WT.220
Begrijpen
L3
L4
Beschrijven hoe het hart, bloed en bloedvaten samenwerken om zuurstof en voedingsstoffen door het lichaam te vervoeren.
Wetenschap en techniek › Het menselijk lichaam › Fysieke functies van het menselijk lichaam › Bloedsomloop
- Leeftijd
- 8-9,9-10 jaar
- Handelingswerkwoord
- Beschrijven
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- L6 3.3.1; L6 3.3.2
- In de PDF
- pagina 72,73
Leerlijn
Beschrijven hoe het hart, bloed en bloedvaten samenwerken om zuurstof en voedingsstoffen door het lichaam te vervoeren. MIA Samenwerken: Het hart pompt bloed door de slagaders. Het bloed brengt zuurstof en voedingsstoffen (die het uit de darmen haalt) naar de organen via bloedvaten. Het bloed komt via aders terug naar het hart en brengt afvalstoffen terug mee. Te hanteren begrip de zuurstof
Hangt samen met
- Vlag WT.186 Herkennen de weg die voedsel aflegt door het lichaam. L3
- Vlag WT.187 Beschrijven de functie van de delen van het spijsverteringsstelsel. L4
- Vlag WT.210 Herkennen de functie van het ademhalingsstelsel. L3,L4
Wordt verwezen vanuit
- Vlag LO.095 Ontwikkelen spierspanning. L1,L2,L3,L4,L5,L6
- Vlag LO.096 Illustreren de korte- en langetermijneffecten van fysieke inspanning op het lichaam. L3,L4
- Vlag WT.006 Herkennen dieren op basis van bouw. L3,L4
- Vlag WT.012 Beschrijven de belangrijkste voedingswijze van gewervelde dieren. L3,L4
- Vlag WT.186 Herkennen de weg die voedsel aflegt door het lichaam. L3
- Vlag WT.187 Beschrijven de functie van de delen van het spijsverteringsstelsel. L4
- Vlag WT.210 Herkennen de functie van het ademhalingsstelsel. L3,L4
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Het menselijk lichaam”
KO
De kleuters kennen
3.3.1 de volgende begrippen:
• de spieren, de botten, de longen, het hart, de maag,
de ogen, de oren, de neus, de mond, de huid;
• bewegen, steunen, ademen, de hartslag, de honger,
de dorst;
• zien, horen, ruiken, proeven, voelen.
L4
De leerlingen kennen
3.3.1 de volgende begrippen:
• de spijsvertering, de slokdarm, de lever, de darmen,
de anus;
• de beweging, de spieren, de pezen, het skelet, de
gewrichten.
L6
De leerlingen kennen
3.2.9 de volgende begrippen:
• de kelkbladeren, de kroonbladeren, de stamper, de
meeldraden, het vruchtbeginsel;
• de cel;
• de evolutie, de soort, de aanpassing, de erfelijke
eigenschappen.
3.3.2 lichaamsdelen en hun functie: spieren, botten,
longen, hart, maag, ogen, oren, neus, mond, huid.
De kleuters kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen op het eigen lichaam aanduiden
en benoemen.
3.1.2
• organismen beschrijven op basis van waarneembare
kenmerken;
• fauna beschrijven op basis van voortplantingswijze.
3.3.2 fysieke functies van de mens en de bijbehorende
weefsels en organen met hun functie: spijsvertering,
beweging, steun (skelet).
De leerlingen kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen, weefsels en organen op het
eigen lichaam aanduiden en benoemen.
3.3.1 de volgende begrippen:
• de waarneming, de zintuigen, de hersenen, de
zenuwen;
• de voortplanting, de teelbal, de zaadleider, de penis,
het sperma, de eierstok, de eileider, de eicel, de
baarmoeder, de vagina;
• de ademhaling, de keel, de luchtpijp, de longen;
• de bloedsomloop, de bloedvaten, de ader, de
slagader, de haarvaten, zuurstofrijk, zuurstofarm.
3.3.2 fysieke functies van de mens, en de bijbehorende
weefsels en organen met hun functie: waarneming,
voortplanting, ademhaling, bloedsomloop.
3.2.17 de volgende begrippen:
• de fotosynthese, de koolstofdioxide, het zuurstofgas;
• de voedingsstoffen, de suiker, het eiwit, het vet, het
water, het mineraal, de vitamine, de vezels.
De leerlingen weten
3.2.12 dat alle organismen uit één of meer cellen bestaan.
De leerlingen kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen, weefsels en organen
schematisch weergeven.