WT.006
Begrijpen
L3
L4
Herkennen dieren op basis van bouw.
Wetenschap en techniek › Organismen › Kenmerken van organismen › Fauna › Kenmerken: bouw
- Leeftijd
- 8-9,9-10 jaar
- Handelingswerkwoord
- Herkennen
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- L4 3.1.1; L4 3.1.2; L4 3.1.3; L4 3.2.9
- In de PDF
- pagina 4,5
Leerlijn
Herkennen dieren op basis van bouw. MIA Dieren: gewervelde dieren: • zoogdieren • vogels • amfibieën • vissen ongewervelde dieren: • insecten • spinachtigen Bouw: vorm en grootte kleur kop, poten, staart huidbedekking thermoregulatie: warmbloedig (zelf de temperatuur regelen door zweten, hijgen, rillen, vetlaag, en/of vacht), koudbloedig (temperatuur afhankelijk van de omgeving) ademhaling: transport van zuurstof Herkennen: Uit exemplarische lijst: organismen uit 7 afgebakende biotopen Te hanteren begrippen warmbloedig, koudbloedig, de naakte huid, de spin, de ruggengraat, het gewerveld dier, het ongewervelde dier, de amfibie, de spinachtige
Hangt samen met
- Vlag WT.032 Classificeren gewervelde dieren. L1,L2,L3,L4
- Vlag WT.033 Classificeren ongewervelde dieren. L1,L2,L3,L4
- Vlag WT.195 Herkennen de delen van het skelet. L3
- Vlag WT.210 Herkennen de functie van het ademhalingsstelsel. L3,L4
- Vlag WT.220 Beschrijven hoe het hart, bloed en bloedvaten samenwerken om zuurstof en voedingsstoffen door het lichaam te vervoeren. L3,L4
Wordt verwezen vanuit
- Vlag WT.032 Classificeren gewervelde dieren. L1,L2,L3,L4
- Vlag WT.033 Classificeren ongewervelde dieren. L1,L2,L3,L4
- Vlag WT.035 Determineren dieren. K2,K3,L1,L2,L3,L4,L5,L6
- Vlag WT.111 Beschrijven kenmerken van het stadslandschap. L3
- Vlag WT.112 Beschrijven kenmerken van het agrarisch landschap. L4
- Vlag WT.195 Herkennen de delen van het skelet. L3
- Vlag WT.210 Herkennen de functie van het ademhalingsstelsel. L3,L4
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Organismen”
KO
De kleuters kennen
3.1.1 de volgende begrippen met betrekking tot
organismen: de fauna, de zoogdieren, de vogels, de
vissen, de insecten, de flora.
3.1.4 de fasen van de levenscyclus: geboorte/kieming,
groei, voortplanting, dood.
De kleuters kunnen
3.1.2
• organismen beschrijven op basis van waarneembare
kenmerken;
• fauna beschrijven op basis van voortplantingswijze.
L4
De leerlingen kennen
3.1.1 de volgende begrippen met betrekking tot de
classificatie van organismen: de gewervelde dieren, de
amfibieën, de ongewervelde dieren, de spinachtigen, de
schimmels.
3.1.2 de classificatie van organismen:
• de fauna:
o de gewervelde dieren:
▪ de zoogdieren;
▪ de vogels;
▪ de amfibieën;
▪ de vissen.
o de ongewervelden:
▪ de insecten;
▪ de spinachtigen.
• de flora;
• de schimmels.
3.2.3 de rol van organismen in de voedselkringloop:
producenten, consumenten, reducenten.
3.2.7 de volgende begrippen:
• de wortel, de stam, de stengel, het blad, de bloem,
de vrucht, het zaad;
• het transport.
3.2.8 de functie van de verschillende delen van een plant:
wortel, stengel, stam, bladeren, bloemen, vruchten, zaad.
De leerlingen weten
3.2.9 dat stoffen worden getransporteerd binnen dieren
en planten.
L6
De leerlingen kennen
3.1.1 de volgende begrippen met betrekking tot de
classificatie van organismen: het classificeren, de
taxonomie, de reptielen, de geleedpotigen, de
zaadplanten, de sporenplanten, de bacteriën.
3.1.2 de classificatie van organismen.
• de fauna:
o de gewervelden:
▪ de zoogdieren;
▪ de vogels;
▪ de reptielen;
▪ de amfibieën;
▪ de vissen.
o de ongewervelden:
▪ de geleedpotigen:
▪ de insecten;
▪ de spinachtigen.
o andere ongewervelden.
• de flora;
o de zaadplanten;
o de sporenplanten.
• de schimmels;
• de bacteriën.
3.1.4 de volgende begrippen: de voortplanting, de
geslachtelijke voortplanting, de ongeslachtelijke
voortplanting, de bestuiving, de bevruchting.
3.1.5 redenen waarom organismen zichzelf voortplanten.
3.1.6 het proces van geslachtelijke en ongeslachtelijke
voortplanting bij zaadplanten.
De leerlingen kunnen
3.1.3 organismen beschrijven op basis van kenmerken:
bouw en voortplantingswijze.
3.1.7 verschillen en overeenkomsten beschrijven bij de
voortplanting van fauna.
3.1.7 het belang van insecten bij de bestuiving van
zaadplanten.
3.2.9 de volgende begrippen:
• de kelkbladeren, de kroonbladeren, de stamper, de
meeldraden, het vruchtbeginsel;
• de cel;
• de evolutie, de soort, de aanpassing, de erfelijke
eigenschappen.
3.2.10 de functie van de verschillende delen van een
bloem: kelkbladeren, kroonbladeren, stamper,
vruchtbeginsel, meeldraden.
3.2.11 het concept van evolutie.
De leerlingen weten
3.2.14 dat nakomelingen erfelijke eigenschappen van hun
ouders meekrijgen.
De leerlingen kunnen
3.1.3 organismen classificeren op basis van kenmerken:
bouw, voedingswijze en voortplantingswijze.
3.1.8 onderscheid maken tussen geslachtelijke en
ongeslachtelijke voortplanting bij zaadplanten.
KO De kleuters kennen L4 De leerlingen kennen L6 De leerlingen kennen
3.1.3 de volgende begrippen in verband met de
levenscyclus: geboren worden, kiemen, groeien, sterven.
3.1.4 de fasen van de levenscyclus: geboorte/kieming,
groei, voortplanting, dood.
3.1.4 de volgende begrippen: de levenscyclus, de
metamorfose.
3.1.5 de levenscyclus van fauna, voor elk van deze
groepen: zoogdieren, vogels, amfibieën, insecten.
3.1.6 de fasen van lichamelijke groei en ontwikkeling bij
de mens.
3.3.1 de volgende begrippen:
● de waarneming, de zintuigen, de hersenen, de
zenuwen;
● de voortplanting, de teelbal, de zaadleider, de
penis, het sperma, de eierstok, de eileider, de
eicel, de baarmoeder, de vagina;
● de ademhaling, de keel, de luchtpijp, de longen;
● de bloedsomloop, de bloedvaten, de ader,
de slagader, de haarvaten, zuurstofrijk,
zuurstofarm.
3.3.2 fysieke functies van de mens, en de bijbehorende
weefsels en organen met hun functie: waarneming,
voortplanting, ademhaling, bloedsomloop.