AA.106
Begrijpen
L3
Herkennen natuurlijke landschapselementen.
Aardrijkskunde › Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Natuurlijke landschappen
- Leeftijd
- 8-9 jaar
- Handelingswerkwoord
- Herkennen
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- L4 4.2.4
- In de PDF
- pagina 27,28
Leerlijn
Herkennen natuurlijke landschapselementen.
MIA
Natuurlijke landschapselementen:
• reliëf: het zeeniveau, de horizonlijn, de hoogte, het hoogteverschil
• water: de zee, het strand, de plas, de vijver, de oceaan, de rivier, de beek, de
waterval
• vegetatie: loofbos, naaldbos
• bodem: vruchtbaar, rotsachtig, zanderig, het zand, de klei, de leem,
steenachtig
Te hanteren begrippen
het zeeniveau, de horizonlijn, het hoogteverschil, het reliëf, de helling, de
vegetatie, de bodem
Hangt samen met
- Vlag AA.265 Ontwerpen een schets van een landschap. L3,L4
- Vlag WI.744 Herkennen horizontale en verticale lijnen. L3
Wordt verwezen vanuit
- Vlag WI.744 Herkennen horizontale en verticale lijnen. L3
- Vlag WT.111 Beschrijven kenmerken van het stadslandschap. L3
- Vlag WT.112 Beschrijven kenmerken van het agrarisch landschap. L4
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Aardrijkskundige (toegepaste) kennis”
KO
De kleuters kennen
4.2.1 de volgende begrippen met betrekking tot kenmerken van
de aarde en haar atmosfeer: het land, het water, de lucht, de
rots, de grot, het zand.
De kleuters kunnen
4.1.2 water, land en de polen op de wereldbol aanduiden.
L4
De leerlingen kennen
4.2.1 de volgende begrippen met betrekking tot
kenmerken van de aarde en haar atmosfeer:
• ‘de blauwe planeet', het zoet en zout water, de
atmosfeer;
• de verschillende lagen van de aarde en hun
relatieve temperatuur.
4.2.2 het concept waterkringloop: verdamping,
condensatie, wolken, neerslag, grondwater,
oppervlaktewater.
4.2.3 de kenmerken, oorzaken en gevolgen van
vulkanen:
• waarom vulkanen uitbarsten: magma, lava,
vulkaanpijp, krater;
• hoe vulkanen het landschap en menselijke
activiteiten (landbouw, toerisme) kunnen
beïnvloeden: aswolk, mineralen.
4.2.4 de volgende begrippen met betrekking tot
natuurlijke aspecten van landschappen, inclusief de
vorming en het proces van:
• het reliëf: de bergketen, het zeeniveau, de
horizonlijn, de hoogte, het hoogteverschil;
• de riviervorming en -processen: de bron, de
smeltende ijskappen en gletsjers, de typische
kenmerken van beneden-, midden- en bovenloop
van rivieren, het eroderen, het afzetten, de
waterval, de meander, het estuarium, de delta;
• de vegetatie: het loofbos, het naaldbos;
• de bodem: het zand, de klei, de leem,
steenachtig.
L6
De leerlingen kennen
4.2.1 de volgende begrippen met betrekking tot de
aarde en haar atmosfeer: het zuurstofgas, de
koolstofdioxide.
4.2.2 de rol van de atmosfeer voor leven op aarde.
4.2.4 de kenmerken, oorzaken en gevolgen van
aardbevingen:
• voorbeelden van platen, plaatgrens, principe van
platentektoniek;
• epicentrum, seismische golven, beving;
• voorbeelden van aardbevingen, ligging en mogelijke
effecten: naschok, verwoesting, tsunami,
aardverschuiving;
• de magnitude van een aardbeving;
• inspanningen om schade door aardbevingen te
anticiperen en te beperken: technieken bij
constructie van gebouwen om schokken op te
vangen, monitoren en preventief evacueren.
De leerlingen kunnen
4.2.5 de ruimtelijke spreiding van aardbevingen,
vulkanen en bergketens in verband brengen met de
ligging van plaatgrenzen:
• de Ring van Vuur;
• patroon van vulkanen in het Middellandse
Zeegebied waaronder de Etna.
• een digitale en analoge kaart hanteren, inclusief
werken met legende, oriëntatie,
(tussen)windrichtingen;
• werken met register en vakcoördinaten;
• zichzelf oriënteren met behulp van verschillende
methoden: kompas, kaart en zon;
• landschappen schetsen om menselijke en
natuurlijke aspecten schematisch weer te geven;
• aardrijkskundige staaf- en lijngrafieken
bespreken.
KO L4 De leerlingen kennen 4.2.6 de volgende begrippen met betrekking tot bevolking: • de bevolkingsdichtheid; L6 De leerlingen weten 4.2.8 dat er verschillende niveaus van welvaart zijn. De leerlingen kunnen
• patronen van bevolkingsspreiding in een land of
regio;
• manieren om de diversiteit van de bevolking te
beschrijven: de etniciteit, de religie, de leeftijd.
4.2.7 verklarende factoren die verandering in
bevolkingsaantallen beïnvloeden:
• migratie;
• geboortecijfer;
• industrialisatie en verstedelijking.
4.2.9 vergelijkingen maken binnen en tussen landen door
middel van aardrijkskundige indicatoren:
• oppervlakte;
• bevolkingsaantal;
• bevolkingsdichtheid;
• welvaartsniveau.
KO
De kleuters kennen
4.2.4 de volgende begrippen met betrekking tot
weersverschijnselen:
• de temperatuur;
• de neerslag;
• de bewolking;
• de wind.
De kleuters kunnen
4.2.5 de relatie tussen bewolking en neerslag beschrijven.
4.3.3 een neerslagvorm observeren: regen, sneeuw,
hagel, mist.
L4
De leerlingen kennen
4.2.8 het verschil tussen weer en klimaat.
4.2.9 de kenmerken van de belangrijkste klimaatzones:
polair, tropisch, gematigd.
4.2.10 de volgende begrippen met betrekking tot
klimaatspecifieke en extreme weersverschijnselen:
• de orkaan, de tyfoon;
• de hittegolf, de sneeuwstorm, de waterbom.
De leerlingen kunnen
4.3.1 met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden:
• een digitale en analoge kaart hanteren, inclusief
werken met legende, oriëntatie,
(tussen)windrichtingen;
• werken met register en vakcoördinaten;
• zichzelf oriënteren met behulp van verschillende
methoden: kompas, kaart en zon;
• landschappen schetsen om menselijke en natuurlijke
aspecten schematisch weer te geven;
• aardrijkskundige staaf- en lijngrafieken bespreken.
4.3.2 met betrekking tot aardrijkskundig onderzoek:
• instrumenten gebruiken om neerslag (pluviometer)
te meten;
• observaties en instrumenten gebruiken om
windrichting (vlaggen, bomen, rook, windvaan) en
windsnelheid (anemometer) te meten;
• gegevens uit weersvoorspellingen gebruiken:
temperatuur, neerslag, windrichting en bewolking.
L6
De leerlingen kennen
4.2.10 het concept vegetatietype.
4.2.11 de relatie tussen de ligging van de breedtecirkels
en klimaatzones: polair, tropisch, gematigd.
4.1.2 parallellen/breedtecirkels die het klimaat
afbakenen:
• Steenbokskeerkring, Kreeftskeerkring;
• Noordpoolcirkel en Zuidpoolcirkel.
De leerlingen kunnen
4.2.12 voorbeelden geven van hoe reliëf en
seizoensgebonden oceaantemperaturen het weer
beïnvloeden: luchtdruk, landmassa.
4.3.1 met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden:
• verschillende soorten kaarten gebruiken: staatkundig,
natuurkundig, thematisch;
• satellietbeelden hanteren;
• een klein gebied in kaart brengen met behulp van
cartografische technieken: generaliseren,
symboliseren, oriënteren, schaal aanbrengen;
• klimatogrammen lezen.
KO De kleuters kennen 4.2.6 de volgende begrippen: • de aarde, de maan, de zon, de sterren; • de dag en de nacht. De kleuters kunnen 4.2.7 het ritme van de seizoenen in de directe omgeving herkennen. 4.2.8 de beweging van de aarde om haar as tonen met behulp van een wereldbol. L4 De leerlingen kennen 4.2.11 de zon als ster. 4.2.12 de namen van de planeten binnen ons zonnestelsel. 4.2.13 de duur en de richting van de beweging van de aarde om haar as. 4.2.14 de namen, kenmerken en de begin- en einddatum van de seizoenen. 4.2.15 de relatie tussen de beweging van de aarde en dag/nacht, tijdszones. L6 De leerlingen kennen 4.2.13 kenmerken en verschijnselen van het heelal: planetenstelstel, zonnestelstel, sterren. 4.2.14 de getijden: eb, vloed, laagwater, hoogwater. 4.2.15 de maanfasen: volle maan, nieuwe maan, eerste kwartier, laatste kwartier. 4.2.16 de eclipsen: zonsverduistering, maansverduistering. 4.2.17 de duur en de richting van de beweging van de aarde rond de zon. De leerlingen kunnen 4.2.18 het burgerlijk jaar, het schrikkeljaar en de seizoenen in verband brengen met de beweging van de aarde rond de zon, rekening houdend met de schuine stand van de aardas. 4.2.19 de getijden, de maanfasen en de eclipsen in verband brengen met de beweging van de maan rond de aarde.