AA.248
Begrijpen
L3
Herkennen de functie en het gebruik van een kompas.
Aardrijkskunde › Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Meteorologie › De windrichting en windsnelheid
- Leeftijd
- 8-9 jaar
- Handelingswerkwoord
- Herkennen
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- L4 4.3.1
- In de PDF
- pagina 71,72
Leerlijn
Herkennen de functie en het gebruik van een kompas.
MIA
De functie:
• richting bepalen: Het kompas wijst altijd naar het magnetisch noorden. Zo weet
je waar noord, oost, zuid en west zijn.
navigeren: Wandelaars, fietsers, zeilers en avonturiers gebruiken een kompas
om de juiste weg te vinden. Ook handig als je geen GPS of kaart hebt.
kaarten juist gebruiken: Met een kompas kun je een kaart goed oriënteren: je
draait de kaart zodat het noorden op de kaart overeenkomt met het echte
noorden.
Het gebruik:
• Leg het kompas plat in je hand of op de grond. Wacht tot de naald stilligt. De
rode kant van de naald wijst naar het noorden. Draai jezelf of de kaart zodat het
noorden op de kaart overeenkomt met het noorden van het kompas. Nu weet je
waar de andere richtingen zijn:
rechts van het noorden is het oosten
links van het noorden is het westen
achter je is het zuiden
Te hanteren begrippen
het kompas, zich oriënteren, de richting bepalen, het noorden, het oosten, het
zuiden, het westen
Hangt samen met
- Schakel AA.212 Illustreren de oriëntatie van een kaart. L3
- Vlag AA.046 Duiden de relatie tussen zonnestand, tijdstip en de hoofdwindrichtingen. L3
- Vlag AA.257 Interpreteren de meteorologische waarnemingen. L3
- Vlag LL.068 Verwoorden vakspecifieke leerstrategieën. K3,L1,L2,L3,L4,L5,L6
- Vlag WT.395 Beschrijven de werking van magneten en van hun polen. L3,L4
Wordt verwezen vanuit
- Vlag AA.046 Duiden de relatie tussen zonnestand, tijdstip en de hoofdwindrichtingen. L3
- Vlag AA.047 Gebruiken de hoofdwindrichtingen. L3
- Schakel AA.212 Illustreren de oriëntatie van een kaart. L3
- Schakel AA.257 Interpreteren de meteorologische waarnemingen. L3
- Vlag WT.395 Beschrijven de werking van magneten en van hun polen. L3,L4
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Aardrijkskundig strategisch”
KO
De kleuters kunnen
4.3.1 een ruimtelijke indeling van een kamer en een
buitenruimte beschrijven door observatie en geheugen.
4.3.2 een geobserveerde ruimte weergeven door middel van
een eenvoudige tekening of schets.
2.4.8 pictogrammen die onder meer een richting aanduiden
lezen en gebruiken.
L4
De leerlingen kunnen
4.3.1 met betrekking tot aardrijkskundige
vaardigheden:
• een digitale en analoge kaart hanteren, inclusief
werken met legende, oriëntatie,
(tussen)windrichtingen;
• werken met register en vakcoördinaten;
• zichzelf oriënteren met behulp van verschillende
methoden: kompas, kaart en zon;
• landschappen schetsen om menselijke en
natuurlijke aspecten schematisch weer te geven;
L6
De leerlingen kunnen
4.3.1 met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden:
• verschillende soorten kaarten gebruiken:
staatkundig, natuurkundig, thematisch;
• satellietbeelden hanteren;
• een klein gebied in kaart brengen met behulp van
cartografische technieken: generaliseren,
symboliseren, oriënteren, schaal aanbrengen;
• klimatogrammen lezen.
• aardrijkskundige staaf- en lijngrafieken bespreken.
4.3.2 met betrekking tot aardrijkskundig onderzoek:
• instrumenten gebruiken om neerslag
(pluviometer) te meten;
• observaties en instrumenten gebruiken om
windrichting (vlaggen, bomen, rook, windvaan) en
windsnelheid (anemometer) te meten;
• gegevens uit weersvoorspellingen gebruiken:
temperatuur, neerslag, windrichting en bewolking.
KO De kleuters kunnen 4.3.4 een actueel ruimtelijk vraagstuk bespreken in termen van gevolgen en relatieve meting. < bv. waar een stoel positioneren om meer ruimte te maken, tramhalte gelegen op een nuttige/veilige plaats, hoeveel hoger of dichter bij het raam planten zetten om ze meer licht te geven > 4.3.5 ideeën genereren om actuele ruimtelijke problemen op te lossen met behulp van relatieve ruimtelijke begrippen. L4 De leerlingen kunnen 4.3.3 aardrijkskundige kennis en vaardigheden van het 4de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden over: • ruimtelijke posities, relaties en contrasten; • interactie op verschillende schalen; • verandering in de tijd, inclusief de toekomst. < bv. de relatie tussen waterdiepte, temperatuur en mariene habitats, hoe is op een bepaalde plaats een vallei of waterval ontstaan, waarom liggen de bushaltes in gebied A verder uit elkaar dan in gebied B, hoe verschilt het leven in een welbepaalde stad van het leven op het platteland eromheen > L6 De leerlingen kunnen 4.3.2 aardrijkskundige kennis en vaardigheden op niveau 6de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden over: • ruimtelijke posities, relaties en contrasten; • interactie op verschillende schalen; • verandering in de tijd, inclusief de toekomst. < bv. de relatie tussen helling, landbouwkeuze en infrastructuurplanning, de relatie tussen bevolkingsdichtheid en de ligging van industriezones, het vervoer van grondstoffen, materialen en goederen, waarom is er woestijnvorming op plaats X, gelijkenissen en verschillen tussen de Rijn en de Amazone, uitzoeken
wie (leeftijd, type werknemer) behoefte heeft aan veilige fietsroutes in de stad, bij gunning van een nieuw treinstation, winkelcentrum, vrijetijdscentrum in plaats X onderzoeken wie erbij zou winnen en wie erbij zou verliezen inclusief toekomstige mensen en het milieu >