Leerplannen Leerplandoelen
Leerjaar
Verwerkingsaspect

117 doelen

CSV downloaden filters wissen

vak: NL ✕ Taalsysteem en taalgebruik ✕

  1. NL.460 Begrijpen K1 KO 1.4.1

    Begrijpen basiswoordenschat.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Basiswoordenschat:
    • woordenschat met betrekking tot de leefomgeving en de school
    • Inhoudswoorden
    • functiewoorden

    Voorbeelden

    Inhoudswoorden:
    stoel, bouwen, eten
    Functiewoorden:
    want, naast, nu, maar
  2. NL.461 Gebruiken K1 KO 1.4.1

    Gebruiken basiswoordenschat.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Basiswoordenschat:
    • woordenschat met betrekking tot de leefomgeving en de school
    • Inhoudswoorden
    • Functiewoorden
  3. NL.462 Begrijpen K2 K3 KO 1.4.1

    Begrijpen basiswoordenschat*.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Basiswoordenschat:
    • inhoudswoorden
    • functiewoorden
    • woorden met meerdere betekenissen

    Voorbeelden

    Inhoudswoorden:
    stoel, bouwen, eten
    Functiewoorden:
    want, naast, nu, maar
    Woorden met meerdere betekenissen:
    arm, bloem, pad, blik, blad
    
    *woordenschat met betrekking tot de leefomgeving en de school
  4. NL.463 Gebruiken K2 K3 KO 1.4.1

    Gebruiken basiswoordenschat.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Basiswoordenschat:
    • woordenschat met betrekking tot de leefomgeving en de school
    • inhoudswoorden
    • functiewoorden
    • woorden met meerdere betekenissen
  5. NL.464 Begrijpen K1 KO 1.4.2

    Herkennen eenvoudige school- en instructietaal.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eenvoudige school-en instructietaal:
    • binnen de context van de activiteiten, vakspecifieke kennis, voorkennis en ervaring
    • inhoudswoorden
    • functiewoorden

    Voorbeelden

    Inhoudswoorden:
    bank, kijken
    Functiewoorden:
    want, naast, nu, maar
  6. NL.465 Gebruiken K1 KO 1.4.2

    Gebruiken eenvoudige school- en instructietaal.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eenvoudige school-en instructietaal:
    • binnen de context van de activiteiten, vakspecifieke kennis, voorkennis en ervaring
    • inhoudswoorden
    • functiewoorden
  7. NL.466 Begrijpen K2 K3 KO 1.4.2

    Begrijpen eenvoudige school- en instructietaal.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eenvoudige school- en instructietaal:
    • binnen de context van de activiteiten, vakspecifieke kennis, voorkennis en ervaring
    • inhoudswoorden
    • uitdrukkingen
    • functiewoorden
    • woorden met meerdere betekenissen

    Voorbeelden

    School- en instructietaal:
    • Neem het penseel.
    • Hang je jas aan de kapstok en ga in de rij staan.
  8. NL.467 Gebruiken K2 K3 KO 1.4.2

    Gebruiken eenvoudige school- en instructietaal.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eenvoudige school- en instructietaal:
    • binnen de context van de activiteiten, vakspecifieke kennis, voorkennis en ervaring
    • inhoudswoorden
    • functiewoorden
    • woorden met meerdere betekenissen
  9. NL.468 Gebruiken K2 K3 KO 1.4.3

    Gebruiken een steeds uitgebreidere woordenschat.*

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Uitgebreide woordenschat:
    nieuw geleerde woorden, zowel school- als instructietaal
    
    *onder begeleiding
  10. NL.469 Begrijpen L1 L2 L3 L4 L4 1.4.5

    Begrijpen school- en instructietaal.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    School- en instructietaal:
    • inhoudswoorden
    • uitdrukkingen
    • functiewoorden
    • woorden met meerdere betekenissen

    Voorbeelden

    School- en instructietaal:
    functie, gevolg van, tenzij, ondanks, verklaren, omcirkelen, toch, dus, behandelen, vorm
    (tekst of voorwerp), vergelijken
  11. NL.470 Gebruiken L1 L2 L3 L4 L4 1.4.5

    Gebruiken school- en instructietaal.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    School- en instructietaal:
    in verschillende vakken
  12. NL.471 Begrijpen K2 K3 KO 1.4.2

    Begrijpen vaktaal.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vaktaal:
    • binnen de context van de activiteiten, vakspecifieke kennis, voorkennis en ervaring
    • relevante themawoordenschat
    • vakspecifieke taal
  13. NL.472 Gebruiken K2 K3 KO 1.4.2

    Gebruiken vaktaal.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vaktaal:
    • binnen de context van de activiteiten, vakspecifieke kennis, voorkennis en ervaring
    • relevante themawoordenschat
    • vakspecifieke taal
  14. NL.473 Begrijpen L1 L2 L4 1.4.5

    Begrijpen vaktaal.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

  15. NL.474 Begrijpen L3 L4 L4 1.4.5; L4 1.4.14

    Begrijpen vaktaal.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de vaktaal
  16. NL.475 Gebruiken L1 L2 L3 L4 L4 1.4.5

    Gebruiken vaktaal.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

  17. NL.476 Engageren K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 KO 1.4.2; L4 1.4.5

    Tonen hun kennis van school-, instructie- en vaktaal in verschillende contexten.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Fons zit nog maar pas in de Ravenklas (K2-K3). Hij mag van de juf een vriendje
        aanduiden waarmee hij samen een taak gaat doen. Fons begrijpt het woord
        ‘aanduiden’ en wijst naar zijn vriend Rune, die een jaartje ouder is. (instructietaal)
    • In het vijfde leerjaar lezen de leerlingen boeken die binnen het brede thema ‘kracht
        en beweging’ passen. Kyona leest een boek waarin het hoofdpersonage een
        waterraket gaat bouwen. In het boek komen woorden voor zoals ‘kracht, beweging,
        massa, energie, snelheid en weerstand’. Kyona begrijpt deze woorden in de context
        van het boek omdat ze in de lessen over natuurverschijnselen hierover leerde.
        (vaktaal)
  18. NL.477 Begrijpen K1 K2 K3 KO 1.4.3

    Herkennen woordleerstrategieën in luistersituaties.*

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordleerstrategieën

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Woordleerstrategieën:
    • linken leggen met bekende woorden
    • de woordopbouw analyseren
    • de eigen bredere talenkennis inzetten om betekenissen af te leiden
    • de betekenis van woorden afleiden uit de context

    Voorbeelden

    De eigen bredere talenkennis inzetten:
    • Irene spreekt thuis Spaans. Wanneer ze met haar klasgenootjes in de keukenhoek
        speelt, maakt ze graag een woordgrapje: wanneer de andere kinderen haar vragen
        om de pan aan te geven, geeft ze een brood. In het Spaans betekent ‘pan’ immers
        brood!
    • Taner is een Turkse jongen die nog maar twee maanden op school is, maar hij kent
        het Nederlandse woord ‘suiker’ al! Dat is niet moeilijk want het Turkse woord
        ‘şeker’ (klinkt als ‘sjeek-èr’) lijkt heel erg op het Nederlandse woord ‘suiker’.
        Misschien zijn er nog meer Nederlandse en Turkse woorden die op elkaar lijken?
    
    *onder begeleiding
  19. NL.478 Begrijpen L1 L2 L4 1.4.6

    Illustreren woordleerstrategieën in luister- en leessituaties.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordleerstrategieën

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Woordleerstrategieën:
    • om verduidelijking vragen
    • vergelijken met een bekend woord
    • de context inzetten
    • de eigen bredere talenkennis inzetten om betekenissen af te leiden
    • de woordopbouw analyseren
  20. NL.479 Begrijpen L3 L4 L4 1.4.6

    Illustreren woordleerstrategieën in luister- en leessituaties.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordleerstrategieën

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Woordleerstrategieën:
    • om verduidelijking vragen
    • vergelijken met een bekend woord
    • de context inzetten
    • de eigen bredere talenkennis inzetten om betekenissen af te leiden
    • de woordopbouw analyseren
    • belang van het woord in de tekst na gaan
    • hulpbron inzetten
  21. NL.480 Begrijpen L5 L6 L6 1.4.4

    Illustreren woordleerstrategieën in luister- en leessituaties.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordleerstrategieën

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Woordleerstrategieën:
    • om verduidelijking vragen
    • vergelijken met een bekend woord
    • de context inzetten
    • de eigen bredere talenkennis inzetten om betekenissen af te leiden
    • de woordopbouw analyseren
    • belang van het woord in de tekst na gaan
    • hulpbron inzetten
    • vreemdetalenkennis inzetten
  22. NL.481 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.4.6; L6 1.4.4

    Gebruiken verklarende woordenlijsten en woordenboeken om de betekenis van woorden te achterhalen.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordleerstrategieën

  23. NL.482 Engageren L5 L6 L4 1.4.6; L6 1.4.4

    Zetten woordleerstrategieën actief in op zoek naar nieuwe woordbetekenissen en relaties.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordleerstrategieën

  24. NL.483 Gebruiken K1 K2 K3 KO 1.4.3

    Passen woordleerstrategieën toe*.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordleerstrategieën

  25. NL.484 Gebruiken L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.4.6; L6 1.4.4

    Passen woordleerstrategieën toe.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordleerstrategieën

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Toepassen:
    • Om nieuwe woordbetekenissen en relaties te achterhalen uit gesproken context.
    • Om nieuwe woordbetekenissen en relaties te achterhalen uit geschreven context.
  26. NL.485 Begrijpen K2 K3 KO 1.4.1

    Herkennen betekenisrelaties tussen woorden.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Betekenisrelaties:
    • categorie en exemplaar (hyperoniem- hyponiem)
    • eenvoudige synoniemen
    • eenvoudige tegenstellingen (antoniemen)
    • veel gebruikte trappen van vergelijking

    Voorbeelden

    Betekenisrelaties: categorie en exemplaar:
    • Een appel (exemplaar) is een stuk fruit (categorie).
    • Het kleurpotlood (exemplaar) is tekengerief (categorie).
    Betekenisrelaties: eenvoudige synoniemen
    Mijn mama rijdt met de wagen; mijn mama rijdt met de auto.
    Betekenisrelaties: eenvoudige tegenstellingen
    Ik ben groot, mijn zus is klein.
    Betekenisrelaties: veel gebruikte trappen van vergelijking
    Die meloen is zwaarder dan de perzik. De pompoen is het zwaarst.
  27. NL.486 Begrijpen K3 L1 KO 1.4.1

    Herkennen betekenisrelaties tussen woorden.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Betekenisrelaties:
    context: beroep-handeling, gebeurtenis-plaats, tijd-gebeurtenis

    Voorbeelden

    Betekenisrelaties – context:
    • De kok doet zijn schort aan en neemt een braadpan. (beroep-handeling)
    • Zwemmen – het zwembad (gebeurtenis-plaats)
    • De ochtend – opstaan (tijd-gebeurtenis)
  28. NL.487 Begrijpen K3 L1 L2 L3 L4 1.4.2

    Begrijpen betekenisrelaties tussen woorden.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Betekenisrelaties:
    verwijswoorden: zij, hij, het, die, deze, dit, dat

    Voorbeelden

    Verwijswoorden:
    • Toen was zij nog een baby. > ‘zij’ verwijst naar een eerder vernoemd personage.
    • Oma wil graag de mooiste taart van de bakker, die met slagroom.
  29. NL.488 Begrijpen L3 L4 L4 1.4.2

    Illustreren betekenisrelaties tussen woorden.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Betekenisrelaties:
    vormrelatie - homoniemen (woorden die hetzelfde klinken maar iets anders betekenen)

    Te hanteren begrippen

    het homoniem

    Voorbeelden

    Vormrelatie – homoniemen:
    • Hij zit op de bank voor de bank.
    • Zij neemt de bal niet mee naar het bal.
  30. NL.489 Begrijpen L3 L4 L4 1.4.2

    Illustreren betekenisrelaties tussen woorden.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Betekenisrelaties:
    antoniemen

    Te hanteren begrippen

    het antoniem

    Voorbeelden

    Antoniemen:
    boven – onder, groot – klein, blij – verdrietig
  31. NL.490 Begrijpen L3 L4 L4 1.4.2

    Illustreren betekenisrelaties tussen woorden.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Betekenisrelaties:
    synoniemen

    Te hanteren begrippen

    het synoniem

    Voorbeelden

    Synoniemen:
    boos – kwaad, blij – vrolijk, snel – vlug, beginnen – starten
  32. NL.491 Begrijpen L3 L4 L4 1.4.2

    Illustreren betekenisrelaties tussen woorden.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Betekenisrelaties:
    trappen van vergelijking

    Te hanteren begrippen

    de trappen van vergelijking

    Voorbeelden

    Trappen van vergelijking:
    • Deze pizza is lekker, maar die pizza is lekkerder.
    • Het resultaat is goed, dit resultaat is beter, dat resultaat is het best.
  33. NL.492 Begrijpen L4 L4 1.4.2

    Begrijpen gradaties in woordbetekenissen.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gradaties in woordbetekenissen:
    woorden die de intensiteit van een eigenschap of actie weergeven

    Voorbeelden

    Woorden die de intensiteit van een eigenschap of actie weergeven:
    • Caro vindt de blauwe jurk prachtig!
    • Die danseres danst uitstekend!
  34. NL.493 Begrijpen L5 L6 L6 1.4.1

    Illustreren betekenisrelaties tussen woorden.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    betekenisrelaties tussen woorden:
    • hyponiemen
    • hyperoniem

    Te hanteren begrippen

    het hyponiem

    Voorbeelden

    Hyponiemen en hyperoniem:
    • ‘Dier’ is het hyperoniem. ‘Hond, kat, olifant’ zijn hyponiemen van ‘dier’.
    • ‘Vogel’, ‘zoogdier’, ‘reptiel’(hyponiemen) zijn ‘gewervelden’(hyperoniem).
    • ‘Tang’, ‘hamer’, ‘schroevendraaier’ (hyponiemen) zijn ‘gereedschappen’
        (hyperoniem).
  35. NL.494 Gebruiken K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.4.2

    Gebruiken betekenisrelaties tussen woorden.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

  36. NL.495 Gebruiken L4 L5 L6 L4 1.4.2; L6 1.4.1

    Gebruiken gradaties van woordbetekenissen.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

  37. NL.496 Engageren K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 KO 1.4.1; KO 1.4.3; L4 1.4.2; L6 1.4.1

    Reflecteren in luister- en leessituaties op verbanden tussen woorden en hun betekenis.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

  38. NL.497 Gebruiken L5 L6 L6 1.4.3

    Analyseren concrete en abstracte woorden in een gelezen tekst.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Abstractiegraad van woorden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Concrete en abstracte woorden:
    hoe meer abstracte woorden gebruikt worden in een tekst, hoe complexer de tekst is

    Voorbeelden

    Concrete woorden:
    voetballer, appel, lopen, wakker, rood, lauw
    Abstracte woorden:
    verandering, democratie, analyseren, evalueren
  39. NL.498 Begrijpen K3 L1 L2 L4 1.4.3

    Herkennen in lees- en luistersituaties de figuurlijke betekenis van woorden en woordgroepen.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Figuurlijk taalgebruik

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Figuurlijke betekenis:
    uitdrukkingen

    Voorbeelden

    figuurlijke betekenis van woorden en woordgroepen:
    • Het hoofdpersonage in het luisterverhaal wordt ‘een brave Hendrik’ genoemd. De
        meester legt uit dat dit een uitdrukking is voor een gehoorzaam iemand die zich
        netjes aan de regels houdt.
    • De juf leest een verhaal voor waarin wordt verteld dat een personage ‘met hart en
        ziel’ haar werk deed. Ze legt uit dat dit een gezegde is en dat het betekent dat het
        personage haar werk heel graag doet.
    • De juf leest een verhaal voor over ‘een buitenbeentje’. Ze legt uit dat het een
        uitdrukking is voor iemand die een beetje anders dan anderen is.
    • In de tekst lezen de kinderen dat prinses Elisabeth ‘blauw bloed’ heeft. De
        leerkracht legt uit dat prinses Elisabeth haar bloed niet blauw van kleur is, maar dat
        het een gezegde is dat betekent dat zij van adel is en dus geboren is in een
        voorname familie.
  40. NL.499 Begrijpen L3 L4 L5 L6 L4 1.4.3; L6 1.4.3

    Begrijpen in lees- en luistersituaties de letterlijke en figuurlijke betekenis van woorden en woordgroepen.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Figuurlijk taalgebruik

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Figuurlijke betekenis:
    uitdrukkingen

    Te hanteren begrippen

    letterlijk, figuurlijk, de uitdrukking, het figuurlijk taalgebruik

    Voorbeelden

    Figuurlijke betekenis:
    • In het beluisterde nieuwsbericht horen de kinderen een geïnterviewd persoon
        zeggen: ‘Genoeg is genoeg!’. Ze denken samen na over de betekenis van deze
        uitdrukking en komen tot de conclusie dat het betekent dat die persoon het beu is.
    • De kinderen beluisteren een interview met een bekend persoon. Als antwoord op
        een vraag van de interviewer antwoordt de persoon: ‘Dat is de hamvraag.’ De
        leerkracht verduidelijkt dat de ‘hamvraag’ de vraag is waar het allemaal om draait.
    • In een aflevering van het jeugdjournaal zegt de sportjournalist dat de atleet ‘de
        handdoek in de ring gooit’. De meester legt uit dat dit spreekwoord betekent dat de
        atleet het opgeeft en niet verder deelneemt aan de wedstrijd.
    • In de tekst lezen de kinderen dat het hoofdpersonage ‘groen’ is. De leerkracht legt
        uit dat ‘groen’ meerdere betekenissen kan hebben. Groen is letterlijk een kleur.
        Maar het kan figuurlijk als betekenis jong of milieubewust hebben.
    • Aan het einde van het verhaal leest Timon: ‘na regen komt zonneschijn’. Hij zoekt
        het spreekwoord op in het online spreekwoordenboek en komt te weten dat het
        betekent dat na alle tegenslag alles weer goed komt.
  41. NL.500 Engageren K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.4.3; L6 1.4.3

    Reflecteren over de figuurlijke betekenis van woorden en woordgroepen.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Figuurlijk taalgebruik

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Reflecteren:
    • met elkaar
    • in verschillende lees- en luistercontexten
  42. NL.501 Begrijpen K3 L1 L4 1.4.1

    Herkennen samenstellingen.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordvorming

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Samenstellingen:
    De leerkracht toont verschillende soorten ballen en zegt daarbij het woord ‘bal’. ‘Hoe
    weten jullie nu welke bal ik bedoel?’ De kinderen merken wellicht op dat er een voetbal,
    een tennisbal en een basketbal liggen. De leerkracht modelleert dat je een basketbal
    kan aanduiden door niet alleen ‘bal’ te zeggen, maar er het woorddeel ‘basket’ aan toe
    te voegen: ‘Wanneer ik een ander deel aan het woord bal toevoeg weet ik welke bal het
    precies is, de basket-bal!’ Samen met de kleuters ontdekt de leerkracht dat er nog
    andere delen aan het woord ‘bal’ kunnen toegevoegd worden om precies te kunnen
    zeggen over welke bal het gaat.
  43. NL.502 Begrijpen L2 L3 L4 1.4.1; L4 1.4.9

    Herkennen samenstellingen.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordvorming

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de samenstelling

    Voorbeelden

    Samenstellingen:
    • /korfbal/ bestaat uit /korf/+/bal/
    • /zaalvoetbal/ bestaat uit /zaal/+/voet/+/bal/
  44. NL.503 Begrijpen L4 L4 1.4.1; L4 1.4.9; L6 1.4.7

    Benoemen het grondwoord in afleidingen.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordvorming

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de afleiding, het grondwoord

    Voorbeelden

    Afleidingen:
    • Bij /onschuldig/ is /schuldig/ het grondwoord
    • Bij /dagelijks/ is /dag/ het grondwoord
  45. NL.504 Begrijpen L5 L6 L6 1.4.7

    Benoemen de structuur bij afleidingen.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordvorming

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    het voorvoegsel, het achtervoegsel
  46. NL.505 Begrijpen L3 L4 L4 1.4.9

    Begrijpen in lees- en schrijfsituaties vormelijke kenmerken van verbuigingen.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordvorming

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vormelijke kenmerken van verbuigingen:
    • bij bijvoeglijke naamwoorden
    • bij trappen van vergelijking

    Te hanteren begrippen

    de verbuiging, het bijvoeglijk naamwoord

    Voorbeelden

    Vormelijke kenmerken van verbuigingen:
    • Een spannend boek, het spannende boek
    • Spannend, spannender, spannendst
  47. NL.506 Engageren L3 L4 L4 1.4.4

    Zetten hun kennis van woorden genuanceerd en gepast in.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordvorming

  48. NL.507 Engageren L5 L6 L6 1.4.3

    Zetten woorden genuanceerd en gepast in.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordvorming

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Genuanceerd en gepast:
    met steeds hogere abstractiegraad en figuurlijk taalgebruik
  49. NL.508 Begrijpen L2 L3 L4 L4 1.4.9

    Herkennen het getal van zelfstandige naamwoorden.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordvorming

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Getal:
    • enkelvoud
    • meervoud

    Te hanteren begrippen

    het enkelvoud, het meervoud
  50. NL.509 Begrijpen L3 L4 L4 1.4.9

    Herkennen in lees- en schrijfsituaties de vervoeging van een werkwoord.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordvorming

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vervoeging werkwoord:
    • eerste persoon enkelvoud en meervoud (ik en wij)
    • tweede persoon enkelvoud en meervoud (jij, u en jullie)
    • derde persoon enkelvoud en meervoud (hij, zij, het en zij)

    Te hanteren begrippen

    de vervoeging
  51. NL.510 Begrijpen L3 L4 L4 1.4.17

    Verwoorden basisverschillen tussen formele en informele taal.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Formeel en informeel taalgebruik

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    formeel taalgebruik, informeel taalgebruik

    Voorbeelden

    Formele en informele taal:
    • formeel: Een onbekende volwassene in een interview aanspreken met ‘U’.
    • informeel: Jongerentaal gebruiken om een spannende anekdote aan vrienden te
        vertellen.
  52. NL.511 Begrijpen L5 L6 L6 1.4.2

    Duiden formele en informele taal.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Formeel en informeel taalgebruik

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    formeel taalgebruik, informeel taalgebruik
  53. NL.512 Engageren L3 L4 L5 L6 L4 1.4.17; L6 1.4.2

    Zetten hun kennis over formele en informele taal in overeenstemming met de context in.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Formeel en informeel taalgebruik

  54. NL.513 Begrijpen K2 K3 KO 1.4.4

    Illustreren rijm in verschillende contexten.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Klanken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    In verschillende contexten:
    • rijmpje, raadsel, liederen

    Te hanteren begrippen

    het rijm, rijmen
  55. NL.514 Begrijpen K3 L1 KO 1.4.4; L4 1.4.8

    Illustreren de woordopbouw van klank tot woord.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Klanken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Woordopbouw:
    de klank, de letter, de klankgroep, het woord, het woorddeel

    Te hanteren begrippen

    de klank, de letter, de klankgroep, het woord, het woorddeel
  56. NL.515 Begrijpen L2 L3 L4 L4 1.4.7

    Illustreren de uitspraak van klanken in het Standaardnederlands.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Klanken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Klanken:
    korte klanken, lange klanken, tweetekenklanken en medeklinkers

    Te hanteren begrippen

    de korte klank, de lange klank, de tweetekenklinker, de klinker, de medeklinker, de
    uitspraak
  57. NL.516 Gebruiken K2 K3 KO.; 1.4.5

    Passen basiselementen van taalsysteem toe in spelsituaties.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Klanken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Basiselementen van taalsysteem:
    klanken, klankgroepen, rijm, letter- en cijfersymbolen, klanktekenkoppeling, woorden
  58. NL.517 Engageren L4 L4 1.4.8; L4 1.4.11

    Reflecteren op het alfabetisch principe en de klanktekenkoppeling.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Klanken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Het alfabetisch principe
    Het alfabetisch principe is het inzicht dat gesproken woorden zijn opgebouwd uit
    afzonderlijke klanken en dat die klanken in geschreven taal worden weergegeven door
    letters of lettercombinaties.
    
    Klanktekenkoppeling
    De klanktekenkoppeling is het kunnen koppelen van een gesproken klank aan het
    bijbehorende letterteken en omgekeerd (een letterteken herkennen en de bijbehorende
    klank uitspreken).

    Te hanteren begrippen

    het alfabetisch principe, de klanktekenkoppeling
  59. NL.518 Begrijpen K3 L4 1.4.8

    Herkennen interpunctietekens en hoofdletters in een gelezen tekst.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Interpunctietekens, woordtekens en hoofdletters

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Interpunctietekens en hoofdletters:
    • de kleine letter
    • de hoofdletter
    • het punt
  60. NL.519 Begrijpen L1 L4 1.4.8

    Benoemen hoofdletters in een gelezen tekst.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Interpunctietekens, woordtekens en hoofdletters

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de kleine letter, de hoofdletter
  61. NL.520 Begrijpen L1 L4 1.4.8

    Benoemen interpunctietekens in een tekst.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Interpunctietekens, woordtekens en hoofdletters

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Benoemen:
    inclusief functie
    
    Interpunctietekens:
    het punt

    Te hanteren begrippen

    het leesteken, het punt
  62. NL.521 Begrijpen L1 L2 L4 1.4.8

    Benoemen interpunctietekens in een tekst.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Interpunctietekens, woordtekens en hoofdletters

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Benoemen:
    inclusief functie
    
    Interpunctietekens:
    het uitroepteken, het vraagteken

    Te hanteren begrippen

    het uitroepteken, het vraagteken
  63. NL.522 Begrijpen L2 L3 L4 L4 1.4.8

    Benoemen interpunctietekens in een tekst.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Interpunctietekens, woordtekens en hoofdletters

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Benoemen:
    inclusief functie
    
    Interpunctietekens:
    het dubbele punt, de komma

    Te hanteren begrippen

    het dubbele punt, de komma
  64. NL.523 Begrijpen L5 L6 L6 1.4.5

    Benoemen interpunctietekens in een tekst.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Interpunctietekens, woordtekens en hoofdletters

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Benoemen:
    inclusief functie
    
    Interpunctietekens:
    de dubbele aanhalingstekens, de haakjes

    Te hanteren begrippen

    de dubbele aanhalingstekens, de haakjes
  65. NL.524 Begrijpen L1 L2 L3 L4 1.4.8

    Benoemen de witruimte tussen woorden als spatie.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Interpunctietekens, woordtekens en hoofdletters

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Benoemen:
    Inclusief functie

    Te hanteren begrippen

    de spatie
  66. NL.525 Begrijpen L4 L4 1.4.8

    Benoemen de kantlijn op gelijnd papier.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Interpunctietekens, woordtekens en hoofdletters

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Benoemen:
    inclusief functie

    Te hanteren begrippen

    de kantlijn
  67. NL.526 Begrijpen L5 L6 L6 1.4.5

    Benoemen woordtekens.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Interpunctietekens, woordtekens en hoofdletters

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Woordtekens:
    het trema, het koppelteken, de apostrof, het accent, soorten afkortingen

    Te hanteren begrippen

    het trema, het koppelteken, de apostrof, het accent, de afkorting
  68. NL.527 Begrijpen L1 L4 1.4.9

    Benoemen woordsoorten.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: woordsoorten en werkwoorden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Woordsoorten:
    • eigennamen
    • lidwoorden
    • telwoorden

    Te hanteren begrippen

    de eigennaam, het lidwoord, het telwoord
  69. NL.528 Begrijpen L1 L2 L4 1.4.9

    Begrijpen in leessituaties de taalverrijkende functie van bijvoeglijke naamwoorden.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: woordsoorten en werkwoorden

  70. NL.529 Begrijpen L2 L3 L4 1.4.9

    Benoemen woordsoorten en woordvormen.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: woordsoorten en werkwoorden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Woordsoorten:
    • zelfstandige naamwoorden
    • bijvoeglijke naamwoorden
    • voorzetsels
    
    Woordvormen:
    • verkleinwoorden

    Te hanteren begrippen

    het bijvoeglijk naamwoord, het zelfstandig naamwoord, het voorzetsel, het verkleinwoord
  71. NL.530 Begrijpen L3 L4 L5 L6 L4 1.4.9; L6 1.4.7

    Benoemen woordsoorten en woordvormen.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: woordsoorten en werkwoorden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Woordsoorten:
    • voegwoorden
    • werkwoorden
    
    Woordvormen:
    • verkleinwoorden

    Te hanteren begrippen

    het voegwoord, het werkwoord
  72. NL.531 Begrijpen L5 L6 L6 1.4.6

    Benoemen woordsoorten.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: woordsoorten en werkwoorden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Woordsoorten:
    voornaamwoorden

    Te hanteren begrippen

    het voornaamwoord
  73. NL.532 Begrijpen L5 GO!-doel

    Herkennen een werkwoord met een vast voorzetsel.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: woordsoorten en werkwoorden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Werkwoord met een vast voorzetsel:
    • zich bemoeien met
    • genieten van
  74. NL.533 Begrijpen L3 L4 L4 1.4.9

    Beschrijven de onvoltooid tegenwoordige tijd van het werkwoord.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: woordsoorten en werkwoorden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    het werkwoord, de tegenwoordige tijd
  75. NL.534 Begrijpen L3 L4 L4 1.4.9

    Beschrijven de onvoltooid verleden tijd van het werkwoord.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: woordsoorten en werkwoorden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de verleden tijd
  76. NL.535 Begrijpen L3 L4 L5 L6 L4 1.4.9

    Beschrijven de voltooid tegenwoordige tijd van het werkwoord.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: woordsoorten en werkwoorden

  77. NL.536 Begrijpen L3 L4 L5 L6 L4 1.4.9

    Beschrijven de voltooid verleden tijd van het werkwoord.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: woordsoorten en werkwoorden

  78. NL.537 Begrijpen L5 L6 L6 1.4.6

    Beschrijven de toekomende tijd van het werkwoord.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: woordsoorten en werkwoorden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de toekomende tijd
  79. NL.538 Begrijpen L3 L4 L5 L6 L6 1.4.6

    Beschrijven het voltooid deelwoord.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: woordsoorten en werkwoorden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    het voltooid deelwoord
  80. NL.539 Begrijpen L3 L4 L4 1.4.9; L6 1.4.7

    Beschrijven de vorming van werkwoorden.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: woordsoorten en werkwoorden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vorming van werkwoorden:
    • de tegenwoordige tijd
    • de verleden tijd

    Te hanteren begrippen

    de stam, de uitgang, de infinitief, de vervoeging
  81. NL.540 Begrijpen L5 L6 L6 1.4.6; L6 1.4.8

    Beschrijven de vorming van werkwoordsvormen.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: woordsoorten en werkwoorden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Werkwoordsvormen:
    • de toekomende tijd
    • de gebiedende wijs
  82. NL.541 Gebruiken L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.4.9; L4 1.4.11; L6 1.4.6; L6 1.4.9

    Analyseren woorden.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: woordsoorten en werkwoorden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Woorden:
    • woordvorming
    • woordsoorten
    • werkwoorden
  83. NL.542 Begrijpen L1 L4 1.4.10

    Beschrijven de structuur van verschillende soorten zinnen.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: zinnen en zinsdelen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Zinnen:
    • de mededelende zin, de vragende zin
    
    Structuur:
    • juiste woordvolgorde: met woorden op de juiste plaats in de zin, afgestemd op de soort
        zin

    Te hanteren begrippen

    de zin, de mededelende zin
  84. NL.543 Begrijpen L2 L3 L4 L4 1.4.10

    Beschrijven de structuur van verschillende soorten zinnen.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: zinnen en zinsdelen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Zinnen:
    • de mededelende zin, de vragende zin, de uitroepende zin
    
    Structuur:
    • juiste woordvolgorde: met woorden op de juiste plaats in de zin, afgestemd op de soort
        zin

    Te hanteren begrippen

    de mededelende zin, de vragende zin, de uitroepende zin
  85. NL.544 Begrijpen L5 L6 1.4.8

    Beschrijven de structuur van verschillende soorten zinnen.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: zinnen en zinsdelen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Soorten zinnen:
    • ontkennende zin
    • enkelvoudige en samengestelde zinnen
    
    Structuur:
    • juiste woordvolgorde: met woorden op de juiste plaats in de zin, afgestemd op de soort
        zin

    Te hanteren begrippen

    de ontkennende zin, de enkelvoudige zin, de samengestelde zin
  86. NL.545 Begrijpen L6 L6 1.4.8

    Beschrijven de structuur van verschillende soorten zinnen.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: zinnen en zinsdelen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Zinnen:
    • Soorten zinnen: gebiedende wijs
    
    Structuur:
    • juiste woordvolgorde: met woorden op de juiste plaats in de zin, afgestemd op de soort
        zin

    Te hanteren begrippen

    de gebiedende wijs
  87. NL.546 Begrijpen K2 K3 GO!-doel

    Herkennen dat zinnen uit woorden bestaan.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: zinnen en zinsdelen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Zinnen:
    • Iemand trekt de startkaart met een prent van een poes en zegt: ‘De poes’. De volgende
        trekt de kaart met een afbeelding van ‘zitten’ en zegt ‘zit’, de volgende trekt de kaart
        met een afbeelding van ‘op’, de laatste trekt de kaart met ‘de stoel.’ De leraar vraagt:
        Hoe is de volledige zin? “De poes zit op de stoel.” De leraar vraagt vervolgens: “Hoe
        kunnen we deze zin “De poes zit op de stoel.” nog langer maken?”
    • “Hoor het woord in de zin”: de leraar toont een prent van een hond en zegt: “Ik ga een
        paar zinnen zeggen. Als je het woord ‘hond’ in een zin hoort dan roep je ‘waf’.
  88. NL.547 Begrijpen L3 L4 L4 1.4.10

    Benoemen het onderwerp en de persoonsvorm in een zin.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: zinnen en zinsdelen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de zin, het onderwerp, de persoonsvorm

    Voorbeelden

    Onderwerp en persoonsvorm:
    • Hij speelt buiten. ‘Speelt’ is de persoonsvorm. ‘Hij’ is het onderwerp
    • Hugo kijkt zijn werk grondig na. ‘Kijkt ... na’ is de persoonsvorm. ‘Hugo’ is het
        onderwerp.
  89. NL.548 Begrijpen L4 L4 1.4.10

    Benoemen het gezegde in een zin.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: zinnen en zinsdelen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gezegde:
    • wat er gebeurt
    • wat iemand doet

    Te hanteren begrippen

    het gezegde, het zinsdeel
  90. NL.549 Begrijpen L5 L6 L6 1.4.8

    Benoemen het lijdend voorwerp in een zin.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: zinnen en zinsdelen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Lijdend voorwerp:
    wat (of wie)? + gezegde + onderwerp

    Te hanteren begrippen

    het lijdend voorwerp
  91. NL.550 Begrijpen L5 L6 L6 1.4.8

    Benoemen het meewerkend voorwerp in een zin.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: zinnen en zinsdelen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Meewerkend voorwerp:
    aan/voor wie? + gezegde + onderwerp?

    Te hanteren begrippen

    het meewerkend voorwerp
  92. NL.551 Begrijpen L6 L6 1.4.8

    Benoemen het naamwoordelijk gezegde in een zin.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: zinnen en zinsdelen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Naamwoordelijk gezegde:
    koppelwerkwoord + bijvoeglijk naamwoord of zelfstandig naamwoord dat iets over het
    onderwerp zegt

    Te hanteren begrippen

    het naamwoordelijk gezegde

    Voorbeelden

    Naamwoordelijk gezegde:
    • Tom is gelukkig. ‘Is gelukkig’ is het naamwoordelijk gezegde.
    • Die foto lijkt nep. ‘Lijkt nep’ is het naamwoordelijk gezegde
  93. NL.552 Begrijpen L6 L6 1.4.8

    Benoemen het werkwoordelijk gezegde in een zin.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: zinnen en zinsdelen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Werkwoordelijk gezegde:
    alle werkwoorden in de zin die samen aangeven wat er gebeurt of wordt gedaan

    Te hanteren begrippen

    het werkwoordelijk gezegde

    Voorbeelden

    Werkwoordelijk gezegde
    • Wij hebben een boek gelezen. ‘hebben gelezen’ is het werkwoordelijk gezegde.
    • Wat heb ik goed geslapen! ‘heb geslapen’ is het werkwoordelijk gezegde.
  94. NL.553 Gebruiken L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.4.10; L4 1.4.11; L6 1.4.8; L6 1.4.9

    Analyseren zinnen en zinsdelen.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: zinnen en zinsdelen

  95. NL.554 Begrijpen K1 K2 K3 L1 L2 KO 1.4.6

    Begrijpen verbale en non-verbale elementen van taal.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Non-verbale elementen:
    • mimiek
    • lichaamstaal
    • intonatie
  96. NL.555 Begrijpen L3 L4 L4 1.4.1; 3

    Beschrijven elementen van non-verbale communicatie.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Non-verbale communicatie:
    • mimiek
    • lichaamstaal
    • intonatie

    Te hanteren begrippen

    de intonatie, de mimiek, de lichaamstaal
  97. NL.556 Engageren K1 K2 K3 L1 L2 L3 L4 KO 1.4.6; L4 1.4.1; 3

    Reflecteren over non-verbaal taalgebruik.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap

  98. NL.557 Begrijpen K2 K3 L1 KO 1.4.7

    Herkennen dat er verschillende talen en taalvariëteiten zijn.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap

  99. NL.558 Gebruiken K2 K3 L1 KO 1.4.7

    Interpreteren verschillen bij de uitspraak van gelijkende klanken in verschillende talen en taalvariëteiten.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Klanken in andere taalvariëteiten en talen:
    • Spaanse rollende [r], Franse huig-[r] en de Nederlandse tongpunt-[r]
    • de zachte [g] in Vlaanderen en de harde [g] in Nederland
  100. NL.559 Begrijpen L2 L3 L4 L4 1.4.1; 2; 3; 4

    Herkennen talen en taalvariëteiten.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Taalvariëteiten:
    • dialect
    • Standaardnederlands
    • jongerentaal
    • vaktaal
    • formele en informele

    Te hanteren begrippen

    het dialect, het Standaardnederlands, de jongerentaal, de vaktaal, de formele taal, de
    informele taal
  101. NL.560 Begrijpen L5 L6 L6 1.4.1; 1

    Herkennen talen en taalvariëteiten.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Taalvariëteiten:
    • tussentaal
    • vreemde taal

    Te hanteren begrippen

    de tussentaal, de vreemde taal
  102. NL.561 Gebruiken L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.4.1; 2; 4; L6 1.4.1; 1

    Vergelijken het uitspreken van letters bij verschillende talen en taalvariëteiten.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Uitspreken van letters bij verschillende talen en taalvariëteiten:
    • Hoewel de [oe]-klank in meerdere talen wordt gebruikt, wordt die niet altijd met
        dezelfde lettertekens geschreven. Zo worden volgende letters of lettercombinaties in
        vreemde talen soms als [oe] uitgesproken: /oo/ in het Engels (bv. ‘room’ – kamer) en
        /u/ in het Italiaans (bv. ‘duro’ - moeilijk.)
    • In sommige vreemde talen is er geen verschil in uitspraak tussen ‘p’ en ‘b’.
  103. NL.562 Gebruiken L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.1.2; L4 1.4.1; 2; 3; 4; L6 1.4.1; 1

    Gebruiken hun kennis van talen en taalvariëteiten.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gebruiken:
    om vlotter te lezen in het Standaardnederlands

    Voorbeelden

    Letters en woorden in andere taalvariëteiten en talen:
    • Sommige woorden klinken in verschillende taalvariëteiten en talen ongeveer
        hetzelfde als in het Nederlands, zoals /polis/(dialect) en /politie/, /schreiben/ (Duits)
        en /schrijven/, /sucre/ (Frans) en /suiker/, /welcome/ (Engels) en /welkom/…
    • De Zweedse letter /å/ klinkt hetzelfde als de Nederlandse letter /o/.
    • De Nederlandse letter /u/ wordt in het Spaans uitgesproken als [oe].
  104. NL.563 Engageren K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 KO 1.4.7; L4 1.4.1; 2; 3; 4; L6 1.4.1; 1

    Reflecteren over talen en taalvariëteiten.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap

  105. NL.564 Begrijpen L4 L4 1.4.1; 6

    Herkennen dat taal evolueert doorheen de tijd.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Taal evolueert:
    • woordenschat verandert: nieuwe woorden, verandering van woordbetekenis
    • spelling en uitspraak veranderen
    • taalsysteem (grammatica) verandert

    Voorbeelden

    Woordenschat verandert:
    Ketnet en Karrewiet organiseren in samenwerking met Van Dale een stemming om het
    nieuwe kinder- en tienerwoord van het jaar te kiezen.
    Spelling verandert:
    Het woord ‘elektriciteit’ mocht je vroeger, voor 1995, ook met een ‘c’ schrijven:
    ‘electriciteit’.
    Taalsysteem (grammatica) verandert:
    800 jaar geleden waren er 4 werkwoordsvormen, nu zijn er nog drie:
        ic gheve ik geef
        du gheves jij geeft
        hi ghevet hij geeft
        wi gheven wij geven
        ghi ghevet jullie geven
        si gheven zij geven
  106. NL.565 Begrijpen L5 L6 L6 1.4.1; 3

    Herkennen dat taal evolueert doorheen de tijd.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Taal evolueert:
    • in betekenis
    • in vorm en grammatica
    • in klank en uitspraak
    • onder invloed van cultuur, technologie en maatschappij

    Voorbeelden

    In betekenis:
    Oorspronkelijk betekende ‘een paar’ een tweetal; gaandeweg kreeg ‘een paar’ ook de
    betekenis van enkele.
    In vorm en grammatica:
    De vorm ’s ochtends komt van het vroegere ‘des ochtends’; de apostrof in ’s duidt op de
    gemiste ‘de’.
    In klank en uitspraak:
    Het vroegere ‘ghi’ is het huidige ‘jij’ en het vroeger ‘wi’ is het huidige ‘wij’.
    Onder invloed van cultuur, technologie en maatschappij:
    Technologie beïnvloedt onze taal: nieuwe taalvormen zoals emoji’s en afkortingen
    ontstaan.
  107. NL.566 Engageren L4 L5 L6 L4 1.4.1; 6; L6 1.4.1; 3

    Reflecteren over de evolutie van taal doorheen de tijd.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap

  108. NL.567 Begrijpen L3 L4 L4 1.4.1; 5; 7

    Herkennen hoe interpretatie van teksten beïnvloed wordt.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Beïnvloeden:
    • taalgebruik
    • woordkeuze
    • afbeeldingen
  109. NL.568 Begrijpen L4 L4 1.4.1; 4; 5; 7

    Beschrijven de invloed van de leeftijd en het beroep op de taal van de gebruiker.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Invloed:
    • De papa van Shauny is loodgieter. Shauny legt in de klas uit dat het water in de
        gootsteen waarschijnlijk niet goed doorloopt omdat de ‘sifon’ vol met vuil zit.
    • De kinderen van het vierde leerjaar zeggen tegen de meester dat het ‘cringe’ is als hij
        jongerentaal probeert te gebruiken.
  110. NL.569 Begrijpen L5 L6 L6 1.4.1; 2

    Beschrijven de invloed van plaats en cultuur op de boodschap.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Plaats en cultuur:
    • plaats
    • leefmilieu
    • tijdsgeest
    • normen en waarden
    • stereotypen en vooroordelen

    Voorbeelden

    Invloed van plaats op de boodschap:
    Als schrijver met een Oosterse achtergrond schrijft Nayan zijn verhaal dat zich afspeelt in
    Azië op een andere manier dan iemand die deze ervaring niet heeft. (plaats)
    Invloed van cultuur op de boodschap:
    Idris en Freya schrijven elk een gedicht over hun oma. Freya beschrijft haar oma als
    grappig, vergeetachtig en een beetje onhandig. Idris beschrijft zijn oma als een wijs
    persoon die goede raad geeft. De benadering van beide kinderen reflecteert de normen
    en waarden die in hun families gangbaar zijn ten aanzien van ouderen. Freya benadert
    haar oma als een oud persoon die eerder hulpbehoevend is. Idris benadert zijn oma als
    iemand met levenswijsheid, waar hij veel respect voor toont. (normen en waarden)
  111. NL.570 Engageren L3 L4 L5 L6 L4 1.4.1; 4; 5; 7; L6 1.4.1; 2

    Reflecteren over beïnvloedende factoren bij de interpretatie van teksten.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap

  112. NL.571 Begrijpen L3 L4 L6 1.4.1; 4

    Herkennen dat het Nederlands tot een taalfamilie behoort.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Nederlandse taalfamilie:
    • De leerkracht zegt ‘Ich weiss es nicht’, herhaalt dit een keer en vraagt de leerlingen
        of ze hebben verstaan wat hij net zei. Daarop vraagt hij hoe het zou komen dat ze de
        zin in het Duits toch min of meer begrepen hebben. De kinderen concluderen dat het
        Nederlands en het Duits op elkaar lijken. De leerkracht legt uit dat dat komt omdat
        beide talen tot dezelfde taalfamilie behoren omdat ze beiden afstammen van
        dezelfde taal, het Germaans.
    • De leerlingen lezen een Zuid-Afrikaans versje: “Die son skyn so helder, die vogels
        sing.” De leerlingen merken op dat ze dit vers kunnen verstaan wanneer ze het
        luidop voorlezen. De leerkracht legt uit dat dat komt omdat het Zuid-Afrikaans een
        taal is die afstamt van het Nederlands en dat beide talen tot de Germaanse
        taalfamilie behoren.
  113. NL.572 Gebruiken K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.4.1; 4; L6 1.4.1; 5

    Vergelijken het Standaardnederlands met verschillende talen en taalvariëteiten.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Verschillen en overeenkomsten:
    • woordenschat
    • uitspraak
    • schrifttekens

    Voorbeelden

    • Marie-Laure beluistert woorden in enkele vreemde talen. Ze merkt op dat sommige
        woorden ongeveer hetzelfde klinken: ‘sucre’ lijkt op ‘suiker’, ‘wasser’ lijkt op ‘water’
        en ‘tea’ lijkt op ‘thee’. (woordenschat)
    • Alex komt uit Chili. Hij spreekt thuis Spaans. Hij vertelt dat de ‘bus’ in Chili ook de
        ‘bus’ is, alleen verschilt de uitspraak: in Chili zeggen ze [boes], in het Nederlands is
        dat [bus]. (uitspraak)
    • Ben is gek op manga, Japanse strips. In de kring vertelt hij dat het in het begin wel
        aanpassen was om een boek van achter naar voor te lezen. De strips zijn in het
        Engels geschreven, maar er staan ook Japanse schrifttekens in. Hij vertelt dat het
        woord manga er zo uit ziet: 漫画 (schrifttekens)
  114. NL.573 Begrijpen L1 L2 L4 1.4.1; 3

    Benoemen factoren van het communicatiemodel.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Factoren van het communicatiemodel:
    • de zender
    • de ontvanger

    Te hanteren begrippen

    de zender, de ontvanger
  115. NL.574 Begrijpen L3 L4 L4 1.4.1; 3

    Benoemen factoren van het communicatiemodel.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Factoren van het communicatiemodel:
    • de boodschap
    • het kanaal

    Te hanteren begrippen

    de boodschap, het kanaal, de communicatie, het communicatiemodel
  116. NL.575 Begrijpen L5 L6 L6 1.4.1; 0

    Benoemen factoren van het communicatiemodel.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Factoren van het communicatiemodel:
    • het doel
    • het medium
    • het effect

    Te hanteren begrippen

    het doel, het medium, het effect
  117. NL.576 Begrijpen L6 L6 1.4.1; 3

    Illustreren de verandering van informatiebronnen doorheen de tijd.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Verandering van informatiebronnen:
    de orale vertelcultuur, het schrift, de boekdrukkunst, de radio, de televisie, de digitale
    media