Leerplannen Leerplandoelen
AA.162 Engageren K1 K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6

Tonen hun kennis over het weer in verschillende contexten.

Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis Weer en klimaat Weer

Leeftijd
2,5-4,4-5,5-6,6-7,7-8,8-9,9-10,10-11,11-12 jaar
Handelingswerkwoord
Tonen
Verwerkingsaspect
Engageren — reflectie en toepassing in nieuwe, authentieke contexten
Minimumdoelen
KO 4.2.4; L4 4.3.1; L4 4.3.2; L6 4.3.1; L6 4.2.12
In de PDF
pagina 48

Leerlijn

Tonen hun kennis over het weer in verschillende contexten.

Voorbeelden
• Als het koud is, doet Jeppe zijn jas aan tijdens de speeltijd.
• Nils vertrekt op zeeklassen. Hij vertelt aan zijn mama dat het daar in de winter
    warmer is dan in Brussel.
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Aardrijkskundige (toegepaste) kennis”
KO

De kleuters kennen
4.2.1 de volgende begrippen met betrekking tot kenmerken van
de aarde en haar atmosfeer: het land, het water, de lucht, de
rots, de grot, het zand.

De kleuters kunnen
4.1.2 water, land en de polen op de wereldbol aanduiden.

L4

De leerlingen kennen
4.2.1 de volgende begrippen met betrekking tot
kenmerken van de aarde en haar atmosfeer:
• ‘de blauwe planeet', het zoet en zout water, de
    atmosfeer;
• de verschillende lagen van de aarde en hun
    relatieve temperatuur.
4.2.2 het concept waterkringloop: verdamping,
condensatie, wolken, neerslag, grondwater,
oppervlaktewater.
4.2.3 de kenmerken, oorzaken en gevolgen van
vulkanen:
• waarom vulkanen uitbarsten: magma, lava,
    vulkaanpijp, krater;
• hoe vulkanen het landschap en menselijke
    activiteiten (landbouw, toerisme) kunnen
    beïnvloeden: aswolk, mineralen.
4.2.4 de volgende begrippen met betrekking tot
natuurlijke aspecten van landschappen, inclusief de
vorming en het proces van:
• het reliëf: de bergketen, het zeeniveau, de
    horizonlijn, de hoogte, het hoogteverschil;
• de riviervorming en -processen: de bron, de
    smeltende ijskappen en gletsjers, de typische
    kenmerken van beneden-, midden- en bovenloop
    van rivieren, het eroderen, het afzetten, de
    waterval, de meander, het estuarium, de delta;
• de vegetatie: het loofbos, het naaldbos;
• de bodem: het zand, de klei, de leem,
    steenachtig.

L6

De leerlingen kennen
4.2.1 de volgende begrippen met betrekking tot de
aarde en haar atmosfeer: het zuurstofgas, de
koolstofdioxide.
4.2.2 de rol van de atmosfeer voor leven op aarde.
4.2.4 de kenmerken, oorzaken en gevolgen van
aardbevingen:
• voorbeelden van platen, plaatgrens, principe van
    platentektoniek;
• epicentrum, seismische golven, beving;
• voorbeelden van aardbevingen, ligging en mogelijke
    effecten: naschok, verwoesting, tsunami,
    aardverschuiving;
• de magnitude van een aardbeving;
• inspanningen om schade door aardbevingen te
    anticiperen en te beperken: technieken bij
    constructie van gebouwen om schokken op te
    vangen, monitoren en preventief evacueren.
De leerlingen kunnen
4.2.5 de ruimtelijke spreiding van aardbevingen,
vulkanen en bergketens in verband brengen met de
ligging van plaatgrenzen:
• de Ring van Vuur;
• patroon van vulkanen in het Middellandse
    Zeegebied waaronder de Etna.
• een digitale en analoge kaart hanteren, inclusief
    werken met legende, oriëntatie,
    (tussen)windrichtingen;
• werken met register en vakcoördinaten;
• zichzelf oriënteren met behulp van verschillende
    methoden: kompas, kaart en zon;
• landschappen schetsen om menselijke en
    natuurlijke aspecten schematisch weer te geven;
• aardrijkskundige staaf- en lijngrafieken
    bespreken.
KO

L4

De leerlingen kennen
4.2.6 de volgende begrippen met betrekking tot
bevolking:
• de bevolkingsdichtheid;

L6

De leerlingen weten
4.2.8 dat er verschillende niveaus van welvaart zijn.

De leerlingen kunnen
• patronen van bevolkingsspreiding in een land of
    regio;
• manieren om de diversiteit van de bevolking te
    beschrijven: de etniciteit, de religie, de leeftijd.
4.2.7 verklarende factoren die verandering in
bevolkingsaantallen beïnvloeden:
• migratie;
• geboortecijfer;
• industrialisatie en verstedelijking.

4.2.9 vergelijkingen maken binnen en tussen landen door
middel van aardrijkskundige indicatoren:
• oppervlakte;
• bevolkingsaantal;
• bevolkingsdichtheid;
• welvaartsniveau.
KO

De kleuters kennen
4.2.4 de volgende begrippen met betrekking tot
weersverschijnselen:
• de temperatuur;
• de neerslag;
• de bewolking;
• de wind.

De kleuters kunnen
4.2.5 de relatie tussen bewolking en neerslag beschrijven.
4.3.3 een neerslagvorm observeren: regen, sneeuw,
hagel, mist.

L4

De leerlingen kennen
4.2.8 het verschil tussen weer en klimaat.
4.2.9 de kenmerken van de belangrijkste klimaatzones:
polair, tropisch, gematigd.
4.2.10 de volgende begrippen met betrekking tot
klimaatspecifieke en extreme weersverschijnselen:
• de orkaan, de tyfoon;
• de hittegolf, de sneeuwstorm, de waterbom.

De leerlingen kunnen
4.3.1 met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden:
• een digitale en analoge kaart hanteren, inclusief
    werken met legende, oriëntatie,
    (tussen)windrichtingen;
• werken met register en vakcoördinaten;
• zichzelf oriënteren met behulp van verschillende
    methoden: kompas, kaart en zon;
• landschappen schetsen om menselijke en natuurlijke
    aspecten schematisch weer te geven;
• aardrijkskundige staaf- en lijngrafieken bespreken.
4.3.2 met betrekking tot aardrijkskundig onderzoek:
• instrumenten gebruiken om neerslag (pluviometer)
    te meten;
• observaties en instrumenten gebruiken om
    windrichting (vlaggen, bomen, rook, windvaan) en
    windsnelheid (anemometer) te meten;
• gegevens uit weersvoorspellingen gebruiken:
    temperatuur, neerslag, windrichting en bewolking.

L6

De leerlingen kennen
4.2.10 het concept vegetatietype.
4.2.11 de relatie tussen de ligging van de breedtecirkels
en klimaatzones: polair, tropisch, gematigd.
4.1.2 parallellen/breedtecirkels die het klimaat
afbakenen:
• Steenbokskeerkring, Kreeftskeerkring;
• Noordpoolcirkel en Zuidpoolcirkel.

De leerlingen kunnen
4.2.12 voorbeelden geven van hoe reliëf en
seizoensgebonden oceaantemperaturen het weer
beïnvloeden: luchtdruk, landmassa.
4.3.1 met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden:
• verschillende soorten kaarten gebruiken: staatkundig,
    natuurkundig, thematisch;
• satellietbeelden hanteren;
• een klein gebied in kaart brengen met behulp van
    cartografische technieken: generaliseren,
    symboliseren, oriënteren, schaal aanbrengen;
• klimatogrammen lezen.
KO

De kleuters kennen
4.2.6 de volgende begrippen:
• de aarde, de maan, de zon, de sterren;
• de dag en de nacht.

De kleuters kunnen
4.2.7 het ritme van de seizoenen in de directe omgeving
herkennen.
4.2.8 de beweging van de aarde om haar as tonen met
behulp van een wereldbol.

L4

De leerlingen kennen
4.2.11 de zon als ster.
4.2.12 de namen van de planeten binnen ons
zonnestelsel.
4.2.13 de duur en de richting van de beweging van de
aarde om haar as.
4.2.14 de namen, kenmerken en de begin- en einddatum
van de seizoenen.
4.2.15 de relatie tussen de beweging van de aarde en
dag/nacht, tijdszones.

L6

De leerlingen kennen
4.2.13 kenmerken en verschijnselen van het heelal:
planetenstelstel, zonnestelstel, sterren.
4.2.14 de getijden: eb, vloed, laagwater, hoogwater.
4.2.15 de maanfasen: volle maan, nieuwe maan, eerste
kwartier, laatste kwartier.
4.2.16 de eclipsen: zonsverduistering,
maansverduistering.
4.2.17 de duur en de richting van de beweging van de
aarde rond de zon.

De leerlingen kunnen
4.2.18 het burgerlijk jaar, het schrikkeljaar en de
seizoenen in verband brengen met de beweging van de
aarde rond de zon, rekening houdend met de schuine
stand van de aardas.
4.2.19 de getijden, de maanfasen en de eclipsen in
verband brengen met de beweging van de maan rond de
aarde.