Leerplannen Leerplandoelen
AA.273 Begrijpen L4 L5 L6

Bedenken aardrijkskundige vragen bij ruimtelijke fenomenen of ontwikkelingen.

Aardrijkskunde Aardrijkskundig strategisch Aardrijkskundig denken Ruimtelijke vragen beantwoorden

Leeftijd
9-10,10-11,11-12 jaar
Handelingswerkwoord
Bedenken
Verwerkingsaspect
Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
Minimumdoelen
L4 4.3.3; L6 4.3.2
In de PDF
pagina 79

Leerlijn

Bedenken aardrijkskundige vragen bij ruimtelijke fenomenen of ontwikkelingen.

MIA
Aardrijkskundige vragen:
Vragen in verband met:
• ruimtelijke posities (Wat is het? Waar ligt het?)
• relaties (Waarom ligt het daar?)
• contrasten
• interactie op verschillende schalen
• verandering in de tijd, inclusief de toekomst (Hoe verandert dat?)

Voorbeelden
Aardrijkskundige vragen:
• verandering in de tijd: een foto van het dorpsplein van vroeger en een foto van nu:
    Waarom zijn er nu verkeerslichten en vroeger niet?
• verandering in de tijd, inclusief de toekomst: De leerlingen bekijken drie beelden of
    tekeningen van de schoolstraat van vroeger (50 jaar geleden), de schoolstraat van
    nu, fantasierijke voorstelling van de schoolstraat in de toekomst: Wat zou er in de
    toekomst kunnen bijkomen of verdwijnen? Hoe zal ons vervoer er in de toekomst
    uitzien?

Hangt samen met

Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Aardrijkskundig strategisch”
KO

De kleuters kunnen
4.3.1 een ruimtelijke indeling van een kamer en een
buitenruimte beschrijven door observatie en geheugen.
4.3.2 een geobserveerde ruimte weergeven door middel van
een eenvoudige tekening of schets.
2.4.8 pictogrammen die onder meer een richting aanduiden
lezen en gebruiken.

L4

De leerlingen kunnen
4.3.1 met betrekking tot aardrijkskundige
vaardigheden:
• een digitale en analoge kaart hanteren, inclusief
    werken met legende, oriëntatie,
    (tussen)windrichtingen;
• werken met register en vakcoördinaten;
• zichzelf oriënteren met behulp van verschillende
    methoden: kompas, kaart en zon;
• landschappen schetsen om menselijke en
    natuurlijke aspecten schematisch weer te geven;

L6

De leerlingen kunnen
4.3.1 met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden:
• verschillende soorten kaarten gebruiken:
    staatkundig, natuurkundig, thematisch;
• satellietbeelden hanteren;
• een klein gebied in kaart brengen met behulp van
    cartografische technieken: generaliseren,
    symboliseren, oriënteren, schaal aanbrengen;
• klimatogrammen lezen.
• aardrijkskundige staaf- en lijngrafieken bespreken.
4.3.2 met betrekking tot aardrijkskundig onderzoek:
• instrumenten gebruiken om neerslag
    (pluviometer) te meten;
• observaties en instrumenten gebruiken om
    windrichting (vlaggen, bomen, rook, windvaan) en
    windsnelheid (anemometer) te meten;
• gegevens uit weersvoorspellingen gebruiken:
    temperatuur, neerslag, windrichting en bewolking.
KO

De kleuters kunnen
4.3.4 een actueel ruimtelijk vraagstuk bespreken in
termen van gevolgen en relatieve meting.
< bv. waar een stoel positioneren om meer ruimte te
maken, tramhalte gelegen op een nuttige/veilige plaats,
hoeveel hoger of dichter bij het raam planten zetten om
ze meer licht te geven >
4.3.5 ideeën genereren om actuele ruimtelijke problemen
op te lossen met behulp van relatieve ruimtelijke
begrippen.

L4

De leerlingen kunnen
4.3.3 aardrijkskundige kennis en vaardigheden van het
4de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te
beantwoorden over:
• ruimtelijke posities, relaties en contrasten;
• interactie op verschillende schalen;
• verandering in de tijd, inclusief de toekomst.
< bv. de relatie tussen waterdiepte, temperatuur en
mariene habitats, hoe is op een bepaalde plaats een vallei
of waterval ontstaan, waarom liggen de bushaltes in
gebied A verder uit elkaar dan in gebied B, hoe verschilt
het leven in een welbepaalde stad van het leven op het
platteland eromheen >

L6

De leerlingen kunnen
4.3.2 aardrijkskundige kennis en vaardigheden op niveau
6de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te
beantwoorden over:
• ruimtelijke posities, relaties en contrasten;
• interactie op verschillende schalen;
• verandering in de tijd, inclusief de toekomst.
< bv. de relatie tussen helling, landbouwkeuze en
infrastructuurplanning, de relatie tussen
bevolkingsdichtheid en de ligging van industriezones, het
vervoer van grondstoffen, materialen en goederen,
waarom is er woestijnvorming op plaats X, gelijkenissen
en verschillen tussen de Rijn en de Amazone, uitzoeken
wie (leeftijd, type werknemer) behoefte heeft aan veilige
fietsroutes in de stad, bij gunning van een nieuw
treinstation, winkelcentrum, vrijetijdscentrum in plaats X
onderzoeken wie erbij zou winnen en wie erbij zou
verliezen inclusief toekomstige mensen en het milieu >