117 doelen
vak: NL ✕ Taalsysteem en taalgebruik ✕
-
Begrijpen basiswoordenschat.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Basiswoordenschat: • woordenschat met betrekking tot de leefomgeving en de school • Inhoudswoorden • functiewoorden
Voorbeelden
Inhoudswoorden: stoel, bouwen, eten Functiewoorden: want, naast, nu, maar
-
Gebruiken basiswoordenschat.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Basiswoordenschat: • woordenschat met betrekking tot de leefomgeving en de school • Inhoudswoorden • Functiewoorden
-
Begrijpen basiswoordenschat*.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Basiswoordenschat: • inhoudswoorden • functiewoorden • woorden met meerdere betekenissen
Voorbeelden
Inhoudswoorden: stoel, bouwen, eten Functiewoorden: want, naast, nu, maar Woorden met meerdere betekenissen: arm, bloem, pad, blik, blad *woordenschat met betrekking tot de leefomgeving en de school
-
Gebruiken basiswoordenschat.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Basiswoordenschat: • woordenschat met betrekking tot de leefomgeving en de school • inhoudswoorden • functiewoorden • woorden met meerdere betekenissen
-
Herkennen eenvoudige school- en instructietaal.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Eenvoudige school-en instructietaal: • binnen de context van de activiteiten, vakspecifieke kennis, voorkennis en ervaring • inhoudswoorden • functiewoorden
Voorbeelden
Inhoudswoorden: bank, kijken Functiewoorden: want, naast, nu, maar
-
Gebruiken eenvoudige school- en instructietaal.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Eenvoudige school-en instructietaal: • binnen de context van de activiteiten, vakspecifieke kennis, voorkennis en ervaring • inhoudswoorden • functiewoorden
-
Begrijpen eenvoudige school- en instructietaal.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Eenvoudige school- en instructietaal: • binnen de context van de activiteiten, vakspecifieke kennis, voorkennis en ervaring • inhoudswoorden • uitdrukkingen • functiewoorden • woorden met meerdere betekenissen
Voorbeelden
School- en instructietaal: • Neem het penseel. • Hang je jas aan de kapstok en ga in de rij staan.
-
Gebruiken eenvoudige school- en instructietaal.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Eenvoudige school- en instructietaal: • binnen de context van de activiteiten, vakspecifieke kennis, voorkennis en ervaring • inhoudswoorden • functiewoorden • woorden met meerdere betekenissen
-
Gebruiken een steeds uitgebreidere woordenschat.*
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Uitgebreide woordenschat: nieuw geleerde woorden, zowel school- als instructietaal *onder begeleiding
-
Begrijpen school- en instructietaal.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
School- en instructietaal: • inhoudswoorden • uitdrukkingen • functiewoorden • woorden met meerdere betekenissen
Voorbeelden
School- en instructietaal: functie, gevolg van, tenzij, ondanks, verklaren, omcirkelen, toch, dus, behandelen, vorm (tekst of voorwerp), vergelijken
-
Gebruiken school- en instructietaal.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
School- en instructietaal: in verschillende vakken
-
Begrijpen vaktaal.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Vaktaal: • binnen de context van de activiteiten, vakspecifieke kennis, voorkennis en ervaring • relevante themawoordenschat • vakspecifieke taal
-
Gebruiken vaktaal.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Vaktaal: • binnen de context van de activiteiten, vakspecifieke kennis, voorkennis en ervaring • relevante themawoordenschat • vakspecifieke taal
-
Begrijpen vaktaal.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
-
Begrijpen vaktaal.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Te hanteren begrippen
de vaktaal
-
Gebruiken vaktaal.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
-
Tonen hun kennis van school-, instructie- en vaktaal in verschillende contexten.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Voorbeelden
• Fons zit nog maar pas in de Ravenklas (K2-K3). Hij mag van de juf een vriendje aanduiden waarmee hij samen een taak gaat doen. Fons begrijpt het woord ‘aanduiden’ en wijst naar zijn vriend Rune, die een jaartje ouder is. (instructietaal) • In het vijfde leerjaar lezen de leerlingen boeken die binnen het brede thema ‘kracht en beweging’ passen. Kyona leest een boek waarin het hoofdpersonage een waterraket gaat bouwen. In het boek komen woorden voor zoals ‘kracht, beweging, massa, energie, snelheid en weerstand’. Kyona begrijpt deze woorden in de context van het boek omdat ze in de lessen over natuurverschijnselen hierover leerde. (vaktaal) -
Herkennen woordleerstrategieën in luistersituaties.*
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordleerstrategieën
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Woordleerstrategieën: • linken leggen met bekende woorden • de woordopbouw analyseren • de eigen bredere talenkennis inzetten om betekenissen af te leiden • de betekenis van woorden afleiden uit de context
Voorbeelden
De eigen bredere talenkennis inzetten: • Irene spreekt thuis Spaans. Wanneer ze met haar klasgenootjes in de keukenhoek speelt, maakt ze graag een woordgrapje: wanneer de andere kinderen haar vragen om de pan aan te geven, geeft ze een brood. In het Spaans betekent ‘pan’ immers brood! • Taner is een Turkse jongen die nog maar twee maanden op school is, maar hij kent het Nederlandse woord ‘suiker’ al! Dat is niet moeilijk want het Turkse woord ‘şeker’ (klinkt als ‘sjeek-èr’) lijkt heel erg op het Nederlandse woord ‘suiker’. Misschien zijn er nog meer Nederlandse en Turkse woorden die op elkaar lijken? *onder begeleiding -
Illustreren woordleerstrategieën in luister- en leessituaties.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordleerstrategieën
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Woordleerstrategieën: • om verduidelijking vragen • vergelijken met een bekend woord • de context inzetten • de eigen bredere talenkennis inzetten om betekenissen af te leiden • de woordopbouw analyseren
-
Illustreren woordleerstrategieën in luister- en leessituaties.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordleerstrategieën
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Woordleerstrategieën: • om verduidelijking vragen • vergelijken met een bekend woord • de context inzetten • de eigen bredere talenkennis inzetten om betekenissen af te leiden • de woordopbouw analyseren • belang van het woord in de tekst na gaan • hulpbron inzetten
-
Illustreren woordleerstrategieën in luister- en leessituaties.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordleerstrategieën
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Woordleerstrategieën: • om verduidelijking vragen • vergelijken met een bekend woord • de context inzetten • de eigen bredere talenkennis inzetten om betekenissen af te leiden • de woordopbouw analyseren • belang van het woord in de tekst na gaan • hulpbron inzetten • vreemdetalenkennis inzetten
-
Gebruiken verklarende woordenlijsten en woordenboeken om de betekenis van woorden te achterhalen.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordleerstrategieën
-
Zetten woordleerstrategieën actief in op zoek naar nieuwe woordbetekenissen en relaties.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordleerstrategieën
-
Passen woordleerstrategieën toe*.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordleerstrategieën
-
Passen woordleerstrategieën toe.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordleerstrategieën
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Toepassen: • Om nieuwe woordbetekenissen en relaties te achterhalen uit gesproken context. • Om nieuwe woordbetekenissen en relaties te achterhalen uit geschreven context.
-
Herkennen betekenisrelaties tussen woorden.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Betekenisrelaties: • categorie en exemplaar (hyperoniem- hyponiem) • eenvoudige synoniemen • eenvoudige tegenstellingen (antoniemen) • veel gebruikte trappen van vergelijking
Voorbeelden
Betekenisrelaties: categorie en exemplaar: • Een appel (exemplaar) is een stuk fruit (categorie). • Het kleurpotlood (exemplaar) is tekengerief (categorie). Betekenisrelaties: eenvoudige synoniemen Mijn mama rijdt met de wagen; mijn mama rijdt met de auto. Betekenisrelaties: eenvoudige tegenstellingen Ik ben groot, mijn zus is klein. Betekenisrelaties: veel gebruikte trappen van vergelijking Die meloen is zwaarder dan de perzik. De pompoen is het zwaarst.
-
Herkennen betekenisrelaties tussen woorden.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Betekenisrelaties: context: beroep-handeling, gebeurtenis-plaats, tijd-gebeurtenis
Voorbeelden
Betekenisrelaties – context: • De kok doet zijn schort aan en neemt een braadpan. (beroep-handeling) • Zwemmen – het zwembad (gebeurtenis-plaats) • De ochtend – opstaan (tijd-gebeurtenis)
-
Begrijpen betekenisrelaties tussen woorden.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Betekenisrelaties: verwijswoorden: zij, hij, het, die, deze, dit, dat
Voorbeelden
Verwijswoorden: • Toen was zij nog een baby. > ‘zij’ verwijst naar een eerder vernoemd personage. • Oma wil graag de mooiste taart van de bakker, die met slagroom.
-
Illustreren betekenisrelaties tussen woorden.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Betekenisrelaties: vormrelatie - homoniemen (woorden die hetzelfde klinken maar iets anders betekenen)
Te hanteren begrippen
het homoniem
Voorbeelden
Vormrelatie – homoniemen: • Hij zit op de bank voor de bank. • Zij neemt de bal niet mee naar het bal.
-
Illustreren betekenisrelaties tussen woorden.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Betekenisrelaties: antoniemen
Te hanteren begrippen
het antoniem
Voorbeelden
Antoniemen: boven – onder, groot – klein, blij – verdrietig
-
Illustreren betekenisrelaties tussen woorden.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Betekenisrelaties: synoniemen
Te hanteren begrippen
het synoniem
Voorbeelden
Synoniemen: boos – kwaad, blij – vrolijk, snel – vlug, beginnen – starten
-
Illustreren betekenisrelaties tussen woorden.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Betekenisrelaties: trappen van vergelijking
Te hanteren begrippen
de trappen van vergelijking
Voorbeelden
Trappen van vergelijking: • Deze pizza is lekker, maar die pizza is lekkerder. • Het resultaat is goed, dit resultaat is beter, dat resultaat is het best.
-
Begrijpen gradaties in woordbetekenissen.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Gradaties in woordbetekenissen: woorden die de intensiteit van een eigenschap of actie weergeven
Voorbeelden
Woorden die de intensiteit van een eigenschap of actie weergeven: • Caro vindt de blauwe jurk prachtig! • Die danseres danst uitstekend!
-
Illustreren betekenisrelaties tussen woorden.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
betekenisrelaties tussen woorden: • hyponiemen • hyperoniem
Te hanteren begrippen
het hyponiem
Voorbeelden
Hyponiemen en hyperoniem: • ‘Dier’ is het hyperoniem. ‘Hond, kat, olifant’ zijn hyponiemen van ‘dier’. • ‘Vogel’, ‘zoogdier’, ‘reptiel’(hyponiemen) zijn ‘gewervelden’(hyperoniem). • ‘Tang’, ‘hamer’, ‘schroevendraaier’ (hyponiemen) zijn ‘gereedschappen’ (hyperoniem). -
Gebruiken betekenisrelaties tussen woorden.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
-
Gebruiken gradaties van woordbetekenissen.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
-
Reflecteren in luister- en leessituaties op verbanden tussen woorden en hun betekenis.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
-
Analyseren concrete en abstracte woorden in een gelezen tekst.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Abstractiegraad van woorden
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Concrete en abstracte woorden: hoe meer abstracte woorden gebruikt worden in een tekst, hoe complexer de tekst is
Voorbeelden
Concrete woorden: voetballer, appel, lopen, wakker, rood, lauw Abstracte woorden: verandering, democratie, analyseren, evalueren
-
Herkennen in lees- en luistersituaties de figuurlijke betekenis van woorden en woordgroepen.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Figuurlijk taalgebruik
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Figuurlijke betekenis: uitdrukkingen
Voorbeelden
figuurlijke betekenis van woorden en woordgroepen: • Het hoofdpersonage in het luisterverhaal wordt ‘een brave Hendrik’ genoemd. De meester legt uit dat dit een uitdrukking is voor een gehoorzaam iemand die zich netjes aan de regels houdt. • De juf leest een verhaal voor waarin wordt verteld dat een personage ‘met hart en ziel’ haar werk deed. Ze legt uit dat dit een gezegde is en dat het betekent dat het personage haar werk heel graag doet. • De juf leest een verhaal voor over ‘een buitenbeentje’. Ze legt uit dat het een uitdrukking is voor iemand die een beetje anders dan anderen is. • In de tekst lezen de kinderen dat prinses Elisabeth ‘blauw bloed’ heeft. De leerkracht legt uit dat prinses Elisabeth haar bloed niet blauw van kleur is, maar dat het een gezegde is dat betekent dat zij van adel is en dus geboren is in een voorname familie. -
Begrijpen in lees- en luistersituaties de letterlijke en figuurlijke betekenis van woorden en woordgroepen.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Figuurlijk taalgebruik
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Figuurlijke betekenis: uitdrukkingen
Te hanteren begrippen
letterlijk, figuurlijk, de uitdrukking, het figuurlijk taalgebruik
Voorbeelden
Figuurlijke betekenis: • In het beluisterde nieuwsbericht horen de kinderen een geïnterviewd persoon zeggen: ‘Genoeg is genoeg!’. Ze denken samen na over de betekenis van deze uitdrukking en komen tot de conclusie dat het betekent dat die persoon het beu is. • De kinderen beluisteren een interview met een bekend persoon. Als antwoord op een vraag van de interviewer antwoordt de persoon: ‘Dat is de hamvraag.’ De leerkracht verduidelijkt dat de ‘hamvraag’ de vraag is waar het allemaal om draait. • In een aflevering van het jeugdjournaal zegt de sportjournalist dat de atleet ‘de handdoek in de ring gooit’. De meester legt uit dat dit spreekwoord betekent dat de atleet het opgeeft en niet verder deelneemt aan de wedstrijd. • In de tekst lezen de kinderen dat het hoofdpersonage ‘groen’ is. De leerkracht legt uit dat ‘groen’ meerdere betekenissen kan hebben. Groen is letterlijk een kleur. Maar het kan figuurlijk als betekenis jong of milieubewust hebben. • Aan het einde van het verhaal leest Timon: ‘na regen komt zonneschijn’. Hij zoekt het spreekwoord op in het online spreekwoordenboek en komt te weten dat het betekent dat na alle tegenslag alles weer goed komt. -
Reflecteren over de figuurlijke betekenis van woorden en woordgroepen.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Figuurlijk taalgebruik
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Reflecteren: • met elkaar • in verschillende lees- en luistercontexten
-
Herkennen samenstellingen.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordvorming
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Voorbeelden
Samenstellingen: De leerkracht toont verschillende soorten ballen en zegt daarbij het woord ‘bal’. ‘Hoe weten jullie nu welke bal ik bedoel?’ De kinderen merken wellicht op dat er een voetbal, een tennisbal en een basketbal liggen. De leerkracht modelleert dat je een basketbal kan aanduiden door niet alleen ‘bal’ te zeggen, maar er het woorddeel ‘basket’ aan toe te voegen: ‘Wanneer ik een ander deel aan het woord bal toevoeg weet ik welke bal het precies is, de basket-bal!’ Samen met de kleuters ontdekt de leerkracht dat er nog andere delen aan het woord ‘bal’ kunnen toegevoegd worden om precies te kunnen zeggen over welke bal het gaat.
-
Herkennen samenstellingen.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordvorming
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Te hanteren begrippen
de samenstelling
Voorbeelden
Samenstellingen: • /korfbal/ bestaat uit /korf/+/bal/ • /zaalvoetbal/ bestaat uit /zaal/+/voet/+/bal/
-
Benoemen het grondwoord in afleidingen.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordvorming
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Te hanteren begrippen
de afleiding, het grondwoord
Voorbeelden
Afleidingen: • Bij /onschuldig/ is /schuldig/ het grondwoord • Bij /dagelijks/ is /dag/ het grondwoord
-
Benoemen de structuur bij afleidingen.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordvorming
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Te hanteren begrippen
het voorvoegsel, het achtervoegsel
-
Begrijpen in lees- en schrijfsituaties vormelijke kenmerken van verbuigingen.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordvorming
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Vormelijke kenmerken van verbuigingen: • bij bijvoeglijke naamwoorden • bij trappen van vergelijking
Te hanteren begrippen
de verbuiging, het bijvoeglijk naamwoord
Voorbeelden
Vormelijke kenmerken van verbuigingen: • Een spannend boek, het spannende boek • Spannend, spannender, spannendst
-
Zetten hun kennis van woorden genuanceerd en gepast in.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordvorming
-
Zetten woorden genuanceerd en gepast in.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordvorming
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Genuanceerd en gepast: met steeds hogere abstractiegraad en figuurlijk taalgebruik
-
Herkennen het getal van zelfstandige naamwoorden.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordvorming
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Getal: • enkelvoud • meervoud
Te hanteren begrippen
het enkelvoud, het meervoud
-
Herkennen in lees- en schrijfsituaties de vervoeging van een werkwoord.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordvorming
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Vervoeging werkwoord: • eerste persoon enkelvoud en meervoud (ik en wij) • tweede persoon enkelvoud en meervoud (jij, u en jullie) • derde persoon enkelvoud en meervoud (hij, zij, het en zij)
Te hanteren begrippen
de vervoeging
-
Verwoorden basisverschillen tussen formele en informele taal.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Formeel en informeel taalgebruik
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Te hanteren begrippen
formeel taalgebruik, informeel taalgebruik
Voorbeelden
Formele en informele taal: • formeel: Een onbekende volwassene in een interview aanspreken met ‘U’. • informeel: Jongerentaal gebruiken om een spannende anekdote aan vrienden te vertellen. -
Duiden formele en informele taal.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Formeel en informeel taalgebruik
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Te hanteren begrippen
formeel taalgebruik, informeel taalgebruik
-
Zetten hun kennis over formele en informele taal in overeenstemming met de context in.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Formeel en informeel taalgebruik
-
Illustreren rijm in verschillende contexten.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Klanken
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
In verschillende contexten: • rijmpje, raadsel, liederen
Te hanteren begrippen
het rijm, rijmen
-
Illustreren de woordopbouw van klank tot woord.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Klanken
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Woordopbouw: de klank, de letter, de klankgroep, het woord, het woorddeel
Te hanteren begrippen
de klank, de letter, de klankgroep, het woord, het woorddeel
-
Illustreren de uitspraak van klanken in het Standaardnederlands.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Klanken
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Klanken: korte klanken, lange klanken, tweetekenklanken en medeklinkers
Te hanteren begrippen
de korte klank, de lange klank, de tweetekenklinker, de klinker, de medeklinker, de uitspraak
-
Passen basiselementen van taalsysteem toe in spelsituaties.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Klanken
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Basiselementen van taalsysteem: klanken, klankgroepen, rijm, letter- en cijfersymbolen, klanktekenkoppeling, woorden
-
Reflecteren op het alfabetisch principe en de klanktekenkoppeling.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Klanken
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Het alfabetisch principe Het alfabetisch principe is het inzicht dat gesproken woorden zijn opgebouwd uit afzonderlijke klanken en dat die klanken in geschreven taal worden weergegeven door letters of lettercombinaties. Klanktekenkoppeling De klanktekenkoppeling is het kunnen koppelen van een gesproken klank aan het bijbehorende letterteken en omgekeerd (een letterteken herkennen en de bijbehorende klank uitspreken).
Te hanteren begrippen
het alfabetisch principe, de klanktekenkoppeling
-
Herkennen interpunctietekens en hoofdletters in een gelezen tekst.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Interpunctietekens, woordtekens en hoofdletters
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Interpunctietekens en hoofdletters: • de kleine letter • de hoofdletter • het punt
-
Benoemen hoofdletters in een gelezen tekst.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Interpunctietekens, woordtekens en hoofdletters
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Te hanteren begrippen
de kleine letter, de hoofdletter
-
Benoemen interpunctietekens in een tekst.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Interpunctietekens, woordtekens en hoofdletters
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Benoemen: inclusief functie Interpunctietekens: het punt
Te hanteren begrippen
het leesteken, het punt
-
Benoemen interpunctietekens in een tekst.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Interpunctietekens, woordtekens en hoofdletters
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Benoemen: inclusief functie Interpunctietekens: het uitroepteken, het vraagteken
Te hanteren begrippen
het uitroepteken, het vraagteken
-
Benoemen interpunctietekens in een tekst.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Interpunctietekens, woordtekens en hoofdletters
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Benoemen: inclusief functie Interpunctietekens: het dubbele punt, de komma
Te hanteren begrippen
het dubbele punt, de komma
-
Benoemen interpunctietekens in een tekst.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Interpunctietekens, woordtekens en hoofdletters
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Benoemen: inclusief functie Interpunctietekens: de dubbele aanhalingstekens, de haakjes
Te hanteren begrippen
de dubbele aanhalingstekens, de haakjes
-
Benoemen de witruimte tussen woorden als spatie.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Interpunctietekens, woordtekens en hoofdletters
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Benoemen: Inclusief functie
Te hanteren begrippen
de spatie
-
Benoemen de kantlijn op gelijnd papier.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Interpunctietekens, woordtekens en hoofdletters
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Benoemen: inclusief functie
Te hanteren begrippen
de kantlijn
-
Benoemen woordtekens.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Interpunctietekens, woordtekens en hoofdletters
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Woordtekens: het trema, het koppelteken, de apostrof, het accent, soorten afkortingen
Te hanteren begrippen
het trema, het koppelteken, de apostrof, het accent, de afkorting
-
Benoemen woordsoorten.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: woordsoorten en werkwoorden
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Woordsoorten: • eigennamen • lidwoorden • telwoorden
Te hanteren begrippen
de eigennaam, het lidwoord, het telwoord
-
Begrijpen in leessituaties de taalverrijkende functie van bijvoeglijke naamwoorden.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: woordsoorten en werkwoorden
-
Benoemen woordsoorten en woordvormen.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: woordsoorten en werkwoorden
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Woordsoorten: • zelfstandige naamwoorden • bijvoeglijke naamwoorden • voorzetsels Woordvormen: • verkleinwoorden
Te hanteren begrippen
het bijvoeglijk naamwoord, het zelfstandig naamwoord, het voorzetsel, het verkleinwoord
-
Benoemen woordsoorten en woordvormen.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: woordsoorten en werkwoorden
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Woordsoorten: • voegwoorden • werkwoorden Woordvormen: • verkleinwoorden
Te hanteren begrippen
het voegwoord, het werkwoord
-
Benoemen woordsoorten.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: woordsoorten en werkwoorden
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Woordsoorten: voornaamwoorden
Te hanteren begrippen
het voornaamwoord
-
Herkennen een werkwoord met een vast voorzetsel.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: woordsoorten en werkwoorden
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Voorbeelden
Werkwoord met een vast voorzetsel: • zich bemoeien met • genieten van
-
Beschrijven de onvoltooid tegenwoordige tijd van het werkwoord.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: woordsoorten en werkwoorden
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Te hanteren begrippen
het werkwoord, de tegenwoordige tijd
-
Beschrijven de onvoltooid verleden tijd van het werkwoord.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: woordsoorten en werkwoorden
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Te hanteren begrippen
de verleden tijd
-
Beschrijven de voltooid tegenwoordige tijd van het werkwoord.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: woordsoorten en werkwoorden
-
Beschrijven de voltooid verleden tijd van het werkwoord.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: woordsoorten en werkwoorden
-
Beschrijven de toekomende tijd van het werkwoord.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: woordsoorten en werkwoorden
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Te hanteren begrippen
de toekomende tijd
-
Beschrijven het voltooid deelwoord.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: woordsoorten en werkwoorden
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Te hanteren begrippen
het voltooid deelwoord
-
Beschrijven de vorming van werkwoorden.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: woordsoorten en werkwoorden
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Vorming van werkwoorden: • de tegenwoordige tijd • de verleden tijd
Te hanteren begrippen
de stam, de uitgang, de infinitief, de vervoeging
-
Beschrijven de vorming van werkwoordsvormen.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: woordsoorten en werkwoorden
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Werkwoordsvormen: • de toekomende tijd • de gebiedende wijs
-
Analyseren woorden.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: woordsoorten en werkwoorden
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Woorden: • woordvorming • woordsoorten • werkwoorden
-
Beschrijven de structuur van verschillende soorten zinnen.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: zinnen en zinsdelen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Zinnen: • de mededelende zin, de vragende zin Structuur: • juiste woordvolgorde: met woorden op de juiste plaats in de zin, afgestemd op de soort zinTe hanteren begrippen
de zin, de mededelende zin
-
Beschrijven de structuur van verschillende soorten zinnen.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: zinnen en zinsdelen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Zinnen: • de mededelende zin, de vragende zin, de uitroepende zin Structuur: • juiste woordvolgorde: met woorden op de juiste plaats in de zin, afgestemd op de soort zinTe hanteren begrippen
de mededelende zin, de vragende zin, de uitroepende zin
-
Beschrijven de structuur van verschillende soorten zinnen.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: zinnen en zinsdelen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Soorten zinnen: • ontkennende zin • enkelvoudige en samengestelde zinnen Structuur: • juiste woordvolgorde: met woorden op de juiste plaats in de zin, afgestemd op de soort zinTe hanteren begrippen
de ontkennende zin, de enkelvoudige zin, de samengestelde zin
-
Beschrijven de structuur van verschillende soorten zinnen.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: zinnen en zinsdelen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Zinnen: • Soorten zinnen: gebiedende wijs Structuur: • juiste woordvolgorde: met woorden op de juiste plaats in de zin, afgestemd op de soort zinTe hanteren begrippen
de gebiedende wijs
-
Herkennen dat zinnen uit woorden bestaan.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: zinnen en zinsdelen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Voorbeelden
Zinnen: • Iemand trekt de startkaart met een prent van een poes en zegt: ‘De poes’. De volgende trekt de kaart met een afbeelding van ‘zitten’ en zegt ‘zit’, de volgende trekt de kaart met een afbeelding van ‘op’, de laatste trekt de kaart met ‘de stoel.’ De leraar vraagt: Hoe is de volledige zin? “De poes zit op de stoel.” De leraar vraagt vervolgens: “Hoe kunnen we deze zin “De poes zit op de stoel.” nog langer maken?” • “Hoor het woord in de zin”: de leraar toont een prent van een hond en zegt: “Ik ga een paar zinnen zeggen. Als je het woord ‘hond’ in een zin hoort dan roep je ‘waf’. -
Benoemen het onderwerp en de persoonsvorm in een zin.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: zinnen en zinsdelen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Te hanteren begrippen
de zin, het onderwerp, de persoonsvorm
Voorbeelden
Onderwerp en persoonsvorm: • Hij speelt buiten. ‘Speelt’ is de persoonsvorm. ‘Hij’ is het onderwerp • Hugo kijkt zijn werk grondig na. ‘Kijkt ... na’ is de persoonsvorm. ‘Hugo’ is het onderwerp. -
Benoemen het gezegde in een zin.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: zinnen en zinsdelen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Gezegde: • wat er gebeurt • wat iemand doet
Te hanteren begrippen
het gezegde, het zinsdeel
-
Benoemen het lijdend voorwerp in een zin.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: zinnen en zinsdelen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Lijdend voorwerp: wat (of wie)? + gezegde + onderwerp
Te hanteren begrippen
het lijdend voorwerp
-
Benoemen het meewerkend voorwerp in een zin.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: zinnen en zinsdelen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Meewerkend voorwerp: aan/voor wie? + gezegde + onderwerp?
Te hanteren begrippen
het meewerkend voorwerp
-
Benoemen het naamwoordelijk gezegde in een zin.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: zinnen en zinsdelen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Naamwoordelijk gezegde: koppelwerkwoord + bijvoeglijk naamwoord of zelfstandig naamwoord dat iets over het onderwerp zegt
Te hanteren begrippen
het naamwoordelijk gezegde
Voorbeelden
Naamwoordelijk gezegde: • Tom is gelukkig. ‘Is gelukkig’ is het naamwoordelijk gezegde. • Die foto lijkt nep. ‘Lijkt nep’ is het naamwoordelijk gezegde
-
Benoemen het werkwoordelijk gezegde in een zin.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: zinnen en zinsdelen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Werkwoordelijk gezegde: alle werkwoorden in de zin die samen aangeven wat er gebeurt of wordt gedaan
Te hanteren begrippen
het werkwoordelijk gezegde
Voorbeelden
Werkwoordelijk gezegde • Wij hebben een boek gelezen. ‘hebben gelezen’ is het werkwoordelijk gezegde. • Wat heb ik goed geslapen! ‘heb geslapen’ is het werkwoordelijk gezegde.
-
Analyseren zinnen en zinsdelen.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalsysteem (klanken, interpunctietekens en woordtekens, grammatica) › Grammatica: zinnen en zinsdelen
-
Begrijpen verbale en non-verbale elementen van taal.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Voorbeelden
Non-verbale elementen: • mimiek • lichaamstaal • intonatie
-
Beschrijven elementen van non-verbale communicatie.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Non-verbale communicatie: • mimiek • lichaamstaal • intonatie
Te hanteren begrippen
de intonatie, de mimiek, de lichaamstaal
-
Reflecteren over non-verbaal taalgebruik.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap
-
Herkennen dat er verschillende talen en taalvariëteiten zijn.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap
-
Interpreteren verschillen bij de uitspraak van gelijkende klanken in verschillende talen en taalvariëteiten.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Voorbeelden
Klanken in andere taalvariëteiten en talen: • Spaanse rollende [r], Franse huig-[r] en de Nederlandse tongpunt-[r] • de zachte [g] in Vlaanderen en de harde [g] in Nederland
-
Herkennen talen en taalvariëteiten.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Taalvariëteiten: • dialect • Standaardnederlands • jongerentaal • vaktaal • formele en informele
Te hanteren begrippen
het dialect, het Standaardnederlands, de jongerentaal, de vaktaal, de formele taal, de informele taal
-
Herkennen talen en taalvariëteiten.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Taalvariëteiten: • tussentaal • vreemde taal
Te hanteren begrippen
de tussentaal, de vreemde taal
-
Vergelijken het uitspreken van letters bij verschillende talen en taalvariëteiten.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Voorbeelden
Uitspreken van letters bij verschillende talen en taalvariëteiten: • Hoewel de [oe]-klank in meerdere talen wordt gebruikt, wordt die niet altijd met dezelfde lettertekens geschreven. Zo worden volgende letters of lettercombinaties in vreemde talen soms als [oe] uitgesproken: /oo/ in het Engels (bv. ‘room’ – kamer) en /u/ in het Italiaans (bv. ‘duro’ - moeilijk.) • In sommige vreemde talen is er geen verschil in uitspraak tussen ‘p’ en ‘b’. -
Gebruiken hun kennis van talen en taalvariëteiten.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Gebruiken: om vlotter te lezen in het Standaardnederlands
Voorbeelden
Letters en woorden in andere taalvariëteiten en talen: • Sommige woorden klinken in verschillende taalvariëteiten en talen ongeveer hetzelfde als in het Nederlands, zoals /polis/(dialect) en /politie/, /schreiben/ (Duits) en /schrijven/, /sucre/ (Frans) en /suiker/, /welcome/ (Engels) en /welkom/… • De Zweedse letter /å/ klinkt hetzelfde als de Nederlandse letter /o/. • De Nederlandse letter /u/ wordt in het Spaans uitgesproken als [oe]. -
Reflecteren over talen en taalvariëteiten.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap
-
Herkennen dat taal evolueert doorheen de tijd.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Taal evolueert: • woordenschat verandert: nieuwe woorden, verandering van woordbetekenis • spelling en uitspraak veranderen • taalsysteem (grammatica) verandert
Voorbeelden
Woordenschat verandert: Ketnet en Karrewiet organiseren in samenwerking met Van Dale een stemming om het nieuwe kinder- en tienerwoord van het jaar te kiezen. Spelling verandert: Het woord ‘elektriciteit’ mocht je vroeger, voor 1995, ook met een ‘c’ schrijven: ‘electriciteit’. Taalsysteem (grammatica) verandert: 800 jaar geleden waren er 4 werkwoordsvormen, nu zijn er nog drie: ic gheve ik geef du gheves jij geeft hi ghevet hij geeft wi gheven wij geven ghi ghevet jullie geven si gheven zij geven -
Herkennen dat taal evolueert doorheen de tijd.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Taal evolueert: • in betekenis • in vorm en grammatica • in klank en uitspraak • onder invloed van cultuur, technologie en maatschappij
Voorbeelden
In betekenis: Oorspronkelijk betekende ‘een paar’ een tweetal; gaandeweg kreeg ‘een paar’ ook de betekenis van enkele. In vorm en grammatica: De vorm ’s ochtends komt van het vroegere ‘des ochtends’; de apostrof in ’s duidt op de gemiste ‘de’. In klank en uitspraak: Het vroegere ‘ghi’ is het huidige ‘jij’ en het vroeger ‘wi’ is het huidige ‘wij’. Onder invloed van cultuur, technologie en maatschappij: Technologie beïnvloedt onze taal: nieuwe taalvormen zoals emoji’s en afkortingen ontstaan.
-
Reflecteren over de evolutie van taal doorheen de tijd.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap
-
Herkennen hoe interpretatie van teksten beïnvloed wordt.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Beïnvloeden: • taalgebruik • woordkeuze • afbeeldingen
-
Beschrijven de invloed van de leeftijd en het beroep op de taal van de gebruiker.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Voorbeelden
Invloed: • De papa van Shauny is loodgieter. Shauny legt in de klas uit dat het water in de gootsteen waarschijnlijk niet goed doorloopt omdat de ‘sifon’ vol met vuil zit. • De kinderen van het vierde leerjaar zeggen tegen de meester dat het ‘cringe’ is als hij jongerentaal probeert te gebruiken. -
Beschrijven de invloed van plaats en cultuur op de boodschap.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Plaats en cultuur: • plaats • leefmilieu • tijdsgeest • normen en waarden • stereotypen en vooroordelen
Voorbeelden
Invloed van plaats op de boodschap: Als schrijver met een Oosterse achtergrond schrijft Nayan zijn verhaal dat zich afspeelt in Azië op een andere manier dan iemand die deze ervaring niet heeft. (plaats) Invloed van cultuur op de boodschap: Idris en Freya schrijven elk een gedicht over hun oma. Freya beschrijft haar oma als grappig, vergeetachtig en een beetje onhandig. Idris beschrijft zijn oma als een wijs persoon die goede raad geeft. De benadering van beide kinderen reflecteert de normen en waarden die in hun families gangbaar zijn ten aanzien van ouderen. Freya benadert haar oma als een oud persoon die eerder hulpbehoevend is. Idris benadert zijn oma als iemand met levenswijsheid, waar hij veel respect voor toont. (normen en waarden)
-
Reflecteren over beïnvloedende factoren bij de interpretatie van teksten.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap
-
Herkennen dat het Nederlands tot een taalfamilie behoort.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Voorbeelden
Nederlandse taalfamilie: • De leerkracht zegt ‘Ich weiss es nicht’, herhaalt dit een keer en vraagt de leerlingen of ze hebben verstaan wat hij net zei. Daarop vraagt hij hoe het zou komen dat ze de zin in het Duits toch min of meer begrepen hebben. De kinderen concluderen dat het Nederlands en het Duits op elkaar lijken. De leerkracht legt uit dat dat komt omdat beide talen tot dezelfde taalfamilie behoren omdat ze beiden afstammen van dezelfde taal, het Germaans. • De leerlingen lezen een Zuid-Afrikaans versje: “Die son skyn so helder, die vogels sing.” De leerlingen merken op dat ze dit vers kunnen verstaan wanneer ze het luidop voorlezen. De leerkracht legt uit dat dat komt omdat het Zuid-Afrikaans een taal is die afstamt van het Nederlands en dat beide talen tot de Germaanse taalfamilie behoren. -
Vergelijken het Standaardnederlands met verschillende talen en taalvariëteiten.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Verschillen en overeenkomsten: • woordenschat • uitspraak • schrifttekens
Voorbeelden
• Marie-Laure beluistert woorden in enkele vreemde talen. Ze merkt op dat sommige woorden ongeveer hetzelfde klinken: ‘sucre’ lijkt op ‘suiker’, ‘wasser’ lijkt op ‘water’ en ‘tea’ lijkt op ‘thee’. (woordenschat) • Alex komt uit Chili. Hij spreekt thuis Spaans. Hij vertelt dat de ‘bus’ in Chili ook de ‘bus’ is, alleen verschilt de uitspraak: in Chili zeggen ze [boes], in het Nederlands is dat [bus]. (uitspraak) • Ben is gek op manga, Japanse strips. In de kring vertelt hij dat het in het begin wel aanpassen was om een boek van achter naar voor te lezen. De strips zijn in het Engels geschreven, maar er staan ook Japanse schrifttekens in. Hij vertelt dat het woord manga er zo uit ziet: 漫画 (schrifttekens) -
Benoemen factoren van het communicatiemodel.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Factoren van het communicatiemodel: • de zender • de ontvanger
Te hanteren begrippen
de zender, de ontvanger
-
Benoemen factoren van het communicatiemodel.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Factoren van het communicatiemodel: • de boodschap • het kanaal
Te hanteren begrippen
de boodschap, het kanaal, de communicatie, het communicatiemodel
-
Benoemen factoren van het communicatiemodel.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Factoren van het communicatiemodel: • het doel • het medium • het effect
Te hanteren begrippen
het doel, het medium, het effect
-
Illustreren de verandering van informatiebronnen doorheen de tijd.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Taalgebruik en taalwetenschap
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Verandering van informatiebronnen: de orale vertelcultuur, het schrift, de boekdrukkunst, de radio, de televisie, de digitale media