Leerplannen Leerplandoelen
AA.046 Begrijpen L3

Duiden de relatie tussen zonnestand, tijdstip en de hoofdwindrichtingen.

Aardrijkskunde Topografie Relatieve en absolute ligging Relatieve ligging Windrichtingen

Leeftijd
8-9 jaar
Handelingswerkwoord
Duiden
Verwerkingsaspect
Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
Minimumdoelen
L4 4.1.2
In de PDF
pagina 11

Leerlijn

Duiden de relatie tussen zonnestand, tijdstip en de hoofdwindrichtingen.

MIA
Relatie:
De zon komt op in het oosten en gaat onder in het westen.
De zon komt nooit in het noorden.
's Middags staat de zon in het zuiden.

Duiden:
met inbegrip van notatie O, W, N en Z

Te hanteren begrippen
de hoofdwindrichting, het oosten (O), het noorden (N), het westen (W), het zuiden (Z)
de windroos

Hangt samen met

Wordt verwezen vanuit

Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Topografie”
KO

De kleuters kennen
4.1.1 de naam van:
• België;
• een plaatselijke rivier;
• de rivier de Nijl.
4.1.4 de volgende begrippen met betrekking tot absolute
plaatsbepaling:
• de straatnaam en het huisnummer;
• de Noordpool, de Zuidpool.

De kleuters kunnen
4.1.2 water, land en de polen op de wereldbol aanduiden.

L4

De leerlingen kennen
4.1.1 de naam en de ligging van:
• de schoolgemeente en eventuele deelgemeenten, en
    buurgemeenten;
• de eigen regio;
• de Belgische provincies met hun hoofdplaatsen;
• de buurlanden van België;
• de gewesten en gemeenschappen;
• Schelde, Maas en IJzer;
• een aantal regio's van België: Kempen, Hoge Venen,
    kuststreek, Ardennen;
• Noordzee en Middellandse Zee;
• de werelddelen: Afrika, Antarctica, Azië, Europa,
    Oceanië, Noord-Amerika en Zuid-Amerika;
• de Grote Oceaan, Atlantische Oceaan en Indische
    Oceaan;
• de vulkaan: de Etna.
4.1.3 de volgende begrippen met betrekking tot absolute
plaatsbepaling:
• de thuisgemeente en de postcode, de
    schoolgemeente en de postcode;
• de nulmeridiaan, de evenaar
• het noordelijk halfrond, het zuidelijk halfrond, het
    oostelijk halfrond en het westelijk halfrond.

L6

De leerlingen kennen
4.1.1 de naam en de ligging van:
• landen van de Europese Unie en hun hoofdsteden,
    evenals het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen,
    Zwitserland, Rusland en hun hoofdsteden;
• Egypte, Marokko, Congo, Zuid-Afrika;
• de Verenigde Staten van Amerika, Canada, Mexico,
    Brazilië, Argentinië;
• Australië, Nieuw-Zeeland;
• China, India, Japan;
• Israël, Iran, Turkije;
• een aantal grote rivieren: de Seine, de Donau, de Rijn,
    de Amazone;
• een aantal bergketens: Alpen, Himalaya, Pyreneeën,
    Oeral;
• de hoogste berg ter wereld: Mount Everest.
KO

De kleuters kennen
4.1.3 de volgende begrippen met betrekking tot relatieve
ligging: dichtbij, veraf, voor, achter, opzij, boven, onder,
tussen, binnen, buiten, hoog, laag, in, uit, naast, midden.

L4

De leerlingen kennen
4.1.2 de volgende begrippen met betrekking tot relatieve
ligging: de hoofdwindrichtingen, de tussenwindrichtingen,
het noorden, het oosten, het zuiden, het westen, het

L6

De leerlingen kennen
4.1.2 parallellen/breedtecirkels die het klimaat afbakenen:
• Steenbokskeerkring, Kreeftskeerkring;
• Noordpoolcirkel en Zuidpoolcirkel.
4.1.4 de volgende begrippen met betrekking tot absolute
plaatsbepaling:
• De straatnaam en het huisnummer;
• de Noordpool, de Zuidpool.

noordoosten, het zuidoosten, het zuidwesten, het
noordwesten, N, O, Z, W, NO, ZO, ZW, NW.
4.1.3 de volgende begrippen met betrekking tot absolute
plaatsbepaling:
• de thuisgemeente en de postcode, de
    schoolgemeente en de postcode;
• de nulmeridiaan, de evenaar;
• het noordelijk halfrond, het zuidelijk halfrond, het
    oostelijk halfrond en het westelijk halfrond.