AA.243
Gebruiken
K1
K2
K3
L1
L2
Oriënteren zich.
Aardrijkskunde › Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Zich oriënteren
- Leeftijd
- 2,5-4,4-5,5-6,6-7,7-8 jaar
- Handelingswerkwoord
- Oriënteren
- Verwerkingsaspect
- Gebruiken — procedurele kennis — weten hoe
- Minimumdoelen
- L4 4.3.1
- In de PDF
- pagina 70
Leerlijn
Oriënteren zich. MIA Zich oriënteren: in de werkelijke vertrouwde ruimte in de werkelijk verkende ruimte door rekening te houden met: • positie • afstand • kijkrichting Voorbeeld Maja speelt in een grote turnzaal en wil terug naar de plek waar ze haar drinkbeker heeft achtergelaten. Ze staat bij een grote blauwe mat (positie) en herinnert zich dat haar drinkbeker dichtbij de klimmuur staat (afstand). Ze kijkt om zich heen (kijkrichting) en ziet de klimmuur aan de andere kant van de zaal. Door zich om te draaien en naar de klimmuur toe te lopen, kan ze haar drinkbeker weer terugvinden.
Hangt samen met
- Vlag AA.045 Gebruiken de relatieve ligging om een bepaalde locatie, persoon of voorwerp te beschrijven. K1,K2,K3,L1,L2
- Vlag LL.068 Verwoorden vakspecifieke leerstrategieën. K3,L1,L2,L3,L4,L5,L6
- Vlag WI.851 Situeren zichzelf, personen en objecten. K1,K2,K3,L1,L2
Wordt verwezen vanuit
- Vlag AA.045 Gebruiken de relatieve ligging om een bepaalde locatie, persoon of voorwerp te beschrijven. K1,K2,K3,L1,L2
- Vlag LO.060 Plaatsen zich op een aangegeven plek. K1,K2,K3,L1
- Vlag LO.061 Plaatsen zich op een aangegeven plek. K1,K2,K3,L1
- Vlag LO.062 Lokaliseren snel een afgesproken plaats. K1,K2,K3,L1
- Vlag LO.063 Oriënteren zich ten opzichte van anderen en objecten in een bewegingssituatie. K2,K3,L1
- Vlag LO.064 Bewegen in een aangegeven richting. K1,K2,K3,L1
- Vlag LO.066 Bewegen in de meest efficiënte bewegingsrichting. K2,K3,L1,L2,L3
- Vlag LO.068 Verplaatsen zich in meerdere opeenvolgende richtingen. L1,L2,L3
- Vlag WI.851 Situeren zichzelf, personen en objecten. K1,K2,K3,L1,L2
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Aardrijkskundig strategisch”
KO
De kleuters kunnen
4.3.1 een ruimtelijke indeling van een kamer en een
buitenruimte beschrijven door observatie en geheugen.
4.3.2 een geobserveerde ruimte weergeven door middel van
een eenvoudige tekening of schets.
2.4.8 pictogrammen die onder meer een richting aanduiden
lezen en gebruiken.
L4
De leerlingen kunnen
4.3.1 met betrekking tot aardrijkskundige
vaardigheden:
• een digitale en analoge kaart hanteren, inclusief
werken met legende, oriëntatie,
(tussen)windrichtingen;
• werken met register en vakcoördinaten;
• zichzelf oriënteren met behulp van verschillende
methoden: kompas, kaart en zon;
• landschappen schetsen om menselijke en
natuurlijke aspecten schematisch weer te geven;
L6
De leerlingen kunnen
4.3.1 met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden:
• verschillende soorten kaarten gebruiken:
staatkundig, natuurkundig, thematisch;
• satellietbeelden hanteren;
• een klein gebied in kaart brengen met behulp van
cartografische technieken: generaliseren,
symboliseren, oriënteren, schaal aanbrengen;
• klimatogrammen lezen.
• aardrijkskundige staaf- en lijngrafieken bespreken.
4.3.2 met betrekking tot aardrijkskundig onderzoek:
• instrumenten gebruiken om neerslag
(pluviometer) te meten;
• observaties en instrumenten gebruiken om
windrichting (vlaggen, bomen, rook, windvaan) en
windsnelheid (anemometer) te meten;
• gegevens uit weersvoorspellingen gebruiken:
temperatuur, neerslag, windrichting en bewolking.
KO De kleuters kunnen 4.3.4 een actueel ruimtelijk vraagstuk bespreken in termen van gevolgen en relatieve meting. < bv. waar een stoel positioneren om meer ruimte te maken, tramhalte gelegen op een nuttige/veilige plaats, hoeveel hoger of dichter bij het raam planten zetten om ze meer licht te geven > 4.3.5 ideeën genereren om actuele ruimtelijke problemen op te lossen met behulp van relatieve ruimtelijke begrippen. L4 De leerlingen kunnen 4.3.3 aardrijkskundige kennis en vaardigheden van het 4de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden over: • ruimtelijke posities, relaties en contrasten; • interactie op verschillende schalen; • verandering in de tijd, inclusief de toekomst. < bv. de relatie tussen waterdiepte, temperatuur en mariene habitats, hoe is op een bepaalde plaats een vallei of waterval ontstaan, waarom liggen de bushaltes in gebied A verder uit elkaar dan in gebied B, hoe verschilt het leven in een welbepaalde stad van het leven op het platteland eromheen > L6 De leerlingen kunnen 4.3.2 aardrijkskundige kennis en vaardigheden op niveau 6de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden over: • ruimtelijke posities, relaties en contrasten; • interactie op verschillende schalen; • verandering in de tijd, inclusief de toekomst. < bv. de relatie tussen helling, landbouwkeuze en infrastructuurplanning, de relatie tussen bevolkingsdichtheid en de ligging van industriezones, het vervoer van grondstoffen, materialen en goederen, waarom is er woestijnvorming op plaats X, gelijkenissen en verschillen tussen de Rijn en de Amazone, uitzoeken
wie (leeftijd, type werknemer) behoefte heeft aan veilige fietsroutes in de stad, bij gunning van een nieuw treinstation, winkelcentrum, vrijetijdscentrum in plaats X onderzoeken wie erbij zou winnen en wie erbij zou verliezen inclusief toekomstige mensen en het milieu >