AA.265
Gebruiken
L3
L4
Ontwerpen een schets van een landschap.
Aardrijkskunde › Aardrijkskundig strategisch › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden › Landschappen schematisch weergeven
- Leeftijd
- 8-9,9-10 jaar
- Handelingswerkwoord
- Ontwerpen
- Verwerkingsaspect
- Gebruiken — procedurele kennis — weten hoe
- Minimumdoelen
- L4 4.3.1
- In de PDF
- pagina 76
Leerlijn
Ontwerpen een schets van een landschap. MIA Schets: • een schematische weergave van menselijke aspecten • een schematische voorstelling van natuurlijke aspecten
Hangt samen met
- Schakel AA.117 Ontwerpen een schets van een landschap. L3,L4
- Schakel AA.128 Ontwerpen een schets van een landschap. L3,L4
- Vlag LL.108 Maken een ontwerp. K2,K3,L1,L2,L3,L4,L5,L6
Wordt verwezen vanuit
- Vlag AA.080 Geven de loop van een rivier in een eenvoudige voorstelling weer. L3
- Vlag AA.088 Tekenen de lagen van de aarde. L3,L4
- Vlag AA.104 Herkennen natuurlijke landschapselementen. L1
- Vlag AA.105 Herkennen natuurlijke landschapselementen. L2
- Vlag AA.106 Herkennen natuurlijke landschapselementen. L3
- Vlag AA.107 Beschrijven de loop van de rivier. L3
- Schakel AA.117 Ontwerpen een schets van een landschap. L3,L4
- Vlag AA.123 Herkennen menselijke landschapselementen. L1
- Vlag AA.124 Herkennen menselijke landschapselementen. L2
- Vlag AA.125 Herkennen menselijke landschapselementen. L3
- Vlag AA.126 Herkennen menselijke landschapselementen. L4
- Schakel AA.128 Ontwerpen een schets van een landschap. L3,L4
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Aardrijkskundig strategisch”
KO
De kleuters kunnen
4.3.1 een ruimtelijke indeling van een kamer en een
buitenruimte beschrijven door observatie en geheugen.
4.3.2 een geobserveerde ruimte weergeven door middel van
een eenvoudige tekening of schets.
2.4.8 pictogrammen die onder meer een richting aanduiden
lezen en gebruiken.
L4
De leerlingen kunnen
4.3.1 met betrekking tot aardrijkskundige
vaardigheden:
• een digitale en analoge kaart hanteren, inclusief
werken met legende, oriëntatie,
(tussen)windrichtingen;
• werken met register en vakcoördinaten;
• zichzelf oriënteren met behulp van verschillende
methoden: kompas, kaart en zon;
• landschappen schetsen om menselijke en
natuurlijke aspecten schematisch weer te geven;
L6
De leerlingen kunnen
4.3.1 met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden:
• verschillende soorten kaarten gebruiken:
staatkundig, natuurkundig, thematisch;
• satellietbeelden hanteren;
• een klein gebied in kaart brengen met behulp van
cartografische technieken: generaliseren,
symboliseren, oriënteren, schaal aanbrengen;
• klimatogrammen lezen.
• aardrijkskundige staaf- en lijngrafieken bespreken.
4.3.2 met betrekking tot aardrijkskundig onderzoek:
• instrumenten gebruiken om neerslag
(pluviometer) te meten;
• observaties en instrumenten gebruiken om
windrichting (vlaggen, bomen, rook, windvaan) en
windsnelheid (anemometer) te meten;
• gegevens uit weersvoorspellingen gebruiken:
temperatuur, neerslag, windrichting en bewolking.
KO De kleuters kunnen 4.3.4 een actueel ruimtelijk vraagstuk bespreken in termen van gevolgen en relatieve meting. < bv. waar een stoel positioneren om meer ruimte te maken, tramhalte gelegen op een nuttige/veilige plaats, hoeveel hoger of dichter bij het raam planten zetten om ze meer licht te geven > 4.3.5 ideeën genereren om actuele ruimtelijke problemen op te lossen met behulp van relatieve ruimtelijke begrippen. L4 De leerlingen kunnen 4.3.3 aardrijkskundige kennis en vaardigheden van het 4de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden over: • ruimtelijke posities, relaties en contrasten; • interactie op verschillende schalen; • verandering in de tijd, inclusief de toekomst. < bv. de relatie tussen waterdiepte, temperatuur en mariene habitats, hoe is op een bepaalde plaats een vallei of waterval ontstaan, waarom liggen de bushaltes in gebied A verder uit elkaar dan in gebied B, hoe verschilt het leven in een welbepaalde stad van het leven op het platteland eromheen > L6 De leerlingen kunnen 4.3.2 aardrijkskundige kennis en vaardigheden op niveau 6de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden over: • ruimtelijke posities, relaties en contrasten; • interactie op verschillende schalen; • verandering in de tijd, inclusief de toekomst. < bv. de relatie tussen helling, landbouwkeuze en infrastructuurplanning, de relatie tussen bevolkingsdichtheid en de ligging van industriezones, het vervoer van grondstoffen, materialen en goederen, waarom is er woestijnvorming op plaats X, gelijkenissen en verschillen tussen de Rijn en de Amazone, uitzoeken
wie (leeftijd, type werknemer) behoefte heeft aan veilige fietsroutes in de stad, bij gunning van een nieuw treinstation, winkelcentrum, vrijetijdscentrum in plaats X onderzoeken wie erbij zou winnen en wie erbij zou verliezen inclusief toekomstige mensen en het milieu >