AA.134
Begrijpen
L4
Beschrijven het belang van water als hulpbron in landschappen.
Aardrijkskunde › Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten › Landschappen, landschapselementen en relaties › Menselijke landschappen
- Leeftijd
- 9-10 jaar
- Handelingswerkwoord
- Beschrijven
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- L4 4.2.5
- In de PDF
- pagina 37,38
Leerlijn
Beschrijven het belang van water als hulpbron in landschappen.
MIA
Belang van water:
water als hulpbron:
waterkrachtcentrale, gebruikt waterkracht om elektriciteit te maken:
water verzamelen: De centrale staat bij een rivier of een meer.
Een dam houdt het water tegen en verzamelt het in een groot
reservoir.
water laten stromen: Als de centrale energie nodig heeft, wordt
het water met grote kracht naar beneden geleid door buizen.
turbines draaien: Het stromende water duwt tegen grote
schoepen van een turbine. Een turbine lijkt op een soort grote
windmolen, maar dan aangedreven door water. Door de kracht
van het stromende water begint de turbine te draaien.
elektriciteit maken: De draaiende turbine is verbonden met een
generator. Een generator werkt als een magische machine die
beweging omtovert in elektriciteit. Wanneer de turbine draait,
maakt de generator stroom die we kunnen gebruiken.
stroom sterker maken: Transformatoren zorgen ervoor dat de
stroom sterk genoeg is om ver te reizen.
stroom naar huizen en scholen: Via kabels wordt de elektriciteit
naar huizen, scholen en fabrieken gestuurd.
water komt terug: Het water stroomt weer terug naar de rivier
of het meer, zodat we het opnieuw kunnen gebruiken.
Te hanteren begrippen
het water, de hulpbron, de dam, het reservoir, de waterkracht
Hangt samen met
- Vlag WT.360 Illustreren energieomzettingen in technische systemen. L4
- Vlag WT.362 Beschrijven de verschillende energiebronnen. L4
- Vlag WT.365 Vergelijken energievormen en hun energiebronnen in hun omgeving op hernieuwbaarheid. L5,L6
Wordt verwezen vanuit
- Vlag WT.359 Beschrijven energiebronnen in hun omgeving. L4
- Vlag WT.360 Illustreren energieomzettingen in technische systemen. L4
- Vlag WT.361 Leiden de energiebronnen af van de meest gehanteerde energievormen. L4
- Vlag WT.362 Beschrijven de verschillende energiebronnen. L4
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Aardrijkskundige (toegepaste) kennis”
KO
De kleuters kennen
4.2.1 de volgende begrippen met betrekking tot kenmerken van
de aarde en haar atmosfeer: het land, het water, de lucht, de
rots, de grot, het zand.
De kleuters kunnen
4.1.2 water, land en de polen op de wereldbol aanduiden.
L4
De leerlingen kennen
4.2.1 de volgende begrippen met betrekking tot
kenmerken van de aarde en haar atmosfeer:
• ‘de blauwe planeet', het zoet en zout water, de
atmosfeer;
• de verschillende lagen van de aarde en hun
relatieve temperatuur.
4.2.2 het concept waterkringloop: verdamping,
condensatie, wolken, neerslag, grondwater,
oppervlaktewater.
4.2.3 de kenmerken, oorzaken en gevolgen van
vulkanen:
• waarom vulkanen uitbarsten: magma, lava,
vulkaanpijp, krater;
• hoe vulkanen het landschap en menselijke
activiteiten (landbouw, toerisme) kunnen
beïnvloeden: aswolk, mineralen.
4.2.4 de volgende begrippen met betrekking tot
natuurlijke aspecten van landschappen, inclusief de
vorming en het proces van:
• het reliëf: de bergketen, het zeeniveau, de
horizonlijn, de hoogte, het hoogteverschil;
• de riviervorming en -processen: de bron, de
smeltende ijskappen en gletsjers, de typische
kenmerken van beneden-, midden- en bovenloop
van rivieren, het eroderen, het afzetten, de
waterval, de meander, het estuarium, de delta;
• de vegetatie: het loofbos, het naaldbos;
• de bodem: het zand, de klei, de leem,
steenachtig.
L6
De leerlingen kennen
4.2.1 de volgende begrippen met betrekking tot de
aarde en haar atmosfeer: het zuurstofgas, de
koolstofdioxide.
4.2.2 de rol van de atmosfeer voor leven op aarde.
4.2.4 de kenmerken, oorzaken en gevolgen van
aardbevingen:
• voorbeelden van platen, plaatgrens, principe van
platentektoniek;
• epicentrum, seismische golven, beving;
• voorbeelden van aardbevingen, ligging en mogelijke
effecten: naschok, verwoesting, tsunami,
aardverschuiving;
• de magnitude van een aardbeving;
• inspanningen om schade door aardbevingen te
anticiperen en te beperken: technieken bij
constructie van gebouwen om schokken op te
vangen, monitoren en preventief evacueren.
De leerlingen kunnen
4.2.5 de ruimtelijke spreiding van aardbevingen,
vulkanen en bergketens in verband brengen met de
ligging van plaatgrenzen:
• de Ring van Vuur;
• patroon van vulkanen in het Middellandse
Zeegebied waaronder de Etna.
• een digitale en analoge kaart hanteren, inclusief
werken met legende, oriëntatie,
(tussen)windrichtingen;
• werken met register en vakcoördinaten;
• zichzelf oriënteren met behulp van verschillende
methoden: kompas, kaart en zon;
• landschappen schetsen om menselijke en
natuurlijke aspecten schematisch weer te geven;
• aardrijkskundige staaf- en lijngrafieken
bespreken.
KO L4 De leerlingen kennen 4.2.6 de volgende begrippen met betrekking tot bevolking: • de bevolkingsdichtheid; L6 De leerlingen weten 4.2.8 dat er verschillende niveaus van welvaart zijn. De leerlingen kunnen
• patronen van bevolkingsspreiding in een land of
regio;
• manieren om de diversiteit van de bevolking te
beschrijven: de etniciteit, de religie, de leeftijd.
4.2.7 verklarende factoren die verandering in
bevolkingsaantallen beïnvloeden:
• migratie;
• geboortecijfer;
• industrialisatie en verstedelijking.
4.2.9 vergelijkingen maken binnen en tussen landen door
middel van aardrijkskundige indicatoren:
• oppervlakte;
• bevolkingsaantal;
• bevolkingsdichtheid;
• welvaartsniveau.
KO
De kleuters kennen
4.2.4 de volgende begrippen met betrekking tot
weersverschijnselen:
• de temperatuur;
• de neerslag;
• de bewolking;
• de wind.
De kleuters kunnen
4.2.5 de relatie tussen bewolking en neerslag beschrijven.
4.3.3 een neerslagvorm observeren: regen, sneeuw,
hagel, mist.
L4
De leerlingen kennen
4.2.8 het verschil tussen weer en klimaat.
4.2.9 de kenmerken van de belangrijkste klimaatzones:
polair, tropisch, gematigd.
4.2.10 de volgende begrippen met betrekking tot
klimaatspecifieke en extreme weersverschijnselen:
• de orkaan, de tyfoon;
• de hittegolf, de sneeuwstorm, de waterbom.
De leerlingen kunnen
4.3.1 met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden:
• een digitale en analoge kaart hanteren, inclusief
werken met legende, oriëntatie,
(tussen)windrichtingen;
• werken met register en vakcoördinaten;
• zichzelf oriënteren met behulp van verschillende
methoden: kompas, kaart en zon;
• landschappen schetsen om menselijke en natuurlijke
aspecten schematisch weer te geven;
• aardrijkskundige staaf- en lijngrafieken bespreken.
4.3.2 met betrekking tot aardrijkskundig onderzoek:
• instrumenten gebruiken om neerslag (pluviometer)
te meten;
• observaties en instrumenten gebruiken om
windrichting (vlaggen, bomen, rook, windvaan) en
windsnelheid (anemometer) te meten;
• gegevens uit weersvoorspellingen gebruiken:
temperatuur, neerslag, windrichting en bewolking.
L6
De leerlingen kennen
4.2.10 het concept vegetatietype.
4.2.11 de relatie tussen de ligging van de breedtecirkels
en klimaatzones: polair, tropisch, gematigd.
4.1.2 parallellen/breedtecirkels die het klimaat
afbakenen:
• Steenbokskeerkring, Kreeftskeerkring;
• Noordpoolcirkel en Zuidpoolcirkel.
De leerlingen kunnen
4.2.12 voorbeelden geven van hoe reliëf en
seizoensgebonden oceaantemperaturen het weer
beïnvloeden: luchtdruk, landmassa.
4.3.1 met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden:
• verschillende soorten kaarten gebruiken: staatkundig,
natuurkundig, thematisch;
• satellietbeelden hanteren;
• een klein gebied in kaart brengen met behulp van
cartografische technieken: generaliseren,
symboliseren, oriënteren, schaal aanbrengen;
• klimatogrammen lezen.
KO De kleuters kennen 4.2.6 de volgende begrippen: • de aarde, de maan, de zon, de sterren; • de dag en de nacht. De kleuters kunnen 4.2.7 het ritme van de seizoenen in de directe omgeving herkennen. 4.2.8 de beweging van de aarde om haar as tonen met behulp van een wereldbol. L4 De leerlingen kennen 4.2.11 de zon als ster. 4.2.12 de namen van de planeten binnen ons zonnestelsel. 4.2.13 de duur en de richting van de beweging van de aarde om haar as. 4.2.14 de namen, kenmerken en de begin- en einddatum van de seizoenen. 4.2.15 de relatie tussen de beweging van de aarde en dag/nacht, tijdszones. L6 De leerlingen kennen 4.2.13 kenmerken en verschijnselen van het heelal: planetenstelstel, zonnestelstel, sterren. 4.2.14 de getijden: eb, vloed, laagwater, hoogwater. 4.2.15 de maanfasen: volle maan, nieuwe maan, eerste kwartier, laatste kwartier. 4.2.16 de eclipsen: zonsverduistering, maansverduistering. 4.2.17 de duur en de richting van de beweging van de aarde rond de zon. De leerlingen kunnen 4.2.18 het burgerlijk jaar, het schrikkeljaar en de seizoenen in verband brengen met de beweging van de aarde rond de zon, rekening houdend met de schuine stand van de aardas. 4.2.19 de getijden, de maanfasen en de eclipsen in verband brengen met de beweging van de maan rond de aarde.