat de oorzaak hiervan is.
  98. AA.098 Begrijpen L6 L6 4.2.4

    Illustreren de anticipatie op aardbevingen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › Kenmerken van de aardkorst, vulkanen, aardbevingen en platentektoniek

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Anticipatie:
    technieken bij constructie van gebouwen om schokken op te vangen
    opvolgen (monitoren) en preventief evacueren

    Te hanteren begrippen

    de schade, voorkomen, de evacuatie, de opvolging
  99. AA.099 Gebruiken L6 L6 4.2.4

    Geven voorbeelden van anticipatie op aardbevingen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › Kenmerken van de aardkorst, vulkanen, aardbevingen en platentektoniek

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Technieken bij constructie:
    De “gestemde massademper” in het hoogste kantoorgebouw van Taipei (Taiwan).
    Monitoren en preventief evacueren:
    Na de zeer zware aardbeving bij het Russische Kamtsjatka-schiereiland in juli 2025
    werden in verschillende landen rond de Stille Oceaan miljoenen mensen
    gewaarschuwd en geëvacueerd uit kustgebieden uit voorzorg voor een mogelijke
    tsunami.
  100. AA.100 Engageren L3 L4 L5 L6 L4 4.2.1; L6 4.2.4

    Tonen hun kennis van de aardkorst in verschillende contexten.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer › De blauwe planeet › Kenmerken van de aardkorst, vulkanen, aardbevingen en platentektoniek

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Naar aanleiding van de berichtgeving over een aardbeving zoekt Kas op de
        wereldkaart waar de aardbeving plaats vond en of er een link is met de Ring
        van Vuur.
    • Ouissem leest een stripverhaal over een vulkaanuitbarsting. Hij zoekt op hoe
        magma naar boven komt en herkent dat dit gebeurt in breuken of zwakke
        zones van de aardkorst.
  101. AA.101 Begrijpen K1 KO 4.2.2

    Herkennen natuurlijke landschapselementen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Natuurlijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Natuurlijke landschapselementen:
    • reliëf: de berg
    • helling
    • water: de zee, het strand
    • vegetatie: de boom, het gras
    • bodem: zand
  102. AA.102 Begrijpen K2 KO 4.2.2

    Herkennen natuurlijke landschapselementen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Natuurlijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Natuurlijke landschapselementen:
    • reliëf: de berg, de heuvel
    • helling: omhoog, omlaag
    • water: de zee, het strand, de plas, de vijver
    • vegetatie: de boom, het gras, de weide, het gazon, het bos
    • bodem: zand

    Te hanteren begrippen

    de berg, de zee, het strand, de boom, het gras, het zand, de heuvel, omhoog,
    omlaag, de plas, de vijver, de weide, het gazon, het bos
  103. AA.103 Begrijpen K3 KO 4.2.2

    Herkennen natuurlijke landschapselementen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Natuurlijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Natuurlijke landschapselementen:
    • reliëf: de berg, de heuvel, de vallei
    • helling: omhoog, omlaag, steil, zacht
    • water: de zee, het strand, de plas, de vijver, de oceaan, de rivier, de beek
    • vegetatie: de boom, het bos, het gras, het grasland, de weide, het riet, het
        gazon
    • bodem: vruchtbaar, rotsachtig, zanderig

    Te hanteren begrippen

    de vallei, steil, zacht, de oceaan, de rivier, de beek, het riet, het grasland,
    vruchtbaar, rotsachtig, zanderig
  104. AA.104 Begrijpen L1 L4 4.2.4

    Herkennen natuurlijke landschapselementen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Natuurlijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Natuurlijke landschapselementen:
    • reliëf: de berg, de heuvel, de vallei
    • water: de zee, het strand, de plas, de vijver, de oceaan, de rivier, de beek
    • vegetatie: de boom, het bos, het gras, het grasland, de weide, het riet, het
        gazon, het loofbos, het naaldbos
    • bodem: vruchtbaar, rotsachtig, zanderig

    Te hanteren begrippen

    het loofbos, het naaldbos
  105. AA.105 Begrijpen L2 L4 4.2.4

    Herkennen natuurlijke landschapselementen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Natuurlijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Natuurlijke landschapselementen:
    • reliëf: de berg, de heuvel, de vallei, de bergketen
    • water: de waterval
    • vegetatie: loofbos, naaldbos
    • bodem: het zand, de klei, de leem, steenachtig

    Te hanteren begrippen

    de waterval, de klei, de leem, steenachtig, de bergketen
  106. AA.106 Begrijpen L3 L4 4.2.4

    Herkennen natuurlijke landschapselementen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Natuurlijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Natuurlijke landschapselementen:
    • reliëf: het zeeniveau, de horizonlijn, de hoogte, het hoogteverschil
    • water: de zee, het strand, de plas, de vijver, de oceaan, de rivier, de beek, de
        waterval
    • vegetatie: loofbos, naaldbos
    • bodem: vruchtbaar, rotsachtig, zanderig, het zand, de klei, de leem,
        steenachtig

    Te hanteren begrippen

    het zeeniveau, de horizonlijn, het hoogteverschil, het reliëf, de helling, de
    vegetatie, de bodem
  107. AA.107 Begrijpen L3 L4 4.2.4

    Beschrijven de loop van de rivier.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Natuurlijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Loop van de rivier:
    typische kenmerken van beneden-, midden- en bovenloop van rivieren:
        de bovenloop: Dit is het eerste stuk van de rivier en wordt ‘bovenloop’
        genoemd omdat veel rivieren in de bergen ontspringen. Sommige ontstaan
        ook in meren, moerassen of uit bronnen in de grond.
        kenmerken:
                  stroomt meestal snel en krachtig
                  kan diepe kloven en valleien vormen in de bergen
        de middenloop: Het water stroomt hier minder snel en begint bochten
        (meanders) te maken.
        kenmerken:
                  rivier wordt breder en langzamer
                  vlakker landschap
                  langs de rivier liggen vaak dorpen, steden en
                  landbouwgebieden
        de benedenloop: Dit is het laatste deel, waar de rivier heel breed wordt.
        kenmerken:
                  langzame stroom, soms met moerassen of plassen
                  kan grote delta's vormen voordat het de zee bereikt
                  soms zie je een getijdenrivier, waarbij eb en vloed invloed
                  hebben op de stroming

    Te hanteren begrippen

    de bron, de bovenloop, de middenloop, de benedenloop, de monding, de delta
  108. AA.108 Begrijpen L4 L4 4.2.4

    Beschrijven het proces van riviervorming.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Natuurlijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Riviervorming:
    Een rivier begint bij een bron. Dit kan zijn:
        smeltend ijs van een gletsjer hoog in de bergen
        regenwater dat zich verzamelt in kleine stroompjes
        ondergrondse bronnen waar water uit de aarde omhoogkomt
    Er ontstaan ook nieuwe rivieren door het smelten van de ijskap, bv. in Groenland
    (als gevolg van de klimaatverandering)
    Kleine stroompjes komen samen en worden steeds breder en krachtiger. Dit
    water snijdt een pad door de bergen en valleien. Op hun pad meanderen
    (kronkelen) ze doorheen het landschap waarbij ze de ene oever eroderen
    (uitslijten) en op de andere oever wordt materie (slib, gesteenten) afgezet.
    Uiteindelijk mondt een rivier uit in een estuarium. Een estuarium is een
    overgangsgebied tussen een rivier en de zee, waar zoet rivierwater en zout
    zeewater zich mengen. Dit zorgt voor unieke natuurgebieden met bijzondere
    planten en dieren.

    Te hanteren begrippen

    het eroderen, het afzetten, de waterval, de meander, het estuarium, de
    smeltende ijskap, de smeltende gletsjer
  109. AA.109 Begrijpen L5 L6 4.2.6

    Herkennen natuurlijke landschapselementen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Natuurlijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Natuurlijke landschapselementen:
    reliëf: de hellingsgraad (vertelt ons hoe steil een helling of een berg is. Het wordt
    gemeten in procent of graden)

    Te hanteren begrippen

    de hellingsgraad, het reliëf

    Voorbeelden

    • Steven maakt een fietstocht en beklimt een helling met hellingsgraad 10%.
        Hij voelt dit stevig in zijn kuiten.
    • Boerin Mieke voorkomt erosie en vangt het regenwater van steile hellingen
        op door haar gewassen in terrassen aan te leggen.
  110. AA.110 Begrijpen L6 L6 4.2.6

    Beschrijven kustprocessen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Natuurlijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Kustprocessen:
    Het kustproces is hoe de kustlijn verandert en verschillende landvormen en
    kusthabitats ontstaan door water (golfslag, eb en vloed, stromingen), wind en
    andere natuurlijke krachten. We onderscheiden volgende landvormen: landtong,
    klif, zandbank en (zand)duin en volgende kusthabitats: de duinen, het strand
    (kiezel- of zandstrand) en het koraalrif.

    Te hanteren begrippen

    het kustproces, de kustlijn, de golfslag, de zandduin, de kiezel, de landvorm, de
    landtong, de klif, de zandbank, de kusthabitat, het koraalrif

    Voorbeelden

    • Odin vertelt: “Een landtong is ontstaan uit het kustproces waar golven en
        stromingen zand en stenen verplaatsten en er een smalle uitloper van land is
        ontstaan.”
    • Friedl loopt na een hevige storm op het strand en ziet een hoge klif die
        ontstaan is door de erosie van het strand.
  111. AA.111 Gebruiken L6 L6 4.2.6

    Geven voorbeelden van landvormen en kusthabitats ontstaan door kustprocessen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Natuurlijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Landvormen:
    • landtong
    • klif
    • zandbank
    • duin
    Kusthabitats:
    • de duinen
    • het (kiezel- of zand-)strand
    • het koraalrif

    Voorbeelden

    Landvormen:
    Fjorden, zeegrotten, rotspilaren
    Kusthabitats:
    Estuariua, slikken, schorren, wadden, delta’s, mangrovebossen
  112. AA.112 Gebruiken L6 L6 4.2.6

    Geven voorbeelden van het overleven van dieren in kusthabitats.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Natuurlijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Overleven van dieren:
    • Zeevogels zoals meeuwen, alken en sternen nestelen op stranden en kliffen.
    • Krabben en schelpdieren zoals kokkels, mosselen en zeepokken leven op
        rotsen en in zand.
    • Zeehonden en walvissen jagen en rusten in koudere kustwateren.
  113. AA.113 Begrijpen L5 L6 4.2.6

    Herkennen natuurlijke landschapselementen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Natuurlijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Natuurlijke landschapselementen:
    vegetatie
    bodem
    klimaat
    ligging
    
    Herkennen:
    • de steppe
    • de savanne

    Te hanteren begrippen

    de savanne, de steppe
  114. AA.114 Begrijpen L6 L6 4.2.6

    Herkennen natuurlijke landschapselementen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Natuurlijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Natuurlijke landschapselementen:
    vegetatie
    bodem
    klimaat
    ligging
    
    Herkennen:
    • de woestijn
    • het regenwoud

    Te hanteren begrippen

    de woestijn, het regenwoud
  115. AA.115 Begrijpen L6 L6 4.2.6

    Beschrijven het proces van woestijnvorming.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Natuurlijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Proces van woestijnvorming:
    gebeurt wanneer een gebied langzaam verandert in een droge, onvruchtbare
    woestijn. Dit kan gebeuren door natuurlijke en menselijke invloeden.
    
    Woestijnvorming:
    natuurlijke oorzaken:
        weinig neerslag: Sommige gebieden krijgen nauwelijks regen, waardoor de
        bodem uitdroogt.
        extreme temperaturen: Sterke zon zorgt voor verdamping van water en
        droogte.
        wind en erosie: Wind blaast zand en stof weg, waardoor vruchtbare grond
        verdwijnt.
        gebergten die regen tegenhouden: Sommige woestijnen ontstaan doordat
        bergen vochtige lucht blokkeren.

    Te hanteren begrippen

    de woestijnvorming
  116. AA.116 Gebruiken K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 KO 4.2.2; L4 4.2.4; L6 4.2.6

    Determineren een landschap op basis van natuurlijke landschapselementen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Natuurlijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Natuurlijke landschapselementen:
    • reliëf(vorm)
    • helling
    • vegetatie
    • bodem
    • water
  117. AA.117 Gebruiken L3 L4 L4 4.3.1

    Ontwerpen een schets van een landschap.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Natuurlijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Schets:
    een schematische voorstelling van natuurlijke aspecten
  118. AA.118 Gebruiken L5 L6 L6 4.2.6

    Geven weer hoe een landschap verandert door natuurlijke interactie.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Natuurlijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Veranderingen door natuurlijke interactie:
    • Rivieren slijten het landschap uit
    • De zee verandert de kust
    • Gletsjers schuren U-vormige dalen uit
    • Wind vormt duinen aan de kust
    • Planten op een helling houden erosie tegen
  119. AA.119 Engageren L6 GO!-doel

    Beargumenteren het belang van het behoud en herstel van natuurlijke landschappen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Natuurlijke landschappen

  120. AA.120 Begrijpen K1 KO 4.2.3

    Herkennen menselijke landschapselementen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Menselijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Menselijke landschapselementen:
    • wonen: het huis, de tuin
    • transportinfrastructuur: de straat
    • landbouw: de boerderij
    • handel en diensten: de bakker
    • recreatie en toerisme: de zee
  121. AA.121 Begrijpen K2 KO 4.2.3

    Herkennen menselijke landschapselementen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Menselijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Menselijke landschapselementen:
    • wonen: het huis, de tuin, het appartement
    • transportinfrastructuur: de straat, de weg, de bus, het spoor, de trein
    • landbouw: de boerderij, de stal, de koe, het schaap, het varken
    • handel en diensten: de bakkerij, de bakker, de markt, de winkel
    • recreatie en toerisme: het zwembad, de zee

    Te hanteren begrippen

    het huis, de tuin, de straat, het appartement, de weg, de bus, het spoor, de trein,
    de boerderij, de stal, de koe, het schaap, het varken, de bakkerij, de bakker, de
    markt, de winkel, het zwembad, de zee
  122. AA.122 Begrijpen K3 KO 4.2.3

    Herkennen menselijke landschapselementen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Menselijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Menselijke landschapselementen:
    • wonen: het huis, de tuin, het appartement
    • transportinfrastructuur: de straat, de weg, de bus, het spoor, de trein
    • landbouw: de boerderij, de stal, de koe, het schaap, het varken, de akker, het
        gewas
    • industrie: de fabriek, de werkplaats
    • handel en diensten: de bakkerij, de bakker, de markt, de winkel
    • recreatie en toerisme: het zwembad, de zee, het park, de bibliotheek

    Te hanteren begrippen

    de akker, het gewas, de fabriek, de werkplaats, het park, de bibliotheek
  123. AA.123 Begrijpen L1 L4 4.2.5

    Herkennen menselijke landschapselementen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Menselijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Menselijke landschapselementen:
    • wonen: het rijhuis, het vrijstaand huis, de stad
    • transportinfrastructuur: de snelweg
    • landbouw: de veeteelt
    • industrie
    • handel en diensten
    • recreatie en toerisme

    Te hanteren begrippen

    het rijhuis, het vrijstaand huis, de snelweg, de veeteelt
  124. AA.124 Begrijpen L2 L4 4.2.5

    Herkennen menselijke landschapselementen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Menselijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Menselijke landschapselementen:
    • wonen: het appartementsgebouw
    • transportinfrastructuur: de haven
    • landbouw: de akkerbouw, de tuinbouw, de glastuinbouw
    • industrie
    • handel en diensten
    • recreatie en toerisme: het sportterrein

    Te hanteren begrippen

    het appartementsgebouw, de akkerbouw, de tuinbouw, de glastuinbouw, het
    sportterrein, de haven
  125. AA.125 Begrijpen L3 L4 4.2.5

    Herkennen menselijke landschapselementen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Menselijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Menselijke landschapselementen:
    • wonen
    • transportinfrastructuur: het kanaal
    • landbouw: de gemengde landbouw
    • industrie: kranen
    • handel en diensten: het winkelcentrum
    • recreatie en toerisme

    Te hanteren begrippen

    het kanaal, de gemengde landbouw, het winkelcentrum, de landbouw, de
    industrie, de handel, de dienst, de recreatie, het toerisme, de kraan
  126. AA.126 Begrijpen L4 L4 4.2.5

    Herkennen menselijke landschapselementen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Menselijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Menselijke landschapselementen:
    • wonen: stedelijk, landelijk
    • transportinfrastructuur: de luchthaven
    • landbouw
    • industrie: hoogspanningslijnen
    • handel en diensten: het kantoor, de bank
    • recreatie en toerisme: de entertainmentfaciliteit

    Te hanteren begrippen

    de luchthaven, het kantoor, de bank, de entertainmentfaciliteit, stedelijk,
    landelijk
  127. AA.127 Begrijpen L5 L6 4.2.7

    Herkennen menselijke landschapselementen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Menselijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Menselijke landschapselementen:
    • wonen: de open ruimte, de verstedelijking, de ruimtelijke ordening
    • transportinfrastructuur
    • landbouw: de duurzame landbouw, de intensieve landbouw
    • industrie: olie- en gasinstallaties
    • handel en diensten: de opslagfaciliteiten voor grondstoffen, materialen en
        goederen
    • recreatie en toerisme

    Te hanteren begrippen

    de open ruimte, de verstedelijking, de duurzame landbouw, de intensieve
    landbouw, de opslagfaciliteit, de ruimtelijke ordening, de grondstoffen, de
    materialen, de goederen
  128. AA.128 Gebruiken L3 L4 L4 4.3.1

    Ontwerpen een schets van een landschap.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Menselijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Schets:
    een schematische weergave van menselijke aspecten
  129. AA.129 Gebruiken K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 KO 4.2.3; L4 4.2.5; L6 4.2.7

    Determineren een landschap op basis van menselijke landschapselementen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Menselijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Menselijke landschapselementen:
    • wonen
    • transportinfrastructuur
    • landbouw
    • industrie
    • handel en diensten
    • recreatie en toerisme
  130. AA.130 Begrijpen L3 L4 4.2.5

    Beschrijven landbouwprocessen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Menselijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Landbouwprocessen:
    de irrigatie: water als bron, transporteren van water, verdeling van water op de
    gewassen

    Te hanteren begrippen

    de irrigatie
  131. AA.131 Begrijpen L4 L4 4.2.5

    Beschrijven landbouwprocessen

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Menselijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Landbouwprocessen:
    de verwerking en distributie van gewassen:
        oogsten
        schoonmaken
        verwerking: snijden en verpakken, drogen, koelen of invriezen
        opslag: De gewassen worden bewaard in grote magazijnen of koelruimtes
        voordat ze worden vervoerd.
        Vervoer: Vrachtwagens, treinen, schepen of zelfs vliegtuigen brengen het
        voedsel naar fabrieken, winkels en markten.
        verkoop en distributie: Winkels, supermarkten en marktkramen verkopen
        het voedsel aan mensen, zodat ze het kunnen kopen en thuis kunnen koken.
        op het bord

    Te hanteren begrippen

    oogsten, schoonmaken, verwerken, de verwerking, de opslag, het vervoer, de
    distributie, de verkoop
  132. AA.132 Begrijpen L5 L6 4.2.7

    Beschrijven landbouwprocessen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Menselijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Landbouwprocessen:
    de verwerking en distributie van voedsel:
        oogsten of slachten:
          voor plantaardige voeding: Gewassen worden geoogst wanneer ze rijp
          zijn.
          voor dierlijke voeding: Dieren worden geslacht in gecontroleerde
          omstandigheden volgens hygiëne- en welzijnsnormen.
        schoonmaken:
          Groenten en fruit worden gewassen en gesorteerd.
          Vlees wordt na het slachten gereinigd, waarbij organen, botten of huid
          worden verwijderd afhankelijk van het eindproduct.
        verwerking:
          groenten en fruit: Snijden, verpakken, drogen, koelen of invriezen.
          vlees:
                  snijden
                  verpakken: Vers of vacuümverpakt om houdbaarheid te
                  verlengen.
                  drogen of roken
                  koelen of invriezen: Om bacteriegroei te verminderen en
                  versheid te behouden.
        opslag: Voedsel wordt bewaard in gecontroleerde magazijnen, koelruimtes
        of vriezers om bederf te voorkomen en kwaliteit te garanderen.
        vervoer: Transport vindt plaats per vrachtwagen, trein, schip of vliegtuig,
        afhankelijk van de afstand en houdbaarheid van het product.
        verkoop en distributie:
          Supermarkten, slagerijen en markten verkopen de producten
          rechtstreeks aan consumenten.
          Voedselfabrikanten verwerken de producten verder in kant-en-
          klaarmaaltijden, sauzen of andere voedingsmiddelen.
        op het bord

    Te hanteren begrippen

    de plantaardige voeding, de dierlijke voeding, de voedselbewaring, de
    voedselverwerking, de voedseldistributie
  133. AA.133 Gebruiken L5 L6 GO!-doel

    Geven de distributie via de korte keten weer.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Menselijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de korte keten
  134. AA.134 Begrijpen L4 L4 4.2.5

    Beschrijven het belang van water als hulpbron in landschappen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Menselijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Belang van water:
    water als hulpbron:
          waterkrachtcentrale, gebruikt waterkracht om elektriciteit te maken:
                water verzamelen: De centrale staat bij een rivier of een meer.
                Een dam houdt het water tegen en verzamelt het in een groot
                reservoir.
                water laten stromen: Als de centrale energie nodig heeft, wordt
                het water met grote kracht naar beneden geleid door buizen.
                turbines draaien: Het stromende water duwt tegen grote
                schoepen van een turbine. Een turbine lijkt op een soort grote
                windmolen, maar dan aangedreven door water. Door de kracht
                van het stromende water begint de turbine te draaien.
                elektriciteit maken: De draaiende turbine is verbonden met een
                generator. Een generator werkt als een magische machine die
                beweging omtovert in elektriciteit. Wanneer de turbine draait,
                maakt de generator stroom die we kunnen gebruiken.
                stroom sterker maken: Transformatoren zorgen ervoor dat de
                stroom sterk genoeg is om ver te reizen.
                stroom naar huizen en scholen: Via kabels wordt de elektriciteit
                naar huizen, scholen en fabrieken gestuurd.
                water komt terug: Het water stroomt weer terug naar de rivier
                of het meer, zodat we het opnieuw kunnen gebruiken.

    Te hanteren begrippen

    het water, de hulpbron, de dam, het reservoir, de waterkracht
  135. AA.135 Begrijpen L4 L5 L4 4.2.5; L6 4.2.7

    Illustreren de menselijke interactie met landschappen en infrastructuur.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Menselijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Interactie:
    interactie met aandacht voor duurzaamheid: aanleg van golfbreker
    gebruik van natuurlijke hulpbronnen
    positieve en negatieve interactie

    Te hanteren begrippen

    de duurzaamheid, de natuurlijke hulpbron, de golfbreker, de waterhabitat, de
    vervuiling

    Voorbeelden

    Positieve interactie:
    • bosbouw: duurzaam bosbeheer waarbij hout wordt geoogst met behoud van
        biodiversiteit en herbeplanting
    • kustbeheer: aanleg van golfbrekers
    • energie opwekken: gebruik van waterkrachtcentrales en windturbines
    • recreatie: natuurgebieden afbakenen en onderhouden, waar mensen kunnen
        in wandelen en dieren observeren
    Negatieve interactie:
    • Landbouw en industrie: Vervuiling van waterhabitats
    • Wonen: versnipperen van open, natuurlijke ruimte
  136. AA.136 Begrijpen L6 L6 4.2.3

    Illustreren het belang van delfstoffen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Menselijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Illustreren:
    vanuit verschillende perspectieven:
    • economie
    • politiek
    • duurzaamheid

    Te hanteren begrippen

    de delfstof

    Voorbeelden

    Delfstoffen:
    • economie: De winning van delfstoffen creëert veel banen.
    • politiek: Overheden moeten regels maken over hoe delfstoffen gewonnen
        worden.
    • duurzaamheid: We moeten nadenken over hoe we delfstoffen gebruiken en
        overgaan op duurzamere energiebronnen, zoals zon en wind.
  137. AA.137 Gebruiken L6 L6 4.2.7

    Geven weer hoe een landschap verandert door menselijke interactie.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Menselijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Verandering door menselijke activiteit:
    • Mensen veranderen landschappen door bouwen van wegen en huizen.
    • Mensen leggen perken aan en bouwen speeltuinen.
  138. AA.138 Gebruiken L6 L6 4.2.7

    Geven de relatie(s) tussen de functie(s) van een locatie of bepaald gebied en landschapselementen weer.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Menselijke landschappen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Relaties:
    • In Antwerpen is er veel industrie omdat de producten via de Schelde
        eenvoudig getransporteerd kunnen worden naar de zee.
    • Aan de kust komen er veel toeristen omwille van de aanwezigheid van zand
        en zee.
  139. AA.139 Begrijpen K3 L1 L4 4.2.6

    Beschrijven het bevolkingsaantal in hun leefwereld.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Aardrijkskundige indicatoren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Bevolkingsaantal:
    • de klas
    • de school
    • de familie

    Te hanteren begrippen

    het aantal mensen, veel, weinig
  140. AA.140 Begrijpen L2 L4 4.2.6

    Beschrijven bevolkingsaantal en bevolkingsdichtheid in hun leefwereld.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Aardrijkskundige indicatoren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Bevolkingsaantal en bevolkingsdichtheid:
    Bevolkingsaantal is hoeveel knuffels er in totaal in de doos zitten. Bevolkingsdichtheid
    kijkt naar hoeveel knuffels er op een klein stukje van de doos zitten. Als alle knuffels
    heel dicht op elkaar gepropt zijn, is de bevolkingsdichtheid hoog. Als ze veel ruimte
    hebben en verspreid liggen, is de dichtheid laag.
    
    Beschrijven:
    • in de klas
    • in de school
    • in de buurt
    • in hun woonbuurt

    Te hanteren begrippen

    dichtbevolkt, dunbevolkt
  141. AA.141 Begrijpen L3 L4 4.2.6

    Herkennen de diversiteit van de bevolking.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Aardrijkskundige indicatoren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Diversiteit:
    etniciteit: Waar komen mensen vandaan? Mensen hebben verschillende achtergronden
    en familiegeschiedenissen. Sommige mensen hebben voorouders uit Europa, Afrika,
    Azië of andere delen van de wereld.
    religie: Waar geloven mensen in? Mensen hebben verschillende geloven en manieren
    om hun leven te leiden.
    leeftijd: jonge en oude mensen

    Te hanteren begrippen

    de etniciteit, de religie, de leeftijd.
  142. AA.142 Begrijpen L4 L4 4.2.7

    Beschrijven factoren die de bevolkingsaantallen beïnvloeden.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Aardrijkskundige indicatoren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Factoren:
    migratie
    geboortecijfer
    industrialisatie en verstedelijking

    Te hanteren begrippen

    de migratie, het geboortecijfer, de industrialisatie, de verstedelijking, de oorzaak, de
    verklaring, het bevolkingsaantal
  143. AA.143 Gebruiken L4 L4 4.2.7

    Geven verklaringen voor veranderende bevolkingsaantallen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Aardrijkskundige indicatoren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    In de klas van Jef zitten er per 1 september 20 leerlingen. Per 2 februari zijn dit er
    slechts 18, omdat de familie Er verhuisde naar Turkije (migratie).
  144. AA.144 Begrijpen L4 L4 4.2.6; L4 4.2.7

    Beschrijven patronen van bevolkingsspreiding.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Aardrijkskundige indicatoren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Bevolkingsspreiding:
    Bevolkingsdichtheid is het aantal mensen dat op een specifieke oppervlakte woont,
    meestal uitgedrukt in inwoners per vierkante kilometer.
    Bevolkingsspreiding laat zien waar mensen wonen en waarom ze geneigd zijn zich in
    bepaalde gebieden te vestigen.
    
    Patronen:
    • steden versus platteland
    • werkgelegenheid en economie
    • toegankelijkheid en infrastructuur
    • woonbeleid, woningbouw
    • migratie en bevolkingsgroei

    Te hanteren begrippen

    de bevolkingsdichtheid, het patroon, de bevolkingsspreiding, de bevolkingsgroei

    Voorbeelden

    Steden versus platteland:
    In Munte wonen weinig mensen, verspreid over het platteland. In Ledeberg wonen heel
    veel mensen in rijhuizen en appartementen.
    Werkgelegenheid en economie:
    In de buurt van grote bedrijven wonen veel mensen die in het bedrijf werken.
    Toegankelijkheid en infrastructuur:
    Op plekken waar vervoer en voorzieningen zoals winkels en scholen goed zijn, wonen
    veel mensen.
    Woonbeleid en woningbouw:
    In sommige gebieden (bv. nationaal park) mag niet meer gebouwd worden en zullen er
    dus geen nieuwe mensen komen wonen.
    Migratie en bevolkingsgroei:
    Mensen verhuizen naar plaatsen waar ze verwachten een betere toekomst voor zichzelf
    en/of hun gezin uit te kunnen bouwen.
  145. AA.145 Gebruiken L4 L4 4.2.6; L4 4.2.7

    Geven verklaringen van hoge of lage bevolkingsdichtheid.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Aardrijkskundige indicatoren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Verklaringen:
    • vanuit verkende patronen
    • vanuit diversiteit

    Voorbeelden

    Verklaringen bevolkingsdichtheid:
    In de voormalige mijnstreken van Limburg leidde de bloeiende economie en
    werkgelegenheid tot een hogere bevolkingsdichtheid en de bouw van nieuwbouwwijken
    voor arbeidsmigranten.
  146. AA.146 Begrijpen L5 L6 4.2.8

    Illustreren dat welvaart ongelijk verdeeld is.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Aardrijkskundige indicatoren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Niveaus van welvaart (volgens Hans Rosling):
    niveau 1 - extreme armoede: De mensen hebben geen toegang tot schoon water,
    elektriciteit of goede gezondheidszorg. Vaak moeten ze lopen om water te halen en
    koken op open vuur.
    niveau 2 – basisvoorzieningen: De mensen hebben eenvoudige huizen, kunnen soms
    een fiets kopen en hebben toegang tot basisgezondheidszorg en onderwijs.
    niveau 3 - gemiddelde levensstandaard: De mensen hebben een koelkast, een
    motorfiets en kunnen hun kinderen naar school sturen. Ze hebben betere
    gezondheidszorg en meer stabiliteit.
    niveau 4 – welvaart: De mensen hebben auto’s, goede huizen, toegang tot
    universiteiten en reizen met het vliegtuig. Dit is het niveau waarop de meeste mensen in
    rijke landen leven.

    Te hanteren begrippen

    de armoede, de extreme armoede, de basisvoorziening, de levensstandaard, de
    gemiddelde levensstandaard, de welvaart

    Voorbeelden

    • Sam zegt dat sommige kinderen in de zomervakantie naar het buitenland of naar
        pretparken gaan, terwijl andere kinderen thuisblijven omdat hun ouders daar geen
        geld voor hebben.
    • Nele zegt dat wij naar de dokter gaan als we ziek zijn maar dat in Peru bijvoorbeeld
        veel kinderen dat niet kunnen omdat ze de dokter niet kunnen betalen.
  147. AA.147 Gebruiken L5 L6 L6 4.2.9

    Maken vergelijkingen binnen en tussen landen op basis van aardrijkskundige indicatoren.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Aardrijkskundige indicatoren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Aardrijkskundige indicatoren:
    • oppervlakte
    • bevolkingsaantal
    • bevolkingsdichtheid
    • welvaartsniveau
    • bevolkingsspreiding
  148. AA.148 Engageren L5 L6 GO!-doel

    Komen op voor een leefbare en solidaire samenleving vanuit hun kennis over bevolkingsdichtheid en welvaartsverschillen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Aardrijkskundige indicatoren

  149. AA.149 Begrijpen K1 KO 4.2.4

    Herkennen weersverschijnselen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Weer en klimaat › Weer

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Weersverschijnselen:
    • temperatuur
    • neerslag
    • wind
    • bewolking
  150. AA.150 Begrijpen K2 KO 4.2.4

    Herkennen weersverschijnselen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Weer en klimaat › Weer

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Weersverschijnselen:
    • temperatuur
    • neerslag: regen, sneeuw
    • wind
    • bewolking

    Te hanteren begrippen

    het is koud, het is warm, het vriest, het regent, het sneeuwt, de regen, de sneeuw, er is
    wind, er zijn wolken, het waait, er is veel/weinig wind, het is bewolkt, de zon schijnt
  151. AA.151 Begrijpen K3 KO 4.2.4

    Herkennen weersverschijnselen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Weer en klimaat › Weer

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Weersverschijnselen:
    • temperatuur
    • neerslag: hagel, mist
    • wind
    • bewolking

    Te hanteren begrippen

    de temperatuur, de neerslag, de wind, de bewolking, de hagel, het hagelt, de mist
  152. AA.152 Begrijpen K3 KO 4.2.5

    Beschrijven de relatie tussen bewolking en neerslag.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Weer en klimaat › Weer

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Relatie bewolking-neerslag:
    dunne, witte wolken:
        uitleg: Deze wolken zijn hoog in de lucht en lijken op veertjes.
        relatie met neerslag: geen regen
    grote, witte wolken:
        uitleg: Deze wolken lijken op watjes of bergen.
        relatie met neerslag: Meestal droog, maar als ze donker worden, kan er regen
        komen.
    grijze, dikke wolken:
        uitleg: Deze wolken bedekken de hele lucht als een grijze deken.
        relatie met neerslag: vaak lichte regen
    donkere, hoge wolken:
        uitleg: Deze wolken zijn groot, donker en kunnen onweer brengen.
        relatie met neerslag: hevige regen, soms met donder en bliksem

    Te hanteren begrippen

    de witte wolken, de hoge wolken, de grijze wolken, de dikke wolken, de lage wolken, de
    dunne wolken, de lichte regen, de hevige regen, de bliksem, de donder, het onweer
  153. AA.153 Gebruiken K3 KO 4.2.4; KO 4.2.5

    Analyseren weersverschijnselen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Weer en klimaat › Weer

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Weersverschijnselen:
    bewolking
  154. AA.154 Gebruiken K2 K3 KO 4.3.3; KO 4.2.4

    Geven dagelijks weersverschijnselen weer.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Weer en klimaat › Weer

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Weersverschijnselen:
    • temperatuur: koud en warm
    • neerslag: sneeuw, hagel, mist, regen
    • wind
    • bewolking
    
    Weergeven:
    door middel van symbolen
    registratie in weerkalender
    vergelijking
  155. AA.155 Gebruiken L1 L4 4.3.2

    Interpreteren weergegevens van een week.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Weer en klimaat › Weer

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Interpreteren:
    • observatie van temperatuur, neerslag, wind, bewolking
    • registratie in weerkalender
    • vergelijking
    • presentatie
  156. AA.156 Gebruiken L2 L4 4.3.1; L4 4.3.2

    Interpreteren weergegevens van een week en een maand.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Weer en klimaat › Weer

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Interpreteren:
    • observatie van temperatuur, neerslag, wind, bewolking
    • registratie in weerkalender
    • vergelijking
    • presentatie
  157. AA.157 Gebruiken L3 L4 4.3.1; L4 4.3.2

    Interpreteren weergegevens van een bepaalde periode.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Weer en klimaat › Weer

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Bepaalde periode:
    een seizoen
    
    Interpreteren:
    • observatie van neerslag, wind
    • meten van bewolking, temperatuur
    • registratie (temperatuur in lijngrafiek)
    • vergelijking
    • presentatie
  158. AA.158 Gebruiken L4 L4 4.3.1; L4 4.3.2

    Interpreteren weergegevens van een bepaalde periode.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Weer en klimaat › Weer

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Bepaalde periode:
    één of meerdere seizoenen
    
    Interpreteren:
    • meten van bewolking, temperatuur, neerslag, wind
    • registratie (temperatuur in lijngrafiek en neerslag in staafdiagram)
    • vergelijking
  159. AA.159 Gebruiken L5 L6 4.3.1

    Interpreteren weergegevens van een bepaalde periode.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Weer en klimaat › Weer

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Bepaalde periode:
    één of meerdere seizoenen
    
    Interpreteren:
    • meten van bewolking temperatuur, neerslag, wind, luchtdruk
    • registreren in weerkalender
    • vergelijking met klimatogram
  160. AA.160 Begrijpen L5 L6 4.2.12

    Beschrijven luchtdruk in relatie tot het weer.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Weer en klimaat › Weer

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Luchtdruk:
    hoge luchtdruk (H): Wat gebeurt er? De lucht daalt naar beneden. gevolg: Het weer is
    meestal droog en zonnig. ezelsbruggetje: H van helder weer
    lage luchtdruk (L) Wat gebeurt er? De lucht stijgt omhoog. gevolg: Er ontstaan wolken
    en regen. ezelsbruggetje: L van lelijk weer (regenachtig)

    Te hanteren begrippen

    de luchtdruk, de hoge luchtdruk, de lage luchtdruk
  161. AA.161 Begrijpen L6 L6 4.2.12

    Illustreren hoe reliëf en seizoensgebonden oceaantemperaturen het weer beïnvloeden.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Weer en klimaat › Weer

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de oceaantemperatuur, de landmassa

    Voorbeelden

    Het weer beïnvloeden:
    • bergen (reliëf): Bergen “duwen” lucht omhoog, zoals bv. de Alpen in Oostenrijk. De
        lucht koelt af waardoor er regen of sneeuw ontstaat. Achter de berg is het
        vaak droger.
    • warme of koude zeeën (seizoensgebonden oceaantemperaturen): Boven een
        warme zee stijgt warme, vochtige lucht op, waardoor de kans op regen groter
        wordt. Boven een koude zee ontstaat koude lucht, wat zorgt voor droger en kouder
        weer.
    • landmassa (grote stukken land):
        Land warmt sneller op dan zee.
        In de zomer (in België): warme lucht stijgt boven land → lage luchtdruk → wolken
        en regen
        In de winter (in België): land koelt snel af → koude lucht daalt → hoge
        luchtdruk → droog en koud weer
    • luchtdruk:
        Lage luchtdruk = stijgende lucht → vaak regen of storm
        Hoge luchtdruk = dalende lucht → vaak droog en zonnig weer
  162. AA.162 Engageren K1 K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 KO 4.2.4; L4 4.3.1; L4 4.3.2; L6 4.3.1; L6 4.2.12

    Tonen hun kennis over het weer in verschillende contexten.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Weer en klimaat › Weer

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Als het koud is, doet Jeppe zijn jas aan tijdens de speeltijd.
    • Nils vertrekt op zeeklassen. Hij vertelt aan zijn mama dat het daar in de winter
        warmer is dan in Brussel.
  163. AA.163 Begrijpen L3 L4 L4 4.2.8

    Herkennen een weerpatroon.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Weer en klimaat › Klimaat

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Weerpatroon:
    weersverschijnselen: temperatuur, neerslag, wind, bewolking
    een terugkerende weeromstandigheid in een bepaald gebied over een bepaalde
    periode

    Te hanteren begrippen

    het weerpatroon
  164. AA.164 Gebruiken L3 L4 L4 4.2.8

    Vergelijken weerpatronen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Weer en klimaat › Klimaat

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vergelijken:
    op basis van weersverschijnselen
    registratie gedurende minstens twee verschillende perioden (in verschillende
    seizoenen)

    Voorbeelden

    Weerpatronen:
    • In de winter zijn de temperaturen lager dan in de zomer.
    • De windrichting is niet elke dag hetzelfde.
  165. AA.165 Begrijpen L3 L4 4.2.8

    Illustreren het verschil tussen weer en klimaat.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Weer en klimaat › Klimaat

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Het verschil:
    Weer is de toestand van de atmosfeer op een specifieke plaats en moment.
    Klimaat is het gemiddelde weer over een lange periode, meestal 30 jaar, in een bepaald
    gebied.

    Te hanteren begrippen

    het weer, het klimaat
  166. AA.166 Begrijpen L3 L4 4.2.9

    Beschrijven klimaatkenmerken.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Weer en klimaat › Klimaat

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Klimaatkenmerken:
    (gemiddelde) temperatuur: koud, gematigd, warm
    (gemiddelde) neerslag: nat, droog

    Te hanteren begrippen

    de droogte, de regenval, de warmte, de koude

    Voorbeelden

    Hannes vertelt dat we in België een gematigd nat klimaat hebben.
  167. AA.167 Begrijpen L3 L4 4.2.10

    Beschrijven klimaatspecifieke en extreme weersverschijnselen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Weer en klimaat › Klimaat

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Klimaatspecifieke en extreme weersverschijnselen:
    • de hittegolf: Een periode van meerdere dagen met heel warm weer. Het is
        vaak droog en zonnig, en het kan moeilijk zijn om af te koelen.
    • de waterbom: Een plotselinge, heel hevige regenbui op één plaats. Er valt in korte
        tijd heel veel water, wat kan zorgen voor overstromingen.

    Te hanteren begrippen

    de hittegolf, de waterbom
  168. AA.168 Gebruiken L3 L4 4.2.8; L4 4.2.10

    Vergelijken de verzamelde weersverschijnselen met de kenmerken van het klimaat in België.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Weer en klimaat › Klimaat

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Kenmerken van het klimaat:
    zachte winters en relatief koele zomers (dankzij de nabijheid van de zee), de neerslag is
    gelijkmatig verspreid over het ganse jaar, wisselvallig weer, het is vaak bewolkt
  169. AA.169 Begrijpen L4 L4 4.2.9

    Illustreren de klimaatzones.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Weer en klimaat › Klimaat

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Klimaatzones:
    De aarde is verdeeld in verschillende klimaatzones met vergelijkbare klimaatkenmerken.
    tropisch klimaat: Het is altijd warm en er valt veel regen. Je vindt dit klimaat in landen
    rond de evenaar.
    polair klimaat: Het is er heel koud, bijna het hele jaar door. Er groeien bijna geen
    planten. Dit klimaat komt voor rond de Noordpool en Zuidpool.
    gematigd klimaat: Hier zijn de vier seizoenen goed te merken: lente, zomer, herfst en
    winter. Het is meestal niet te warm en niet te koud. België heeft een gematigd
    zeeklimaat.

    Te hanteren begrippen

    de klimaatzone, het tropisch klimaat, het polair klimaat, het gematigd klimaat
  170. AA.170 Gebruiken L4 L4 4.2.9

    Vergelijken het klimaat in verschillende gebieden van de wereld.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Weer en klimaat › Klimaat

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vergelijken:
    op basis van een wereldkaart met gemiddelde jaartemperatuur en totale jaarneerslag
  171. AA.171 Begrijpen L4 L4 4.2.10

    Beschrijven klimaatspecifieke en extreme weersverschijnselen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Weer en klimaat › Klimaat

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Klimaatspecifieke en extreme weersverschijnselen:
    • de orkaan: Een enorme storm met harde wind en veel regen, die ontstaat
        boven warme zeeën. Orkanen kunnen veel schade veroorzaken. De term ‘orkaan’
        wordt gebruikt voor de Atlantische Oceaan en het oostelijke deel van de Grote
        Oceaan.
    • de tyfoon: De naam voor een orkaan in het westelijke deel van de Grote Oceaan,
        vooral rond landen zoals de Filipijnen, Japan en China.
    • de sneeuwstorm: Een hevige storm met veel sneeuw en wind. Het zicht is slecht en
        het wordt erg koud.

    Te hanteren begrippen

    de orkaan, de tyfoon, de sneeuwstorm
  172. AA.172 Begrijpen L4 GO!-doel

    Illustreren klimaatverandering.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Weer en klimaat › Klimaat

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Klimaatverandering:
    • temperatuursverandering op aarde
    • neerslagverandering op aarde
    • frequentere extreme weersverschijnselen
  173. AA.173 Gebruiken L4 L5 GO!-doel

    Geven acties om klimaatverandering tegen te gaan.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Weer en klimaat › Klimaat

  174. AA.174 Begrijpen L5 GO!-doel

    Illustreren de klimaatverandering.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Weer en klimaat › Klimaat

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Klimaatverandering:
    Veranderingen in het klimaat zijn niet nieuw. Er zijn altijd al periodes van afkoeling en
    opwarming geweest die gevolgen hadden voor het leven op aarde. Sinds de industriële
    revolutie (rond 1850) is de gemiddelde temperatuur van het aardoppervlak met 1,1 à
    1,3°C gestegen.
    Het verschil met vorige klimaatveranderingen is dat deze klimaatverandering sneller
    gaat dan de voorgaande, de verandering mondiaal is en niet regionaal. De invloed van
    de mens was nog nooit zo groot door het verbruik van fossiele brandstoffen (uitstoot
    broeikasgas CO₂), consumeren van (veel) vlees en melk (uitstoot broeikasgas methaan
    door veeteelt) en het kappen van regenwouden (verdwijnen van de ‘groene longen’ van
    onze aarde).
    Door menselijke activiteiten verandert dus de samenstelling van de atmosfeer. De
    concentratie broeikasgassen in de atmosfeer wordt hoger en versterkt daarmee het
    broeikaseffect, waardoor de gemiddelde oppervlaktetemperatuur van de aarde stijgt.

    Te hanteren begrippen

    de klimaatverandering, de opwarming van de aarde, de fossiele brandstof, consumeren,
    de ontbossing, het broeikasgas, het broeikaseffect
  175. AA.175 Begrijpen L6 GO!-doel

    Illustreren de gevolgen van de huidige klimaatverandering.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Weer en klimaat › Klimaat

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gevolgen klimaatverandering:
    Het versneld smelten van gletsjers en poolijs zorgt voor een stijging van de zeespiegel.
    Door de opwarming van de aarde zet zeewater uit, wat ook leidt tot een stijging van de
    zeespiegel.
    Er komen vaker extreme weersomstandigheden voor, zoals hevige (hagel)buien,
    onweer, hittegolven, droogtes en soms krachtigere of langere orkaanseizoenen. Er
    ontstaan grotere verschillen tussen droge periodes en periodes met veel neerslag.
    Klimaat- en landschapszones verschuiven.
    Al deze gevolgen dragen andere gevolgen met zich mee: overstromingen,
    klimaatvluchtelingen, veranderingen in landbouw, verspreiding van ziekten en insecten

    Voorbeelden

    Verschuiving klimaat- en landschapszones:
    • Gebieden die nu al vrij droog zijn, verwoestijnen.
    • In koude gebieden verdwijnt sneeuw en ijs sneller, waardoor de toendra verandert
        en sommige planten en dieren verdwijnen.
    • Sommige boeren in het zuiden van Frankrijk schakelen over van wijnteelt naar
        olijventeelt (beter tegen hitte en droogte bestand). In België komen er jaarlijks
        wijntelers bij.
  176. AA.176 Gebruiken L6 GO!-doel

    Geven weer hoe we de klimaatverandering duurzaam kunnen aanpakken.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Weer en klimaat › Klimaat

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Duurzame aanpak:
    nationale en internationale samenwerking
    energietransitie: van fossiele energiebronnen naar duurzame energiebronnen
    energiebesparing
    klimaatadaptatie
    natuurherstel en -bescherming
  177. AA.177 Begrijpen L6 L6 4.2.11; L6 4.1.2

    Herkennen de relatie tussen de ligging van de breedtecirkels en de klimaatzones.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Weer en klimaat › Klimaat

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Relatie:
    Tropisch klimaat: gebied tussen de Kreeftskeerkring en de Steenbokskeerkring. Hier
    staat de zon het hele jaar hoog aan de hemel. Kenmerken: warm, vaak vochtig, met
    kleine temperatuurverschillen gedurende het jaar
    Gematigd klimaat: gebied tussen de keerkringen en de poolcirkels. De zon staat hier
    lager aan de hemel dan in de tropen en er zijn duidelijke seizoenen. Kenmerken: milde
    tot koude winters, warme tot zachte zomers, neerslag verspreid over het jaar.
    Polair klimaat: gebied binnen de poolcirkels. De zon komt in de winter soms helemaal
    niet op (poolnacht) en gaat in de zomer niet onder (middernachtzon). Kenmerken: zeer
    koud, weinig neerslag, vaak sneeuw of ijs

    Voorbeelden

    Tropisch klimaat:
    regenwouden in het Amazonegebied, Congo, Zuidoost-Azië
    Gematigd klimaat:
    België (gematigd zeeklimaat), Nederland, Verenigde Staten, delen van China
    Polair klimaat:
    Antarctica, Noordpoolgebied, delen van Siberië en Groenland
  178. AA.178 Begrijpen L6 L6 4.2.10; L6 4.1.2

    Beschrijven het concept vegetatietype in relatie tot klimaatzones.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Weer en klimaat › Klimaat

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Een vegetatietype:
    Een indeling van natuurlijke plantengroei op basis van de soorten planten die er
    voorkomen, hun structuur en hoe ze aangepast zijn aan hun omgeving.
    
    Relatie:
    Klimaat bepaalt welke planten kunnen groeien.
    Vegetatie weerspiegelt het klimaat van een gebied.
    Veranderingen in klimaat kunnen leiden tot verschuivingen in vegetatietypes.

    Te hanteren begrippen

    het vegetatietype, de toendra, het tropisch regenwoud, de savanne, het loofbos, het
    gemengd bos, het mos, het korstmos
  179. AA.179 Engageren L3 L4 L5 L6 GO!-doel

    Tonen hun kennis over het klimaat en klimaatverandering in verschillende contexten.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Weer en klimaat › Klimaat

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Leo ontwerpt en presenteert een model van een duurzame stad waarin de zon en
        de wind worden gebruikt om energie op te wekken. Hij legt uit hoe deze
        technologieën van zonne- en windenergie bijdragen aan het verminderen van
        broeikasgassen en klimaatverandering.
    • Ellen maakt grafieken en tabellen waarin ze het energieverbruik van fossiele
        brandstoffen vergelijkt met dat van hernieuwbare energiebronnen. Ze berekent
        hoeveel CO₂-uitstoot bespaard kan worden door zonnepanelen of windmolens te
        gebruiken. Tijdens de presentatie legt ze uit hoe deze reductie helpt om de
        opwarming van de aarde tegen te gaan.
  180. AA.180 Begrijpen K1 KO 4.2.6

    Herkennen de zon.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

  181. AA.181 Begrijpen K2 KO 4.2.6

    Illustreren dat de zon overdag voor licht zorgt.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de dag, de nacht, licht, donker, de zon
  182. AA.182 Begrijpen K3 KO 4.2.8

    Illustreren de beweging van de aarde rond haar as.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    De beweging:
    de richting: in tegenwijzerzin (van west naar oost, gezien vanaf de noordpool)
    
    Illustreren:
    door gebruik van een globe (wereldbol)

    Te hanteren begrippen

    de aarde, de wereldbol, de aarde draait
  183. AA.183 Begrijpen K3 KO 4.2.6

    Herkennen de zon, de maan en de sterren.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herkennen:
    De zon is rond en geeft licht en warmte.
    De sterren zien we als lichtjes aan de hemel.
    De maan zien we niet altijd in dezelfde vorm.
    De zon en maan zien we niet altijd op dezelfde plaats.

    Te hanteren begrippen

    de ster, de maan
  184. AA.184 Begrijpen K3 KO 4.2.7

    Herkennen het ritme van seizoenen in hun directe omgeving.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • In de herfst verzamelt Georges kleurrijke blaadjes uit de schooltuin.
    • De kerselaar staat volop in bloei. “Dat komt omdat het lente is”, meent Jetje.
  185. AA.185 Gebruiken K2 K3 L1 KO 4.2.6; L4 4.2.13

    Bepalen welke dagelijkse gebeurtenissen bij dag en welke bij nacht horen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

  186. AA.186 Begrijpen L1 L2 L4 4.2.14

    Beschrijven kenmerken van seizoenen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Kenmerken van seizoenen:
    de lente:
          De dagen worden langer.
          Het wordt warmer.
          Bomen en bloemen beginnen te groeien.
          Veel dieren krijgen jongen.
    de zomer:
          De dagen zijn het langst.
          Het is vaak warm of heet.
          Veel mensen gaan vaak op vakantie.
          Planten groeien snel.
    de herfst:
          De dagen worden korter.
          Het wordt kouder.
          Bladeren vallen van de bomen.
          Er is vaak wind en regen.
    de winter:
          De dagen zijn het kortst.
          Het is vaak koud, soms is er sneeuw of ijs.
          Veel bomen zijn kaal.
          Sommige dieren houden een winterslaap.

    Te hanteren begrippen

    de lente, de zomer, de herfst, de winter, het seizoen
  187. AA.187 Begrijpen L2 L4 4.2.15

    Beschrijven hoe dag en nacht ontstaan.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Ontstaan dag en nacht:
    Een dag duurt 24u omdat de aarde in 24u rond haar as draait.
    Ritme van dag en nacht: De kant van de aarde die naar de zon is gekeerd ontvangt het
    licht, daar is het dus dag. De andere kant ontvangt geen licht, daar is het nacht.
  188. AA.188 Begrijpen L3 L4 4.2.14

    Herkennen het ritme van seizoenen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Ritme van seizoenen:
    De aarde draait om de zon. Daardoor verandert het weer in de loop van het jaar. Dat
    noemen we seizoenen. Elk (meteorologisch) seizoen begint op een vaste datum. Na drie
    maanden begint het volgende seizoen weer.
    Lente: begint op 21 maart
    Zomer: begint op 21 juni
    Herfst: begint 21 september
    Winter: begint op 21 december

    Te hanteren begrippen

    De lente: begint op 21 maart, de zomer: begint op 21 juni, de herfst: begint op 21
    september, de winter: begint op 21 december
  189. AA.189 Begrijpen L4 L6 4.2.18

    Beschrijven de omwenteling van de aarde rond de zon.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Omwenteling:
    De aarde draait in ongeveer 365 dagen (een jaar) rond de zon.
  190. AA.190 Gebruiken L4 L4 4.2.13; L6 4.2.18

    Geven weer hoe omwentelingen van de aarde verband houden met tijdsindelingen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Tijdsindeling:
    Van een dag: De aarde draait in één dag rond haar as van west naar oost (gezien vanaf
    de noordpool), waardoor we de zon zien opgaan in het oosten en ondergaan in het
    westen)
    Van een jaar: De beweging van de aarde rond de zon duurt een jaar.
  191. AA.191 Begrijpen L4 L4 4.2.15

    Herkennen de tijdzones.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Tijdzones:
    De aarde is verdeeld in 24 tijdzones (stroken op de globe waar het overal hetzelfde
    tijdstip is).
    In elke tijdzone is het 1 uur vroeger of later dan in de volgende.
    Hoe westelijker we ons verplaatsen ten opzichte van de nulmeridiaan hoe vroeger het
    wordt.
    Hoe oostelijker we ons verplaatsen ten opzichte van de nulmeridiaan hoe later het
    wordt.

    Te hanteren begrippen

    de tijdzone, de nulmeridiaan

    Voorbeelden

    Tijdzones:
    • Als het in de winter in België 12 uur 's middags is, is het in Japan al avond, namelijk
        het is er 20.00 uur.
    • Mia gaat naar New York. Als het bij ons 12.00 uur is, dan is het in New York nog
        maar 06.00 uur.
  192. AA.192 Gebruiken L4 L4 4.2.15

    Vergelijken de tijdzones van verschillende landen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

  193. AA.193 Begrijpen L5 L6 4.2.18; L6 4.2.17

    Duiden de seizoenen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    De seizoenen:
    Worden bepaald door de baan die de aarde volgt rond de zon (in 1 jaar tijd) en de
    schuine stand van de as van de aarde.
    Als de noordelijke helft van de aarde (het noordelijk halfrond) meer naar de zon helt,
    ontvangt die helft meer zonlicht en is het bij ons warmer (vanaf de lente tot en met de
    zomer).
    Vanaf de herfst tot en met de winter helt het noordelijk halfrond weg van de zon en
    ontvangt zo minder zonlicht en is het bij ons kouder.
  194. AA.194 Begrijpen L5 L6 4.2.18

    Duiden een schrikkeljaar.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Een schrikkeljaar:
    Om de vier jaar wordt er één dag toegevoegd omdat de aarde iets meer dan 365 dagen
    nodig heeft om rond de zon te draaien.

    Te hanteren begrippen

    het schrikkeljaar
  195. AA.195 Begrijpen L5 L6 4.2.19

    Beschrijven de omwenteling van de maan rond de aarde.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    De omwenteling:
    De maan heeft ongeveer een maand nodig om één keer rond de aarde te draaien.
    De maan draait om de aarde en doordat we de maan steeds vanuit een andere hoek
    zien, lijken haar vormen te veranderen, dit noemen we de maanfases: soms zien we de
    hele maan (volle maan) en soms helemaal niet (nieuwe maan).

    Te hanteren begrippen

    de omwenteling, de volle maan, de nieuwe maan
  196. AA.196 Gebruiken L5 L6 L6 4.2.17

    Geven weer hoe omwentelingen van de aarde en maan verband houden met tijdsindelingen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Tijdsindelingen:
    • De aarde draait om haar as in 24 uren van west naar oost, gezien vanaf de
        noordpool (tegenwijzerzin): een dag.
    • De maan draait rond de aarde in 27,3 dagen.
    • De aarde draait in tegenwijzerzin rond de zon in 365 dagen en 6 uur: een jaar.
    • De schuine stand van de aarde in combinatie met de omwenteling om de zon
        veroorzaakt de seizoenen.
  197. AA.197 Begrijpen L6 L6 4.2.19; L6 4.2.15; L6 4.2.16

    Beschrijven maanfasen en eclipsen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Maanfasen:
    • 4 maanfasen: nieuwe maan (je ziet de maan bijna niet), eerste kwartier (je ziet de
        “rechterhelft” van de verlichte kant), volle maan (je ziet de hele verlichte maan),
        laatste kwartier (je ziet de “linkerhelft” van de verlichte kant)
        Ontstaan: De maan draait rond de aarde, de zon verlicht altijd één kant van de
        maan, afhankelijk van waar de maan staat ten opzichte van de aarde en de zon zien
        we een ander stukje van het verlichte deel.
        Duur: De volledige maancyclus duurt ongeveer 29,5 dagen, elke fase duurt
        ongeveer een week.
    
    Eclipsen:
    • Maansverduistering/maaneclips: Als de aarde tussen de zon en de maan staat, de
        aarde blokkeert het zonlicht, waardoor de maan donker wordt of roodachtig kleurt.
        Je ziet dit alleen als het volle maan is.
        Zonsverduistering/zoneclips: Als de maan tussen de zon en de aarde staat, de maan
        blokkeert het zonlicht, waardoor het donkerder wordt overdag. Je ziet dit alleen als
        het nieuwe maan is.

    Te hanteren begrippen

    de maanfase, de nieuwe maan, het eerste kwartier, de volle maan, het laatste kwartier,
    de maancyclus, de zonsverduistering, de maansverduistering
  198. AA.198 Begrijpen L6 L6 4.2.14

    Duiden de getijden.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    De getijden:
    • De zwaartekracht van de maan trekt aan het water op aarde. Daardoor stijgt en
        daalt het water aan de kust, wat we de getijden noemen, met eb en vloed.
    • springtij: Bij volle maan en nieuwe maan staan de zon, de aarde en de maan
        ongeveer op één lijn. Hierdoor versterken de zwaartekracht van de maan en de zon
        elkaar, wat leidt tot springtij.

    Te hanteren begrippen

    eb, vloed, laagwater, hoogwater, de getijden, het springtij
  199. AA.199 Gebruiken L6 L6 4.2.14

    Geven invloeden van maanstanden.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Invloeden:
    • Getijden (eb en vloed) worden beïnvloed door de maanstand.
    • Andere invloeden

    Voorbeelden

    Andere invloeden:
    • Dieren en planten reageren soms op het licht van de maan.
    • Tijd en kalenders in sommige culturen zijn gebaseerd op de maan.
    • Sommige mensen geloven dat de maan invloed heeft op slaap of gedrag, maar dat
        is niet wetenschappelijk bewezen.
  200. AA.200 Begrijpen L4 L6 4.2.13; L4 4.2.11

    Beschrijven een ster.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Een ster:
    Is een grote, hete bol van gas die licht en warmte uitstraalt.
    Onze zon is een ster.
    ’s Nachts zie je veel sterren aan de hemel.
  201. AA.201 Begrijpen L5 L6 4.2.13; L4 4.2.11

    Beschrijven het zonnestelsel.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Zonnestelsel:
    De zon: als middelpunt van het zonnestelsel, een ster die licht en warmte afgeeft
    De planeten: die rond de zon draaien
    Andere hemellichamen die rond de zon draaien (kometen, asteroïden)

    Te hanteren begrippen

    het zonnestelsel, de komeet, de asteroïde
  202. AA.202 Begrijpen L4 L4 4.2.12; L4 4.2.11

    Beschrijven de planeten.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    De planeten:
    De 8 planeten in ons zonnestelsel draaien om de zon.
    Elke planeet is anders. Sommige zijn klein en rotsachtig (zoals Aarde en Mars), andere
    zijn groot en gasachtig (zoals Jupiter en Saturnus). De aarde is de enige planeet waar er
    leven is.

    Te hanteren begrippen

    de planeet, Mercurius, Venus, Aarde, Mars, Jupiter, Saturnus, Uranus, Neptunus
  203. AA.203 Begrijpen L5 L6 4.2.13

    Beschrijven het planetenstelsel.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Het planetenstelsel:
    Een planetenstelsel is een groep planeten die rond een ster draaien.
    Ons zonnestelsel is dus één voorbeeld van een planetenstelsel.
    In het heelal zijn er miljarden andere sterren en veel daarvan hebben ook hun eigen
    planetenstelsel.

    Te hanteren begrippen

    de ster, het planetenstelsel, het zonnestelsel
  204. AA.204 Gebruiken L5 L6 4.2.13

    Geven de relatie tussen ster, zonnestelsel, planetenstelsel.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    De relatie:
    • Een ster is een lichtgevende gasbol. Er zijn miljarden sterren in het heelal.
    • Een planetenstelsel is een ster met planeten eromheen. Veel sterren hebben een
        planetenstelsel.
    • Het zonnestelsel is ons eigen planetenstelsel, met de zon in het midden.

    Te hanteren begrippen

    het planetenstelsel, het zonnestelsel, het heelal
  205. AA.205 Engageren K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 GO!-doel

    Tonen hun kennis over kosmografie in verschillende contexten.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Laya koppelt het trekgedrag van vogels aan de kennis van de seizoenen.
    • Tijdens een kringgesprek over de dagelijkse routine gebruikt Linus de zon om zijn
        dag te beschrijven: "Als de zon opkomt, sta ik op. Als de zon ondergaat, ga ik
        slapen."
  206. AA.206 Begrijpen K1 K2 K3 KO 4.3.1

    Herkennen de ruimtelijke inrichting.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Ruimtelijke inrichting

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Ruimtelijke inrichting:
    • kamer
    • een buitenruimte
  207. AA.207 Gebruiken K1 KO 4.3.1

    Passen ruimtelijke inrichting toe.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Ruimtelijke inrichting

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Ruimtelijke inrichting:
    in vertrouwde ruimtes

    Voorbeelden

    Ruimtelijke inrichting:
    opruimen
  208. AA.208 Gebruiken K2 KO 4.3.2

    Geven een geobserveerde ruimte weer.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Ruimtelijke inrichting

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Weergeven:
    via tekening
  209. AA.209 Gebruiken K2 K3 KO 4.3.1

    Passen ruimtelijke inrichting toe.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Ruimtelijke inrichting

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Toepassen:
    • in verkende ruimte
    • in verkleinde ruimte
  210. AA.210 Begrijpen K3 KO 4.3.1

    Beschrijven de ruimtelijke inrichting.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Ruimtelijke inrichting

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Beschrijven:
    vanuit het geheugen / vanuit mentaal standpunt
  211. AA.211 Gebruiken K3 KO 4.3.2

    Geven een geobserveerde ruimte weer.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Ruimtelijke inrichting

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Weergeven:
    • via tekening of schets
    • via foto
  212. AA.212 Begrijpen L3 L4 4.3.1

    Illustreren de oriëntatie van een kaart.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Cartografie › Oriëntatie van de kaart

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Oriëntatie:
    Met een kompas kun je een kaart goed oriënteren: je draait de kaart zodat het
    noorden op de kaart overeenkomt met het echte noorden.

    Te hanteren begrippen

    het kompas, het oosten (O), het noorden (N), het westen (W), het zuiden (Z)
  213. AA.213 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 4.3.1; L6 4.3.1

    Oriënteren een kaart en een plattegrond.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Cartografie › Oriëntatie van de kaart

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Oriënteren:
    met behulp van een kompas
  214. AA.214 Begrijpen K1 GO!-doel

    Herkennen afbeeldingen of miniatuurweergaven van vertrouwde plaatsen en voorwerpen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Cartografie › De schaal

  215. AA.215 Begrijpen K2 K3 L1 L6 4.3.1

    Illustreren dat de werkelijkheid kan afgebeeld worden.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Cartografie › De schaal

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Afgebeeld worden:
    op een foto, tekening, plattegrond (2D)
    met een verkleinde ruimte (3D)

    Te hanteren begrippen

    de werkelijkheid, de afbeelding, verkleind, de ruimte
  216. AA.216 Gebruiken K2 L6 4.3.1

    Maken een 3D voorstelling van een werkelijke ruimte.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Cartografie › De schaal

  217. AA.217 Gebruiken K3 L1 L6 4.3.1

    Maken een 3D voorstelling van een werkelijke ruimte.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Cartografie › De schaal

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Maken:
    rekening houden met verhoudingen (op zicht)
  218. AA.218 Gebruiken L1 L2 L6 4.3.1

    Maken een 2D voorstelling van de werkelijke ruimte.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Cartografie › De schaal

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Maken:
    een plattegrond als afdruk van maquette
    rekening houden met verhoudingen (op zicht)
  219. AA.219 Begrijpen L3 L4 L6 4.3.1

    Herkennen lucht- en satellietbeelden als verkleinde weergave van de werkelijkheid.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Cartografie › De schaal

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de luchtfoto, het satellietbeeld
  220. AA.220 Begrijpen L5 L6 L6 4.3.1

    Herkennen de schaal op een kaart.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Cartografie › De schaal

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    De schaal:
    als verhouding tussen de werkelijkheid en een verkleinde afbeelding
    breukschaal
    lijnschaal

    Te hanteren begrippen

    de schaal, de werkelijke afstand, de verhouding
  221. AA.221 Gebruiken L5 L6 L6 4.3.1

    Interpreteren de schaal van een kaart.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Cartografie › De schaal

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Interpreteren:
    • werkelijke afstanden tussen locaties berekenen
    • de grootte van objecten op de kaart schatten
    • de schaalfactor omzetten in een bruikbare eenheid
  222. AA.222 Begrijpen K3 L1 KO 2.4.8; L4 4.3.1

    Duiden de betekenis van symbolen en pictogrammen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Cartografie › De legende/plattegrond

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Symbolen/pictogrammen:
    met betrekking tot de ruimtelijke oriëntatie
    
    Duiden:
    • op een plattegrond van een vertrouwde en verkende ruimte
    • in de klas
    • op het schooldomein

    Te hanteren begrippen

    de plattegrond, het symbool, het pictogram

    Voorbeelden

    Symbolen op een plattegrond:
    Voetstappen in een bepaalde richting, rood kruis of stopteken, WC-symbool
    Pictogrammen in de klas en op het schooldomein:
    Uitgang, WC, pijl naar links of rechts, pictogrammen in de klas met aanduiding van de
    hoek
  223. AA.223 Begrijpen L1 L4 4.3.1

    Herkennen een legende.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Cartografie › De legende/plattegrond

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Legende:
    functie: legt uit wat de kleuren, symbolen of tekens op een plattegrond of afbeelding
    betekenen

    Te hanteren begrippen

    de legende
  224. AA.224 Gebruiken L1 L2 L4 4.3.1

    Interpreteren een legende van een plattegrond.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Cartografie › De legende/plattegrond

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Interpreteren:
    herkenning van objecten en locaties van een vertrouwde en verkende ruimte

    Voorbeelden

    Bij het bekijken van een kaart van een speelplein herkent Colette de schommel door
    naar het symbool van een schommel in de legende te kijken.
  225. AA.225 Gebruiken L1 L2 L4 4.3.1

    Maken een eenvoudige legende.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Cartografie › De legende/plattegrond

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Felix maakt een legende bij zijn tekening.
    • Jonas maakt een eenvoudige legende bij de plattegrond van zijn huis
  226. AA.226 Begrijpen L3 L4 L4 4.3.1

    Duiden kaartsymbolen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Cartografie › De legende/plattegrond

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Duiden:
    • Symbolen op de kaart vertegenwoordigen iets in de ‘echte wereld’
        (symboliseren): rivier, weg, spoorweg, kerk, brug, bos
    • Een kaart is een vereenvoudigde voorstelling van de werkelijkheid
        (generaliseren)

    Te hanteren begrippen

    de rivier, de weg, de spoorweg, de kerk, de brug, het bos

    Voorbeelden

    Symboliseren:
    een blauwe lijn = rivier, een zwart lijntje = weg, een boom-symbool = bos, een kruis =
    kerk
    Generaliseren:
    een heel groot bos wordt gewoon een groen vlak, huizen worden kleine blokjes, een
    stad wordt een grijze vlek
  227. AA.227 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 4.3.1; L6 4.3.1

    Interpreteren de legende van een kaart.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Cartografie › De legende/plattegrond

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Interpreteren:
    om locaties te identificeren
    om routes te plannen
  228. AA.228 Begrijpen L3 L4 4.3.1

    Illustreren de functie van een kaart.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Cartografie › Cartografie: kaartlezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Kaarten:
    analoge en digitale kaarten
    geografische kaarten en plattegronden

    Te hanteren begrippen

    de kaart
  229. AA.229 Begrijpen L3 L4 4.3.1

    Herkennen dat op een kaart het noorden meestal bovenaan ligt.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Cartografie › Cartografie: kaartlezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herkennen:
    op een kaart met een noordpijl

    Te hanteren begrippen

    de noordpijl
  230. AA.230 Begrijpen L3 L4 4.3.1

    Herkennen register en vakcoördinaten.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Cartografie › Cartografie: kaartlezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Register en vakcoördinaten:
    Een kaart of rooster wordt verdeeld in vakken met letters (horizontaal) en cijfers
    (verticaal). Elk vak heeft een coördinaat dat bestaat uit een letter en een cijfer.

    Te hanteren begrippen

    het register, het coördinaat
  231. AA.231 Gebruiken L3 L4 L4 4.3.1

    Lezen een kaart.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Cartografie › Cartografie: kaartlezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Kaart:
    analoge en digitale kaarten
    geografische kaarten en plattegronden
    
    Lezen:
    met gebruik van register en vakcoördinaten
    met oriëntatie naar het noorden met behulp van een kompas
  232. AA.232 Gebruiken L3 L4 L6 4.3.1

    Selecteren een geschikte kaart.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Cartografie › Cartografie: kaartlezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Kaart:
    analoge en digitale kaarten
    • geografische kaarten
    • plattegronden
    • atlas
  233. AA.233 Begrijpen L5 L6 4.3.1

    Illustreren dat verschillende soorten kaarten andere informatie bieden.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Cartografie › Cartografie: kaartlezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Kaarten:
    analoge en digitale kaarten
    
    Informatie:
    natuurkundige kaarten: tonen natuurlijke kenmerken van het landschap
    staatkundige kaarten: tonen grenzen, landen, steden, wegen
    thematische kaarten: klimaatkaart, bevolkingskaart, vegetatiekaart, toeristische
    kaart (plattegrond, stadsplan), historische kaart
  234. AA.234 Gebruiken L5 L6 L6 4.3.1

    Lezen een kaart.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Cartografie › Cartografie: kaartlezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Kaart:
    analoge en digitale kaarten
    • staatkundige kaarten
    • natuurkundige kaarten
    • thematische kaarten
    • plattegronden
    • atlas
    
    Lezen:
    met gebruik van register, vakcoördinaten en schaal
    met oriëntatie naar het noorden met behulp van een kompas
  235. AA.235 Gebruiken L5 L6 L6 4.3.1

    Selecteren een geschikte kaart.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Cartografie › Cartografie: kaartlezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Kaart:
    analoge en digitale kaarten
    • staatkundige kaarten
    • natuurkundige kaarten
    • thematische kaarten
    • plattegronden
    • atlas

    Voorbeelden

    • Sézanne wil laten zien hoe groot het Romeinse Rijk was, dus kiest zij een
        geschikte historische kaart (=thematische kaart).
    • Yannick wil de mediterrane klimaatzone tonen en kiest daarom een klimaatkaart
        (=thematische kaart).
  236. AA.236 Gebruiken L5 L6 L6 4.3.1

    Gebruiken cartografische technieken om een klein gebied voor te stellen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Cartografie › Cartografie: kaartlezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Cartografische technieken:
    • Generaliseren
    • Symboliseren
    • Oriënteren
    • Schaal aanbrengen

    Voorbeelden

    Cartografische technieken:
    Een plattegrond van de speelplaats tekenen (generaliseren van de werkelijkheid) met
    zelfontworpen legende die de symbolen op de kaart verduidelijkt (symboliseren),
    met duiding van pijl met noordrichting (oriënteren) en met weergave van de schaal.
  237. AA.237 Engageren L5 L6 L6 4.3.1

    Reflecteren kritisch op verschillende kaarten.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Cartografie › Cartografie: kaartlezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Reflecteren:
    • Verandering van de kaarten (tijd en ruimte)
    • Wereldbeeld op basis van verschillende weergaven van de wereld
    • Oorlogen hebben een invloed op de kaarten.
  238. AA.238 Begrijpen K1 GO!-doel

    Herkennen richtingsaanwijzingen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Zich oriënteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Richtingsaanwijzingen:
    opzij, vooruit, achteruit, hoger, lager, omhoog, omlaag
  239. AA.239 Gebruiken K1 GO!-doel

    Verplaatsen zichzelf volgens eenvoudige richtingsaanwijzingen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Zich oriënteren

  240. AA.240 Begrijpen K2 GO!-doel

    Herkennen richtingsaanwijzingen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Zich oriënteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    vooruit, achteruit, hoger, lager, omhoog, omlaag, naar boven, naar beneden
  241. AA.241 Begrijpen K3 GO!-doel

    Herkennen richtingsaanwijzingen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Zich oriënteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    naar mij toe, van mij weg, recht naar, schuin naar, opzij, midden, links, rechts
  242. AA.242 Begrijpen K1 K2 K3 GO!-doel

    Herkennen hun positie, afstand en kijkrichting in de ruimte.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Zich oriënteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herkennen:
    • in de werkelijke vertrouwde ruimte
    • in de werkelijk verkende ruimte

    Voorbeelden

    Positie:
    Ik sta naast de kast; Ik sta achteraan in de turnzaal.
    Afstand:
    Ik sta ver van de juf; Ik sta dicht bij het boekenrek met de strips.
    Kijkrichting:
    Ik zie de boom als ik naar buiten kijk; Als ik in de richting van de deur kijk, zie ik de
    kapstokken.
  243. AA.243 Gebruiken K1 K2 K3 L1 L2 L4 4.3.1

    Oriënteren zich.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Zich oriënteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Zich oriënteren:
    in de werkelijke vertrouwde ruimte
    in de werkelijk verkende ruimte
    door rekening te houden met:
    • positie
    • afstand
    • kijkrichting

    Voorbeelden

    Maja speelt in een grote turnzaal en wil terug naar de plek waar ze haar drinkbeker
    heeft achtergelaten. Ze staat bij een grote blauwe mat (positie) en herinnert zich dat
    haar drinkbeker dichtbij de klimmuur staat (afstand). Ze kijkt om zich heen
    (kijkrichting) en ziet de klimmuur aan de andere kant van de zaal. Door zich om te
    draaien en naar de klimmuur toe te lopen, kan ze haar drinkbeker weer terugvinden.
  244. AA.244 Gebruiken K3 L1 L2 L4 4.3.1

    Oriënteren zich met behulp van geografische hulpmiddelen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Zich oriënteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Geografische hulpmiddelen:
    • plattegrond
    
    Zich oriënteren:
    De plattegrond oriënteren (richten) op basis van herkenningspunten in de werkelijke
    ruimte.
  245. AA.245 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 4.3.1; L6 4.3.1

    Oriënteren zich met behulp van geografische hulpmiddelen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Zich oriënteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Geografische hulpmiddelen:
    • plattegrond
    • kaarten
    • satellietbeelden
    • kompas
    • de zonnestand
    
    Zich oriënteren:
    • op basis van plattegrond of kaart, gericht op basis van herkenningspunten in de
        werkelijke ruimte en met een kompas of zonnestand
    • zonder kaart op basis van kompas of zonnestand
  246. AA.246 Gebruiken L4 L5 L6 L4 4.3.1; L6 4.3.1

    Oriënteren zich met behulp van een digitaal hulpmiddel.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Zich oriënteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Digitaal hulpmiddel:
    • routeplanner
    • navigatiesystemen
    • online kaartendiensten
    • kompasapp
  247. AA.247 Engageren K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 KO 4.3.1; L4 4.3.1; L6 4.3.1

    Tonen hun kennis over zich oriënteren in verschillende contexten.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Zich oriënteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Bram gebruikt een kaart van een natuurgebied om locaties van verschillende
        biotopen te vinden. Hij gebruikt de schaal om de afstand tussen het bos en de
        vijver te schatten en de legende om te zien waar specifieke soorten planten of
        dieren zich bevinden.
    • In de bibliotheek herkent Stijn wat hij ziet in een bepaalde kijkrichting: "Ik zie de
        prentenboeken als ik naar de rechterkast kijk."
  248. AA.248 Begrijpen L3 L4 4.3.1

    Herkennen de functie en het gebruik van een kompas.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Meteorologie › De windrichting en windsnelheid

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    De functie:
    • richting bepalen: Het kompas wijst altijd naar het magnetisch noorden. Zo weet
        je waar noord, oost, zuid en west zijn.
        navigeren: Wandelaars, fietsers, zeilers en avonturiers gebruiken een kompas
        om de juiste weg te vinden. Ook handig als je geen GPS of kaart hebt.
        kaarten juist gebruiken: Met een kompas kun je een kaart goed oriënteren: je
        draait de kaart zodat het noorden op de kaart overeenkomt met het echte
        noorden.
    
    Het gebruik:
    • Leg het kompas plat in je hand of op de grond. Wacht tot de naald stilligt. De
        rode kant van de naald wijst naar het noorden. Draai jezelf of de kaart zodat het
        noorden op de kaart overeenkomt met het noorden van het kompas. Nu weet je
        waar de andere richtingen zijn:
        rechts van het noorden is het oosten
        links van het noorden is het westen
        achter je is het zuiden

    Te hanteren begrippen

    het kompas, zich oriënteren, de richting bepalen, het noorden, het oosten, het
    zuiden, het westen
  249. AA.249 Begrijpen L3 L4 4.3.2

    Herkennen instrumenten om windrichtingen te bepalen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Meteorologie › De windrichting en windsnelheid

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    De windrichting:
    De windrichting vertelt vanwaar de wind komt.
    Instrumenten:
    • vlaggen
    • bomen
    • rook
    • windvaan

    Te hanteren begrippen

    de windvaan
  250. AA.250 Begrijpen L4 L4 4.3.2

    Herkennen het instrument om de windsnelheid te bepalen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Meteorologie › De windrichting en windsnelheid

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Instrumenten:
    de anemometer

    Te hanteren begrippen

    de anemometer, de windsnelheid
  251. AA.251 Begrijpen L4 GO!-doel

    Beschrijven de schaal van Beaufort

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Meteorologie › De windrichting en windsnelheid

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Schaal van Beaufort:
    De Beaufortschaal is een schaal van 0 tot 12 die de kracht van de wind beschrijft.

    Te hanteren begrippen

    windstil, de zwakke wind, de matige wind, de krachtige wind, stormachtig, de storm
  252. AA.252 Begrijpen L3 GO!-doel

    Herkennen instrumenten in verband met het weer.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Meteorologie › Temperatuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Weerinstrumenten:
    gebruik en functie van de thermometer: Een instrument om te meten hoe warm of
    koud het is. Je leest de temperatuur af in graden Celsius (°C).

    Te hanteren begrippen

    de thermometer
  253. AA.253 Begrijpen L4 L4 4.3.2

    Herkennen instrumenten in verband met het weer.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Meteorologie › Neerslag

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Weerinstrumenten:
    gebruik en functie van de pluviometer: een meetinstrument om te meten hoeveel
    regen er valt. Je zet het buiten en na de regen kijk je hoeveel mm water erin zit.

    Te hanteren begrippen

    de pluviometer
  254. AA.254 Begrijpen K3 GO!-doel

    Herkennen instrumenten in verband met het weer.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Meteorologie › Bewolking

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Weerinstrumenten:
    gebruik en functie van de schaal van octa’s om de bewolkingsgraad te bepalen: Hoe
    gebruik je de schaal?
    Kijk naar de hemel door een kijkvenster dat in acht gelijke delen is verdeeld.
    Schat hoeveel van die acht delen bedekt zijn met wolken.
    Noteer het aantal octa’s dat overeenkomt met de hoeveelheid bewolking.

    Voorbeelden

    Schaal van octa’s:
    • 0 octa: heldere hemel
    • 4 octa: halfbewolkt
    • 8 octa: volledig bewolkt
  255. AA.255 Begrijpen L5 GO!-doel

    Herkennen instrumenten in verband met het weer.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Meteorologie › Luchtdruk

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Weerinstrumenten:
    gebruik en functie van de barometer: Een instrument om te meten hoe zwaar de
    lucht is (luchtdruk). Zo kun je voorspellen of het mooi of slecht weer wordt. Lage
    druk is kans op regen, hoge druk is vaak droog weer.

    Te hanteren begrippen

    de barometer
  256. AA.256 Gebruiken K3 L1 L2 GO!-doel

    Interpreteren de meteorologische waarnemingen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Meteorologie › Meteorologische waarnemingen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Meteorologische waarnemingen:
    de bewolkingsgraad: gebruik van schaal van octa
  257. AA.257 Gebruiken L3 GO!-doel

    Interpreteren de meteorologische waarnemingen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Meteorologie › Meteorologische waarnemingen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Meteorologische waarnemingen:
    de bewolkingsgraad: gebruik van schaal van octa
    de temperatuur: gebruik van de thermometer
    de windrichting: gebruik van het kompas of de zonnestand, bomen, vlaggen, rook,
    windvaan
  258. AA.258 Gebruiken L4 L4 4.3.2

    Interpreteren de meteorologische waarnemingen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Meteorologie › Meteorologische waarnemingen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Meteorologische waarnemingen:
    de bewolkingsgraad: gebruik van schaal van octa
    de temperatuur: gebruik van de thermometer
    de neerslaghoeveelheid: gebruik van pluviometer
    de windrichting: gebruik van het kompas of de zonnestand, bomen, vlaggen, rook,
    windvaan
    de windsnelheid: gebruik van anemometer
  259. AA.259 Gebruiken L5 L4 4.3.2

    Interpreteren de meteorologische waarnemingen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Meteorologie › Meteorologische waarnemingen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Meteorologische waarnemingen:
    de bewolkingsgraad: gebruik van schaal van octa
    de temperatuur : gebruik van de thermometer
    de neerslaghoeveelheid: gebruik van pluviometer
    de windrichting: gebruik van het kompas of de zonnestand, bomen, vlaggen, rook,
    windvaan
    de windsnelheid: gebruik van anemometer
    de windkracht: gebruik van de schaal van Beaufort
    de luchtdruk: gebruik van de barometer
  260. AA.260 Gebruiken L3 L4 L5 L4 4.3.2

    Vergelijken weersvoorspellingen met echte metingen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Meteorologie › Meteorologische waarnemingen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Weersvoorspelling:
    • Temperatuur
    • Windrichting
    • Neerslag
    • Bewolking

    Te hanteren begrippen

    de weersvoorspelling
  261. AA.261 Engageren L3 L4 L5 L6 L4 4.3.2

    Tonen hun kennis over meteorologische waarnemingen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Meteorologie › Meteorologische waarnemingen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Meteorologische waarnemingen:
    de weersvoorspelling
    de eigen waarneming
  262. AA.262 Begrijpen L4 L4 4.3.1; L6 4.3.1

    Beschrijven klimatogrammen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Meteorologie › Klimatogrammen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Klimatogrammen:
    gebruik en functie van klimatogrammen: Klimatogrammen zijn aardrijkskundige
    staafdiagrammen en lijngrafieken die het gemiddelde weer van een plaats over een
    jaar tonen. Ze geven meestal twee dingen weer: temperatuur (in °C) met een lijn,
    neerslag (in mm) met blauwe staafjes.
    Wat leer je uit een klimatogram?
        hoe warm of koud het is in elke maand.
        in welke maanden het veel of weinig regent.
        of een gebied een droog of nat klimaat heeft.
    Een klimatogram helpt je om het klimaat van een land of streek te begrijpen.

    Te hanteren begrippen

    het klimatogram, het staafdiagram, de lijngrafiek
  263. AA.263 Gebruiken L4 L5 L6 L6 4.3.1

    Interpreteren klimatogrammen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Meteorologie › Klimatogrammen

  264. AA.264 Begrijpen L3 L4 L4 4.3.1

    Herkennen aspecten in een voorstelling van landschappen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Landschappen schematisch weergeven

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Voorstelling:
    • een schematische weergave van menselijke aspecten
    • een schematische voorstelling van natuurlijke aspecten
  265. AA.265 Gebruiken L3 L4 L4 4.3.1

    Ontwerpen een schets van een landschap.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Landschappen schematisch weergeven

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Schets:
    • een schematische weergave van menselijke aspecten
    • een schematische voorstelling van natuurlijke aspecten
  266. AA.266 Begrijpen K1 KO 4.3.4; KO 4.3.5

    Illustreren oplossingen voor actuele ruimtelijke problemen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundig denken › Ruimtelijke problemen oplossen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Oplossingen:
    Probleem: We vallen over de auto’s die op de grond liggen. Oplossing: we leggen de
    auto’s in een opbergdoos.
    Probleem: Er is geen plaats in de klas om in een lange rij rond te stappen. Oplossing: we
    schuiven enkele tafels en stoelen opzij.
    Probleem: Er zijn twee plaatsen tekort aan tafel. Oplossing: we plaatsen er een tafel bij.
    Probleem: De deur kan niet open. Oplossing: we verplaatsen de doos die ervoor stond.
  267. AA.267 Gebruiken K1 KO 4.3.4; KO 4.3.5

    Geven ideeën om actuele ruimtelijke problemen op te lossen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundig denken › Ruimtelijke problemen oplossen

  268. AA.268 Begrijpen K2 KO 4.3.4; KO 4.3.5

    Illustreren oplossingen voor actuele ruimtelijke problemen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundig denken › Ruimtelijke problemen oplossen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Illustreren:
    gebruik van ruimtelijke begrippen
    oorzaak – gevolg redeneringen
  269. AA.269 Begrijpen K3 KO 4.3.4; KO 4.3.5

    Beschrijven oplossingen voor actuele ruimtelijke problemen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundig denken › Ruimtelijke problemen oplossen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Actuele ruimtelijke problemen:
    relatieve meting
    • afstanden vergelijken
    • richtingen aangeven
    • hoogte vergelijken
    • plaatsbepaling
    
    Beschrijven:
    gebruik van ruimtelijke begrippen

    Te hanteren begrippen

    de plaats, vergelijken, de afstand, de richting, de hoogte, bedenken, de oplossing

    Voorbeelden

    Afstanden vergelijken:
    Is de zandbak dichterbij dan de glijbaan?
    Richtingen aangeven:
    De boom staat achter het schoolgebouw.
    Hoogte vergelijken:
    Welke toren is hoger, die van jou of die van je vriend?
    Plaatsbepaling:
    Waar is de zon als we buiten spelen? Boven ons of achter de bomen?
  270. AA.270 Gebruiken K2 K3 KO 4.3.4; KO 4.3.5

    Geven ideeën om actuele ruimtelijke problemen op te lossen met behulp van relatieve ruimtelijke begrippen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundig denken › Ruimtelijke problemen oplossen

  271. AA.271 Begrijpen L1 L2 L4 4.3.3

    Herkennen aardrijkskundige vragen bij ruimtelijke fenomenen of ontwikkelingen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundig denken › Ruimtelijke vragen beantwoorden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Aardrijkskundige vragen:
    Vragen in verband met:
    • ruimtelijke posities (Wat is het? Waar ligt het?)
    • relaties (Waarom ligt het daar?)
    • Contrasten

    Voorbeelden

    Aardrijkskundige vragen:
    • ruimtelijke positie: "Waar ligt het station?"
    • relaties: "Waarom ligt het station in het midden van de stad?”
    • contrast: "Waarom zijn de huizen in de stad hoger dan in het dorp?"
  272. AA.272 Begrijpen L3 L4 4.3.3

    Herkennen aardrijkskundige vragen bij ruimtelijke fenomenen of ontwikkelingen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundig denken › Ruimtelijke vragen beantwoorden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Aardrijkskundige vragen:
    Vragen in verband met:
    • ruimtelijke posities (Wat is het? Waar ligt het?)
    • relaties (Waarom ligt het daar?)
    • contrasten
    • interactie op verschillende schalen: Wat ergens gebeurt, kan invloed hebben op
        andere plaatsen (lokaal, regionaal, wereldwijd).

    Voorbeelden

    Interactie op verschillende schalen:
    • Waarom eten wij bananen die uit een ander land komen?
    • Wat gebeurt er als er in een ander land oorlog is?
  273. AA.273 Begrijpen L4 L5 L6 L4 4.3.3; L6 4.3.2

    Bedenken aardrijkskundige vragen bij ruimtelijke fenomenen of ontwikkelingen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundig denken › Ruimtelijke vragen beantwoorden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Aardrijkskundige vragen:
    Vragen in verband met:
    • ruimtelijke posities (Wat is het? Waar ligt het?)
    • relaties (Waarom ligt het daar?)
    • contrasten
    • interactie op verschillende schalen
    • verandering in de tijd, inclusief de toekomst (Hoe verandert dat?)

    Voorbeelden

    Aardrijkskundige vragen:
    • verandering in de tijd: een foto van het dorpsplein van vroeger en een foto van nu:
        Waarom zijn er nu verkeerslichten en vroeger niet?
    • verandering in de tijd, inclusief de toekomst: De leerlingen bekijken drie beelden of
        tekeningen van de schoolstraat van vroeger (50 jaar geleden), de schoolstraat van
        nu, fantasierijke voorstelling van de schoolstraat in de toekomst: Wat zou er in de
        toekomst kunnen bijkomen of verdwijnen? Hoe zal ons vervoer er in de toekomst
        uitzien?
  274. AA.274 Gebruiken L2 L3 L4 L5 L6 L4 4.3.3; L6 4.3.2

    Beantwoorden aardrijkskundige vragen bij ruimtelijke fenomenen of ontwikkelingen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundig denken › Ruimtelijke vragen beantwoorden

  275. AA.275 Begrijpen L5 L6 4.3.2

    Herkennen het redeneren vanuit perspectieven bij aardrijkskundige vragen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundig denken › Aardrijkskundig redeneren vanuit multi perspectief

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Aardrijkskundige vragen:
    Wat zijn de voor- en nadelen?
    Wat zijn de gevolgen?
    Wat zie je als je in- en uitzoomt?
    Wat zijn de behoeften van de verschillende participanten?
    Hoe beïnvloedt dit de duurzaamheid?

    Te hanteren begrippen

    het voordeel, het nadeel, het gevolg, de behoefte, de duurzaamheid, het perspectief

    Voorbeelden

    Aardrijskundige vragen:
    stel je voor: Er komt een nieuwe koekjesfabriek aan de rand van de stad. Waarom daar?
    de fabriekseigenaar: “Aan de rand van de stad is de grond goedkoper en er is veel
    plaats. Dat is goed voor mijn bedrijf.”
    de buurtbewoners: “We willen geen lawaai of vrachtwagens in onze straat. Maar
    misschien brengt het wel werkgelegenheid.”
    de stad: “We willen de stad leefbaar houden. Industrie hoort niet in het centrum.”
    de milieuorganisatie: “Is er gedacht aan duurzame energie en afvalverwerking? Wat met
    de natuur in de buurt?”
  276. AA.276 Gebruiken L5 L6 L6 4.3.2

    Beantwoorden aardrijkskundige vragen vanuit verschillende perspectieven.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundig denken › Aardrijkskundig redeneren vanuit multi perspectief

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Aardrijkskundige vragen:
    • thema: toerisme aan de kust
        Wat vinden bewoners, toeristen en winkeliers belangrijk aan de Belgische kust?
        Sociaal (rust), economisch (inkomsten), cultureel (tradities).
    • thema: verkeer en mobiliteit
        Waarom willen sommige mensen meer fietspaden en anderen meer
        parkeerplaatsen? Sociaal (veiligheid), economisch (winkels bereikbaar), ecologisch
        (minder auto's)