WT.187
Begrijpen
L4
Beschrijven de functie van de delen van het spijsverteringsstelsel.
Wetenschap en techniek › Het menselijk lichaam › Fysieke functies van het menselijk lichaam › Spijsverteringsstelsel
- Leeftijd
- 9-10 jaar
- Handelingswerkwoord
- Beschrijven
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- L4 3.3.1; L4 3.3.2
- In de PDF
- pagina 64,65
Leerlijn
Beschrijven de functie van de delen van het spijsverteringsstelsel.
MIA
Functie van de delen:
• spijsvertering: transport en verwerking van voeding voor het lichaam. Het voedsel
wordt afgebroken zodat het lichaam hier later energie en bouwstoffen uit kan
halen.
• de mond: start van spijsvertering, kauwen en speeksel toevoegen
• de slokdarm: duwt het eten naar de maag
• de maag: kneedt het eten en voegt maagsappen toe (vertering)
• de dunne darm: zorgt voor verdere vertering (suikers kleiner maken) en opname
van voedingstoffen in het bloed
• de lever: maakt het bloed proper en maakt gal die helpt in de darmen om vetten uit
voedsel te verteren.
• de dikke darm: haalt vocht uit de voedingsresten
• de endeldarm: slaat de uitwerpselen op totdat je naar het toilet gaat. Als de
endeldarm vol is, geeft hij een signaal dat je naar het toilet moet.
• de anus: Hier gaan de uitwerpselen het lichaam uit.
Te hanteren begrippen
de spijsvertering, de mond, de slokdarm, de maag, de dunne darm, de lever, de dikke
darm, de endeldarm, de anus
Hangt samen met
- Vlag WT.012 Beschrijven de belangrijkste voedingswijze van gewervelde dieren. L3,L4
- Vlag WT.013 Beschrijven de belangrijkste voedingswijze van ongewervelde dieren. L3,L4
- Vlag WT.220 Beschrijven hoe het hart, bloed en bloedvaten samenwerken om zuurstof en voedingsstoffen door het lichaam te vervoeren. L3,L4
Wordt verwezen vanuit
- Vlag WT.012 Beschrijven de belangrijkste voedingswijze van gewervelde dieren. L3,L4
- Vlag WT.013 Beschrijven de belangrijkste voedingswijze van ongewervelde dieren. L3,L4
- Vlag WT.220 Beschrijven hoe het hart, bloed en bloedvaten samenwerken om zuurstof en voedingsstoffen door het lichaam te vervoeren. L3,L4
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Het menselijk lichaam”
KO
De kleuters kennen
3.3.1 de volgende begrippen:
• de spieren, de botten, de longen, het hart, de maag,
de ogen, de oren, de neus, de mond, de huid;
• bewegen, steunen, ademen, de hartslag, de honger,
de dorst;
• zien, horen, ruiken, proeven, voelen.
L4
De leerlingen kennen
3.3.1 de volgende begrippen:
• de spijsvertering, de slokdarm, de lever, de darmen,
de anus;
• de beweging, de spieren, de pezen, het skelet, de
gewrichten.
L6
De leerlingen kennen
3.2.9 de volgende begrippen:
• de kelkbladeren, de kroonbladeren, de stamper, de
meeldraden, het vruchtbeginsel;
• de cel;
• de evolutie, de soort, de aanpassing, de erfelijke
eigenschappen.
3.3.2 lichaamsdelen en hun functie: spieren, botten,
longen, hart, maag, ogen, oren, neus, mond, huid.
De kleuters kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen op het eigen lichaam aanduiden
en benoemen.
3.1.2
• organismen beschrijven op basis van waarneembare
kenmerken;
• fauna beschrijven op basis van voortplantingswijze.
3.3.2 fysieke functies van de mens en de bijbehorende
weefsels en organen met hun functie: spijsvertering,
beweging, steun (skelet).
De leerlingen kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen, weefsels en organen op het
eigen lichaam aanduiden en benoemen.
3.3.1 de volgende begrippen:
• de waarneming, de zintuigen, de hersenen, de
zenuwen;
• de voortplanting, de teelbal, de zaadleider, de penis,
het sperma, de eierstok, de eileider, de eicel, de
baarmoeder, de vagina;
• de ademhaling, de keel, de luchtpijp, de longen;
• de bloedsomloop, de bloedvaten, de ader, de
slagader, de haarvaten, zuurstofrijk, zuurstofarm.
3.3.2 fysieke functies van de mens, en de bijbehorende
weefsels en organen met hun functie: waarneming,
voortplanting, ademhaling, bloedsomloop.
3.2.17 de volgende begrippen:
• de fotosynthese, de koolstofdioxide, het zuurstofgas;
• de voedingsstoffen, de suiker, het eiwit, het vet, het
water, het mineraal, de vitamine, de vezels.
De leerlingen weten
3.2.12 dat alle organismen uit één of meer cellen bestaan.
De leerlingen kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen, weefsels en organen
schematisch weergeven.