Leerplannen Leerplandoelen
Leerjaar
Verwerkingsaspect

142 doelen

CSV downloaden filters wissen

vak: NL ✕ Mondeling taalgebruik ✕

  1. NL.318 Gebruiken K1 K2 K3 KO 1.3.1

    Luisteren aandachtig.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

  2. NL.319 Gebruiken K1 K2 K3 KO 1.3.1

    Gebruiken non-verbale communicatie bij het luisteren.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Non-verbale communicatie:
    • blik gericht houden
    • blik van de leraar volgen
    • oogcontact maken
    • aandacht voor lichaamstaal, mimiek en stemgebruik van de spreker
  3. NL.320 Gebruiken K1 K2 K3 KO 1.3.4

    Leiden de betekenis van mondelinge boodschappen af met behulp van de context.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Context:
    • visuele ondersteuning: boeken, prenten, concreet materiaal, presentatie,
        gebaren, mimiek
    • auditieve ondersteuning: stemgebruik, intonatie
  4. NL.321 Gebruiken K1 K0; 1.3.2

    Voeren enkelvoudige mondeling gegeven instructies uit.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

  5. NL.322 Gebruiken K2 K3 KO 1.3.2

    Voeren meervoudige mondeling gegeven instructies uit.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

  6. NL.323 Gebruiken K1 K2 K3 KO 1.3.2

    Reageren op eenvoudige mondeling gestelde vragen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Reageren:
    • verbaal
    • non-verbaal
    
    Vragen:
    • open vragen
    • gesloten vragen
    • denkstimulerende vragen
  7. NL.324 Gebruiken K2 K3 KO 1.3.3

    Formuleren vragen in functie van de luisteropdracht.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Luisteropdracht:
    • om meer informatie te krijgen
    • om na te gaan of ze de boodschap goed begrepen hebben
  8. NL.325 Begrijpen K3 L1 L2 L3 L4 L4 1.3.1

    Begrijpen in concrete luistersituaties expliciete boodschappen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

  9. NL.326 Gebruiken K3 L1 L2 L3 L4 L4 1.3.1

    Leiden in concrete luistersituaties expliciete boodschappen af.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

  10. NL.327 Begrijpen L5 L6 L6 1.3.1

    Begrijpen in concrete luistersituaties expliciete en impliciete boodschappen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

  11. NL.328 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.1

    Leiden in concrete luistersituaties expliciete en impliciete informatie af.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Impliciete boodschappen:
    • Bij ‘Ik heb het koud’ wordt niet gezegd: ‘Het zou fijn zijn als het raam
        gesloten werd.’
    • Bij ‘Je hebt je best gedaan’ wordt niet gezegd: ‘Het resultaat is niet goed
        genoeg.’
  12. NL.329 Gebruiken K2 K3 L1 L2 KO 1.3.4

    Leiden relaties en verbanden af bij een beluisterde tekst.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Relaties en verbanden:
    • oorzaak en gevolg
    • probleem en oplossing
  13. NL.330 Gebruiken L3 L4 L4 1.3.2

    Leiden relaties en verbanden af bij expliciete informatie uit een beluisterde tekst.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Relaties en verbanden:
    • oorzaak en gevolg
    • probleem en oplossing
    • middel-doelrelatie
    • conclusie trekken: informatie uit de tekst combineren om tot een
        conclusie te komen
  14. NL.331 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.1

    Leiden relaties en verbanden af bij expliciete en impliciete informatie uit een beluisterde tekst.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Relaties en verbanden:
    conclusie trekken: informatie uit de tekst combineren om tot een conclusie te
    komen
  15. NL.332 Begrijpen L3 L4 L5 L6 L4 1.3.10; L4 1.3.14

    Herkennen feiten en meningen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herkennen:
    in beluisterde teksten

    Te hanteren begrippen

    de mening, het feit
  16. NL.333 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.3.10; L4 1.3.14

    Onderscheiden feiten en meningen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Onderscheiden:
    in beluisterde teksten
  17. NL.334 Gebruiken K1 K2 K3 L1 KO 1.3.4

    Maken verbindingen tijdens het beluisteren van teksten.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Verbindingen:
    • tussen de tekst en eigen ervaringen
    • tussen de tekst en vakspecifieke (voor)kennis
  18. NL.335 Gebruiken L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.3.3; L6 1.3.2

    Maken verbindingen tijdens het beluisteren van teksten.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Verbindingen:
    • tussen de tekst en eigen ervaringen voorkennis
    • tussen de tekst en vakspecifieke (voor)kennis
    • tussen passages uit de tekst
  19. NL.336 Engageren K1 K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.3.3; L6 1.3.2

    Reflecteren over de kennis die de beluisterde tekst opleverde.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie kritisch verwerken

  20. NL.337 Gebruiken L1 L2 L4 1.3.2

    Analyseren in luistersituaties factoren van het communicatiemodel.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Analyseren:
    • relatie tussen zender en ontvanger
    • houding van de zender ten opzichte van de ontvanger en omgekeerd

    Te hanteren begrippen

    communicatie, de zender, de ontvanger
  21. NL.338 Gebruiken L3 L4 L4 1.3.2

    Analyseren in luistersituaties factoren van het communicatiemodel.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Analyseren:
    • relatie tussen boodschap en kanaal
    • mening, feit

    Te hanteren begrippen

    de boodschap, het kanaal
  22. NL.339 Gebruiken L3 L4 L4 1.3.4

    Geven weer hoe een spreker over het onderwerp denkt.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie kritisch verwerken

  23. NL.340 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.1

    Analyseren in concrete luistersituaties factoren van het communicatiemodel.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Analyseren:
    • het medium herkennen als drager van de boodschap
    • het kanaal herkennen als de weg waarlangs de boodschap wordt
        verspreid

    Te hanteren begrippen

    communicatie, het medium, het kanaal

    Voorbeelden

    Communicatiemodel:
    • via een persoonlijke gesprek (medium) een presentatie (kanaal) over een
        onderzoek geven
    • via een radiozender (medium) een reclameboodschap in een radiospot
        (kanaal) verspreiden
  24. NL.341 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.3

    Vergelijken hoe verschillende sprekers over eenzelfde onderwerp denken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie kritisch verwerken

  25. NL.342 Engageren L5 L6 L6 1.3.4

    Reflecteren over hoe de spreker hun standpunt beïnvloedt.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Informatie kritisch verwerken

  26. NL.343 Begrijpen K2 K3 L1 KO 1.3.3

    Herkennen sturingsstrategieën in luistersituaties.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Het luisterproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij luisteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Sturingsstrategieën:
    • actualiseren van kennis en woordenschat
    • actief luisteren met behulp van luisterstrategieën
  27. NL.344 Gebruiken K2 K3 L1 KO 1.3.3

    Gebruiken sturingsstrategieën in luistersituaties.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Het luisterproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij luisteren

  28. NL.345 Begrijpen K2 K3 L1 L2 L3 L4 KO 1.3.3

    Herkennen herstelstrategieën bij het luisteren.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Het luisterproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij luisteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herstelstrategieën:
    controle van begrip door:
    • vragen om herhaling
    • vragen om verduidelijking
    • vragen om tempo of volume aan te passen
  29. NL.346 Gebruiken K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 KO 1.3.3

    Passen herstelstrategieën functioneel toe.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Het luisterproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij luisteren

  30. NL.347 Engageren K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 KO 1.3.3

    Tonen hun kennis van herstelstrategieën in verschillende contexten.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Het luisterproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij luisteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Caleb leest een moeilijk woord voor tijdens het hoekenwerk, maar hapert
        halverwege het woord. Hij stopt even, kijkt naar het woord, spreekt het
        opnieuw maar trager uit en probeert het opnieuw.
    • Asher legt een spel uit aan haar groepje, maar merkt dat de anderen het
        niet begrijpen. Ze herformuleert haar uitleg, gebruikt voorbeelden en
        controleert of iedereen het nu wel begrijpt.
  31. NL.348 Begrijpen L2 L3 L4 L4 1.3.5

    Beschrijven sturingsstrategieën in luistersituaties.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Het luisterproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij luisteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Sturingsstrategieën:
    • luisterdoel bepalen
    • toepassen van herstelstrategieën
    • controle bereiken luisterdoel
    • actief luisteren door toepassen van luisterstrategieën
    • actualiseren van kennis en woordenschat
  32. NL.349 Gebruiken L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.3.5; L6 1.3.2

    Passen sturingsstrategieën toe in luistersituaties.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Het luisterproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij luisteren

  33. NL.350 Gebruiken L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.3.5; L6 1.3.2

    Stemmen hun manier van luisteren af op het luisterdoel.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Het luisterproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij luisteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    • Een variatie aan manieren van luisteren: globaal luisteren, intensief
        luisteren, kritisch luisteren, empatisch luisteren
  34. NL.351 Engageren K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 KO 1.3.3; L4 1.3.5; L6 1.3.2

    Tonen hun kennis van sturingsstrategieën in verschillende contexten.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Het luisterproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij luisteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Norah hoort de juf iets zeggen maar begrijpt het niet goed. Ze steekt haar
        hand op en vraagt: “Wil je het nog eens zeggen, maar trager alsjeblieft?”
    • Isaac zit naast een klasgenoot die iets uitlegt over een spel, maar hij
        verstaat het niet goed. Hij vraagt: “Wat bedoel je precies met ‘kaart
        omdraaien’?”
  35. NL.352 Begrijpen K2 K3 L1 KO 1.3.4

    Herkennen luisterstrategieën in luistersituaties.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Het luisterproces sturen met behulp van strategieën › Luisterstrategieën (cognitief)

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Luisterstrategieën:
    • voorspellen
    • vragen stellen
    • visualiseren
    • verbinden
  36. NL.353 Gebruiken K2 K3 L1 KO 1.3.4

    Gebruiken luisterstrategieën in luistersituaties.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Het luisterproces sturen met behulp van strategieën › Luisterstrategieën (cognitief)

  37. NL.354 Begrijpen L2 L3 L4 L4 1.3.3

    Beschrijven luisterstrategieën in luistersituaties.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Het luisterproces sturen met behulp van strategieën › Luisterstrategieën (cognitief)

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Luisterstrategieën:
    • voorspellen
    • vragen stellen
    • visualiseren
    • verbinden
    • samenvatten
    • afleiden

    Te hanteren begrippen

    voorspellen, vragen stellen, visualiseren, verbinden, samenvatten, afleiden
  38. NL.355 Gebruiken L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.3.3; L4 1.3.5; L6 1.3.2

    Passen luisterstrategieën toe in luistersituaties.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Het luisterproces sturen met behulp van strategieën › Luisterstrategieën (cognitief)

  39. NL.356 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.2

    Selecteren luisterstrategieën in luistersituaties.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Het luisterproces sturen met behulp van strategieën › Luisterstrategieën (cognitief)

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Selecteren:
    • Wanneer de luisterstrategie inzetten?
    • Waarom de luisterstrategie inzetten?
    • Welke luisterstrategie inzetten?
  40. NL.357 Engageren K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.3.3; L4 1.3.5; L6 1.3.2

    Tonen hun kennis van luisterstrategieën in verschillende contexten.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Luisterbegrip › Het luisterproces sturen met behulp van strategieën › Luisterstrategieën (cognitief)

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Juf Linde toont de kleuters de kaft van het nieuwe boek dat ze gaat
        voorlezen. Daarop staat een grote vogel met zijn vleugel in een verband.
        Juf Linde vraagt de kleuters wat zij denken dat er zou kunnen gebeurd zijn
        met de vogel. De kleuters geven voorspellingen. Tijdens het lezen van het
        verhaal gaat juf Linde samen met de kleuters na of de voorspellingen
        overeenkomen met het verhaal. De kleuters sturen hun voorspellingen
        bij.
    • Er is een man met een blindengeleidehond naar de klas van Mika
        gekomen om uitleg te geven over hoe zo’n hond een blinde kan helpen.
        De kinderen stellen vragen om verduidelijking, of om nog meer te weten
        te komen.
  41. NL.358 Begrijpen K2 K3 KO 1.3.5

    Herkennen factoren voor verstaanbaar spreken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Verstaanbaarheid en expressie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Factoren voor verstaanbaar spreken:
    • verstaanbaar uitspreken van klanken en klankcombinaties
    • passend volume
  42. NL.359 Begrijpen L1 L2 L4 1.3.7

    Herkennen factoren voor verstaanbaar spreken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Verstaanbaarheid en expressie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Factoren voor verstaanbaar spreken:
    • correcte uitspraak van klanken en klankcombinaties
    • duidelijke articulatie
  43. NL.360 Begrijpen L3 L4 L4 1.3.7

    Herkennen factoren voor verstaanbaar spreken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Verstaanbaarheid en expressie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Factoren voor verstaanbaar spreken:
    • Standaardnederlands
    • gepaste klemtoon: zinsaccent en woordaccent
    • met een ondersteunende houding, passende gebaren en passende mimiek
    • met natuurlijkheid en emotionaliteit
  44. NL.361 Gebruiken K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 KO 1.3.5; L4 1.3.7

    Gebruiken hun kennis van verstaanbaar spreken bij het spreken, vertellen en presenteren.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Verstaanbaarheid en expressie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Spreken, vertellen en presenteren:
    • een verhaal vertellen
    • een gedicht voordragen
    • een mop vertellen
  45. NL.362 Gebruiken L3 L4 L4 1.3.1; 1

    Stemmen het spreken, presenteren en vertellen af op het spreekdoel en publiek.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Verstaanbaarheid en expressie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Afstemmen:
    • expressie
    • taalregister: formeel en informeel

    Voorbeelden

    Afstemmen van het spreken, presenteren en vertellen:
    • Yari, Matteo en Dries nemen samen een luisterverhaal op. Het is een griezelig verhaal
        over spoken, skeletten en geesten. Om de enge sfeer in het verhaal te brengen, lezen de
        jongens expressief: ze fluisteren, laten stiltes vallen, vertellen dan heel luid om het
        luisterpubliek te doen schrikken, krijsen om angst uit te drukken… (expressie)
    • Het thema van de week is ‘De aarde leeft’. In groepjes gaan de kinderen in allerlei
        teksten lezen over onderwerpen die bij het thema passen. Mandy en Soraya lezen een
        boek over een reiziger die een vulkaanuitbarsting meemaakt. Daarover maken ze een
        presentatie die ze gaan gebruiken in de klas. Daarbij komen vele vakspecifieke woorden
        aan bod. Tijdens hun presentatie leggen ze in hun eigen woorden aan de klasgenoten
        goed uit wat een krater, magma, lava… is. (register)
  46. NL.363 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.9

    Gebruiken expressie bij het spreken, vertellen en presenteren.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Verstaanbaarheid en expressie

  47. NL.364 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.9

    Gebruiken een gepast register bij het spreken, vertellen en presenteren.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Verstaanbaarheid en expressie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gepast register:
    • formele taal
    • Informele taal
  48. NL.365 Gebruiken L1 L2 L4 1.3.1; 2

    Gebruiken non-verbale communicatie om een boodschap te ondersteunen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Verstaanbaarheid en expressie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Non-verbale communicatie:
    lichaamstaal: oogcontact, lichaamshouding
  49. NL.366 Gebruiken L3 L4 1.3.; 12

    Gebruiken non-verbale communicatie om een boodschap te ondersteunen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Verstaanbaarheid en expressie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Non-verbale communicatie:
    • mimiek
    • intonatie
    • lichaamstaal: oogcontact, lichaamshouding, gebaren
  50. NL.367 Begrijpen K2 K3 L4 1.3.9

    Herkennen factoren van begrijpelijk en gepast spreken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Formulering

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Factoren van begrijpelijk en gepast spreken:
    • bij het onderwerp blijven
  51. NL.368 Begrijpen L1 L2 L3 L4 1.3.8; L4 1.3.9

    Herkennen factoren van begrijpelijk en gepast spreken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Formulering

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Factoren van begrijpelijk en gepast spreken:
    • woordkeuze
    • correcte zinsconstructies
    • samenhang
  52. NL.369 Begrijpen L4 L5 L6 L6 1.3.5; L6 1.3.6

    Herkennen factoren van begrijpelijk en gepast spreken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Formulering

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Factoren van begrijpelijk en gepast spreken:
    • gepaste woordkeuze
    • complexere zinsconstructies
    • ideeën, gedachten en verworven inzichten gestructureerd formuleren
  53. NL.370 Gebruiken K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 KO 1.3.6; L4 1.3.8; L4 1.3.9; L6 1.3.5; L6 1.3.6

    Spreken begrijpelijk en gepast.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Formulering

  54. NL.371 Gebruiken K1 K2 K3 L1 KO 1.3.7

    Vertellen samenhangend over gedachten en gebeurtenissen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Formulering

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Samenhangend:
    • met een aanzet tot volgorde
    • met een aanzet tot gebruik van structuuraanduiders (verwijs- en verbindingswoorden)
  55. NL.372 Begrijpen L2 L3 L4 1.3.9

    Illustreren gestructureerd en samenhangend spreken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Formulering

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gestructureerd en samenhangend:
    • logische en gemakkelijk te volgen samenhang
    • verbanden duidelijk aangevend met gebruik van gepaste structuuraanduiders (verwijs-,
        signaal- en verbindingswoorden)
  56. NL.373 Begrijpen L4 L5 L6 L4 1.3.9; L6 1.3.6

    Illustreren gestructureerd en samenhangend spreken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Formulering

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gestructureerd en samenhangend spreken:
    • logische en gemakkelijk te volgen samenhang
    • verbanden duidelijk aangevend met gebruik van gepaste structuuraanduiders (verwijs-,
        signaal- en verbindingswoorden)

    Te hanteren begrippen

    het begin, het midden, het slot
  57. NL.374 Gebruiken L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.3.9; L6 1.3.6

    Spreken gestructureerd en samenhangend.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Formulering

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gestructureerd en samenhangend:
    • logische en gemakkelijk te volgen samenhang
    • verbanden duidelijk aangevend met gebruik van gepaste structuuraanduiders (verwijs-,
        signaal- en verbindingswoorden)
  58. NL.375 Engageren K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 KO 1.3.7; L4 1.3.9; L6 1.3.6

    Reflecteren op factoren van verstaanbaar spreken in verschillende contexten.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Formulering

  59. NL.376 Gebruiken K1 K2 KO 1.3.6

    Formuleren mondeling korte zinnen met één of meer woorden.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Zinnen formuleren

  60. NL.377 Gebruiken K1 K2 KO 1.3.6

    Formuleren mondeling standaardzinnen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Zinnen formuleren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Standaardzinnen:
    Veel voorkomende zinnen in veel voorkomende communicatieve situaties.

    Voorbeelden

    Standaardzinnen:
    • Hoe heet jij?
    • Tot morgen!
  61. NL.378 Gebruiken K2 K3 KO 1.3.6

    Formuleren mondeling basiszinnen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Zinnen formuleren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Basiszinnen:
    • met aandacht voor eenvoudige zinsconstructies
    • mededelende, vragende, enkelvoudige en eenvoudig samengestelde zinnen

    Voorbeelden

    Basiszinnen:
    • Fikri maakt een tekening.
    • Waar is het potlood?
    • Ik teken een huis en daarna kleur ik het.
    • Ik ben moe want ik heb veel gespeeld.
  62. NL.379 Gebruiken L1 L4 1.3.8

    Formuleren mondeling verschillende soorten zinnen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Zinnen formuleren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Soorten zinnen:
    • enkelvoudige zinnen
    • de mededelende zin, de vragende zin, de uitroepende zin, de ontkennende zin, de
        gebiedende wijs
  63. NL.380 Gebruiken L2 L3 L4 L4 1.3.8

    Formuleren mondeling verschillende soorten zinnen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Zinnen formuleren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Soorten zinnen:
    • enkelvoudige zinnen
    • samengestelde zinnen: verbanden leggen met behulp van structuuraanduiders
    • de mededelende zin, de vragende zin, de uitroepende zin, de ontkennende zin, de
        gebiedende wijs
  64. NL.381 Gebruiken L5 L6 1.3.5

    Formuleren mondeling verschillende soorten zinnen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Zinnen formuleren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Soorten zinnen:
    • enkelvoudige complexere zinnen
    • samengestelde zinnen: verbanden leggen met behulp van structuuraanduiders
    • de mededelende zin, de vragende zin, de uitroepende zin, de ontkennende zin, de
        gebiedende wijs
  65. NL.382 Gebruiken L6 L6 1.3.5

    Formuleren mondeling verschillende soorten zinnen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Vlot en vloeiend spreken › Zinnen formuleren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Soorten zinnen:
    • enkelvoudige complexere zinnen
    • samengestelde complexere zinnen: verbanden leggen met behulp van
        structuuraanduiders
    • de mededelende zin, de vragende zin, de uitroepende zin, de ontkennende zin, de
        gebiedende wijs
  66. NL.383 Begrijpen L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.3.6; L6 1.3.8

    Illustreren stappen in het spreekproces.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Spreken voorbereiden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Stappen in het spreekproces:
    • spreken voorbereiden
    • boodschap formuleren
    • reviseren
    • presenteren
    • reflecteren op het spreekproces
  67. NL.384 Gebruiken L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.3.6; L6 1.3.8

    Verzamelen inhoud voor hun spreektaak.*

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Spreken voorbereiden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Verzamelen:
    • Bedenken wat ze zelf al weten over het onderwerp en vullen hun kennis aan met
        informatie die de leerkracht aangeboden heeft.
    • Maken een woordenwolk of mindmap over het onderwerp waarover ze gaan spreken.
    
    *onder begeleiding
  68. NL.385 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.3.6; L6 1.3.8

    Selecteren een teksttype die het beste bij het spreekdoel past.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Spreken voorbereiden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Teksttype:
    • een gedicht om te beschrijven hoe kleurrijke blaadjes van de boom in de herfst naar
        beneden dwarrelen
    • een interview om een klasgenoot te doen vertellen wat die zo geweldig vindt aan diens
        favoriete boek
  69. NL.386 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.3.6; L6 1.3.8

    Geven de inhoud van hun spreektaak gestructureerd weer.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Spreken voorbereiden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gestructureerd:
    • volgens de best passende tekststructuur bij het teksttype past
  70. NL.387 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.3.1; 0; L6 1.3.8

    Verzamelen onderbouwende argumenten om hun standpunten en meningen te staven.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Spreken voorbereiden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Standpunten en meningen:
    • op basis van voorkennis en vakspecifieke kennis
  71. NL.388 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.7; L6 1.3.8

    Selecteren onderbouwende argumenten om hun standpunten en meningen te staven.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Spreken voorbereiden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Standpunten en meningen:
    • op basis van voorkennis en vakspecifieke kennis
  72. NL.389 Gebruiken K1 K2 K3 KO 1.3.8

    Vertellen in een vertrouwde omgeving over een zelfgekozen onderwerp.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Boodschap formuleren

  73. NL.390 Gebruiken K2 K3 KO 1.3.7; KO 1.3.8

    Vertellen begrijpelijk en samenhangend over een zelfgekozen onderwerp.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Boodschap formuleren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vertellen:
    • met aandacht voor eenvoudige zinsconstructies
    • met een logische en gemakkelijk te volgen samenhang
  74. NL.391 Gebruiken L1 L2 KO 1.3.7; L4 1.3.7; L4 1.3.8; L4 1.3.9

    Spreken begrijpelijk, gepast en samenhangend.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Boodschap formuleren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Spreken:
    • in een variatie aan teksten
    • voor een publiek
    
    Begrijpelijk, gepast en samenhangend:
    • met aandacht voor goedgekozen woorden
    • met aandacht voor zinsconstructies die niet complexer zijn dan nodig
    • met aandacht voor Standaardnederlands en zinsaccent
    • met een logische en gemakkelijk te volgen samenhang
  75. NL.392 Gebruiken L3 L4 L4 1.3.7; L4 1.3.8; L4 1.3.9

    Spreken begrijpelijk, gepast en samenhangend.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Boodschap formuleren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Spreken:
    • in een variatie aan teksten
    • voor een publiek
    
    Begrijpelijk, gepast en samenhangend:
    • met aandacht voor goedgekozen woorden
    • met aandacht voor een gepaste woordkeuze
    • met aandacht voor zinsconstructies die niet complexer zijn dan nodig
    • met aandacht voor Standaardnederlands en zinsaccent
    • met aandacht voor correcte inhoud in het geval van informatieve en prescriptieve
        teksten
    • met aandacht voor onderbouwing bij meningen en standpunten
        in een gepast register
    • met een logische en gemakkelijk te volgen samenhang
    • Verbanden duidelijk aangevend met gebruik van verwijs- en verbindingswoorden
  76. NL.393 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.5; L6 1.3.6; L6 1.3.7; L6 1.3.9

    Spreken begrijpelijk, gepast en samenhangend.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Boodschap formuleren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Spreken:
    • in een variatie aan teksten
    • voor een publiek
    
    Begrijpelijk, gepast en samenhangend:
    • met aandacht voor goedgekozen woorden.
    • met aandacht voor een gepaste woordkeuze.
    • met aandacht voor complexere zinsconstructies die duidelijk zijn voor de luisteraar
    • met aandacht voor Standaardnederlands en zinsaccent
    • met aandacht voor correcte inhoud in het geval van informatieve en prescriptieve
        teksten
    • met aandacht voor onderbouwing bij meningen en standpunten
    • in een gepast register
    • met een logische en gemakkelijk te volgen samenhang
    • verbanden duidelijk aangevend met gebruik van verwijs- en verbindingswoorden
  77. NL.394 Begrijpen K3 L4 1.3.1; 3

    Herkennen fouten bij zichzelf tijdens het spreken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Reviseren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Fouten:
    • fout uitgesproken klanken, woorden en zinnen juist herhalen
  78. NL.395 Gebruiken K3 L4 1.3.1; 3

    Verbeteren zichzelf tijdens het spreken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Reviseren

  79. NL.396 Begrijpen L1 L2 L3 L4 1.3.1; 3

    Herkennen fouten bij zichzelf tijdens het spreken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Reviseren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Fouten:
    • fout uitgesproken klanken, woorden en zinnen
    • onduidelijke articulatie
  80. NL.397 Gebruiken L1 L2 L3 L4 1.3.1; 3

    Verbeteren zichzelf tijdens het spreken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Reviseren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Verbeteren:
    • fout uitgesproken klanken, woorden en zinnen juist herhalen
    • de intonatie en klemtoon passend bij de gesproken tekst herhalen
  81. NL.398 Begrijpen L4 L5 L6 L4 1.3.1; 3

    Herkennen fouten bij zichzelf tijdens het spreken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Reviseren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Fouten:
    • fout uitgesproken klanken, woorden en zinnen juist herhalen
    • de intonatie en klemtoon passend bij de gesproken tekst herhalen
    • een opbouw, gedachtegang of redenering herformuleren in functie van het begrip en de
        samenhang
  82. NL.399 Gebruiken L4 L5 L6 L4 1.3.1; 3

    Verbeteren zichzelf tijdens het spreken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Reviseren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Verbeteren:
    • fout uitgesproken klanken, woorden en zinnen juist herhalen
    • de intonatie en klemtoon passend bij de gesproken tekst herhalen
    • een opbouw, gedachtegang of redenering herformuleren in functie van het begrip en de
        samenhang
  83. NL.400 Gebruiken K2 K3 KO 1.3.8

    Vertellen in de klas.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Presenteren en vertellen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vertellen:
    • over ervaringen vanuit de eigen leefwereld en de klas- en schoolomgeving
    • over een plan van aanpak
  84. NL.401 Gebruiken L1 L2 L4 1.3.9

    Presenteren* aan een bekend publiek.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Presenteren en vertellen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Presenteren:
    • beschrijven van een voorwerp, persoon, dier of plaats
    • verslag uitbrengen over een ervaring of beleving
    • instructie geven over een plan van aanpak (uitleggen hoe je iets moet doen)
    • een mededeling doen
    
    * presenteren of vertellen
  85. NL.402 Gebruiken L3 L4 L4 1.3.9; L4 1.3.1; 0

    Presenteren* aan een bekend publiek.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Presenteren en vertellen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Presenteren:
    • verslag uitbrengen over een leeractiviteit
    • verzamelde informatie over een persoonlijk interesseveld uiteenzetten
    • een beschrijving geven
    • een mededeling of aankondiging doen
    • een anekdote vertellen
    • een mening formuleren
    
    * presenteren of vertellen
  86. NL.403 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.6; L6 1.3.7

    Presenteren* aan een bekend en onbekend publiek.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Presenteren en vertellen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Presenteren:
    • inzichten en besluit van een eerder gevoerd onderzoek delen
    • een mening uiteenzetten en beargumenteren
    • een oproep tot actievoeren
    • informatie, verzameld uit verschillende bronnen delen
    
    * presenteren of vertellen
  87. NL.404 Gebruiken L1 L2 L4 1.3.1; 2

    Gebruiken hulpmiddelen bij het presenteren* wanneer die de boodschap ondersteunen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Presenteren en vertellen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Hulpmiddelen:
    • concreet materiaal
    • afbeeldingen
    
    * presenteren of vertellen
  88. NL.405 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.3.1; 2

    Gebruiken hulpmiddelen bij mondeling presenteren*.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Presenteren en vertellen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Hulpmiddelen:
    • concreet materiaal
    • afbeeldingen
    • digitale hulpmiddelen zoals presentatiesoftware
    
    * presenteren of vertellen
  89. NL.406 Engageren L1 L2 GO!-doel

    Reflecteren over het eigen spreekproces.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Reflecteren op het spreekproces

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigen spreekproces:
    • de formulering van de boodschap tijdens het spreken
    • de presentatie bij het spreken
  90. NL.407 Engageren L3 L4 L5 L6 GO!-doel

    Reflecteren over het eigen spreekproces.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Reflecteren op het spreekproces

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigen spreekproces:
    • de voorbereiding voor het spreken
    • de keuze van het teksttype in functie van de boodschap en het publiek/ de ontvanger
    • de formulering van de boodschap tijdens het spreken
    • het eventuele reviseren of verbeteren tijdens het spreken
    • de presentatie bij het spreken
  91. NL.408 Begrijpen L3 L4 GO!-doel

    Illustreren kenmerken van een spreekstijl.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Reflecteren op het spreekproces

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Kenmerken van een spreekstijl:
    • verstaanbaarheid
    • het gebruik van lichaamstaal
    • expressie
    • taalregister
  92. NL.409 Engageren L3 L4 GO!-doel

    Reflecteren over de eigen spreekstijl en die van anderen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Reflecteren op het spreekproces

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Spreekstijl:
    • verstaanbaarheid
    • het gebruik van lichaamstaal
    • expressie
    • taalregister
  93. NL.410 Engageren L5 L6 GO!-doel

    Reflecteren over de eigen spreekstijl en die van anderen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Reflecteren op het spreekproces

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Spreekstijl:
    • verstaanbaarheid
    • het gebruik van lichaamstaal
    • expressie
    • taalregister
    • taalgebruik: complexiteit van zinnen, rijkdom van de woordenschat, breedvoerig of
        beknopt
  94. NL.411 Engageren L5 L6 GO!-doel

    Reflecteren over de boodschap van de spreker(s).

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Spreken, presenteren en vertellen › Spreekproces sturen met behulp van strategieën › Reflecteren op het spreekproces

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Reflecteren:
    Gebruik makend van gespreksstrategieën:
    • zich relevante zaken afvragen en vragen stellen
    • verbindingen zoeken tussen wat deelnemers zeggen
  95. NL.412 Gebruiken K1 K2 K3 KO 1.3.9

    Voeren gesprekken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Variatie aan mondelinge interactievormen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gesprekken:
    mondelinge interactievormen
    • rechtstreeks aansluitend bij de plaats, tijd en situatie waarin ze plaatsvinden
    • los van de zichtbare werkelijkheid

    Voorbeelden

    Gesprekken:
    • De kleuters bekijken samen met de leerkracht een apparaat (technisch systeem) en
        bespreken hoe het zou kunnen werken. (plaats, tijd en situatie)
    • Jonas vertelt over een bezoek dat hij samen met zijn ouders bracht aan hun
        grootouders in het rusthuis. (los van de zichtbare werkelijkheid)
  96. NL.413 Gebruiken L1 L2 L4 1.3.1; 4

    Participeren aan gesprekken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Variatie aan mondelinge interactievormen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Participeren:
    • doelgericht luisteren, spreken en non-verbaal reageren in het gesprek
    
    Gesprekken:
    mondelinge interactievormen
    • kringgesprek
    • onderwijsleergesprek
    • gesprek om informatie te geven of te vragen
    • dialoog
    • gesprekken in kleine groepen
  97. NL.414 Gebruiken L3 L4 L4 1.3.1; 4

    Participeren aan gesprekken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Variatie aan mondelinge interactievormen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Participeren:
    • doelgericht luisteren, spreken en non-verbaal reageren in het gesprek
    
    Gesprekken:
    mondelinge interactievormen
    • onderwijsleergesprek
    • gesprek om informatie te geven of te vragen
    • dialoog
    • groepsgesprek
    • discussie
  98. NL.415 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.1; 0

    Participeren aan gesprekken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Variatie aan mondelinge interactievormen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Participeren:
    • Doelgericht en genuanceerd luisteren, spreken en non-verbaal reageren in het gesprek
    
    Gesprekken:
    mondelinge interactievormen
    • onderwijsleergesprek
    • gesprek om informatie te geven of te vragen
    • dialoog
    • groepsgesprek
    • discussie
  99. NL.416 Gebruiken K3 L1 L2 KO 1.3.9; L4 1.3.1; 4

    Gaan met elkaar in gesprek om te onderhandelen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Deelnemen aan discussie en overleg

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Onderhandelen:
    • over het plan van aanpak bij een groepsactiviteit
    • over de oplossingsstrategie bij problemen
  100. NL.417 Gebruiken L3 L4 L4 1.3.1; 4

    Gaan met elkaar in gesprek om te onderhandelen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Deelnemen aan discussie en overleg

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Onderhandelen:
    • over het plan van aanpak bij een groepsactiviteit
    • over de taakverdeling bij een groepsactiviteit
    • over de oplossingsstrategie bij problemen
  101. NL.418 Gebruiken L3 L4 L4 1.3.1; 4

    Gaan met elkaar in gesprek om afspraken te maken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Deelnemen aan discussie en overleg

  102. NL.419 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.1; 0

    Voeren probleemoplossende gesprekken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Deelnemen aan discussie en overleg

  103. NL.420 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.1; 0

    Geven in een gesprek argumenten om de eigen mening te staven en een andere mening te ontkrachten.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Deelnemen aan discussie en overleg

  104. NL.421 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.1; 0

    Gebruiken vragen in een discussie om verduidelijking van de standpunten te krijgen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Deelnemen aan discussie en overleg

  105. NL.422 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.1; 0

    Vergelijken in een discussie argumenten en tegenargumenten.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Deelnemen aan discussie en overleg

  106. NL.423 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.1; 0

    Formuleren een conclusie bij een discussie.*

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Deelnemen aan discussie en overleg

  107. NL.424 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.1; 0

    Sturen in een discussie argumenten, het eigen standpunt of de eigen mening bij.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Deelnemen aan discussie en overleg

  108. NL.425 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.1; 0

    Geven in een discussie argumenten om de overtuiging van de anderen te veranderen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Deelnemen aan discussie en overleg

  109. NL.426 Gebruiken K1 K2 K3 KO 1.3.9

    Participeren spontaan aan gesprekken om persoonlijke ervaringen uit te wisselen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Informatie uitwisselen

  110. NL.427 Gebruiken K2 K3 L1 KO 1.3.9

    Gebruiken in een gesprek vraagzinnen om hulp te vragen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Informatie uitwisselen

  111. NL.428 Gebruiken K2 K3 KO 1.3.9

    Gebruiken in een gesprek vragen om de gewenste informatie te bekomen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Informatie uitwisselen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Informatie:
    • een behandeld onderwerp binnen de verschillende leergebieden
    
    Vraagsoorten:
    • gesloten vragen
    • open vragen
  112. NL.429 Gebruiken L1 L2 L4 1.3.1; 4

    Gebruiken in een gesprek vragen om de gewenste informatie te bekomen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Informatie uitwisselen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Informatie:
    • een behandeld onderwerp binnen de verschillende leergebieden
    
    Vraagsoorten:
    • gesloten vragen
    • open vragen
    • meerkeuzevragen
  113. NL.430 Gebruiken L3 L4 L4 1.3.1; 4

    Gebruiken in een gesprek verschillende vraagsoorten om informatie in te winnen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Informatie uitwisselen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vraagsoorten:
    • gesloten vragen
    • open vragen
    • reflectieve vragen
  114. NL.431 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.1; 0

    Gebruiken in een gesprek verschillende vraagsoorten om informatie in te winnen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Informatie uitwisselen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vraagsoorten:
    • kritische vragen
    • hypothetische vragen
    • controlevragen
  115. NL.432 Engageren L3 L4 L5 L6 L4 1.3.1; 4; L6 1.3.1; 0

    Tonen hun kennis over het stellen van vragen in verschillende contexten.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Informatie uitwisselen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Ezra bladert in een informatief boek over vulkanen en zegt: “Hoe ontstaat lava
        eigenlijk?”
    • Micah bouwt samen met klasgenoten een bouwwerk voor een project en vraagt: “Wie
        wil de toren bouwen en wie maakt de brug?”
  116. NL.433 Gebruiken L5 L6 GO!-doel

    Gebruiken gerichte vragen om de gewenste informatie te bekomen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Informatie uitwisselen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gerichte vragen:
    • aan leeftijdsgenoten en bekende volwassenen
  117. NL.434 Gebruiken L5 L6 GO!-doel

    Gebruiken vragen in een gesprek om meer informatie te winnen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Informatie uitwisselen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gebruiken:
    • stellen van vragen en verder doorvragen
  118. NL.435 Gebruiken L1 L2 L4 1.3.1; 4

    Gaan met elkaar in gesprek om gedachten uit te wisselen.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Informatie uitwisselen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Gedachten uitwisselen:
    • over eigen werk, groepsactiviteiten, (voor)gelezen boeken, actualiteit, media
  119. NL.436 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.3.1; 4; L6 1.3.1; 0

    Gaan met elkaar in gesprek over hun eigen en elkaars mening.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Informatie uitwisselen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Eigen en elkaars mening:
    • over eigen werk, over andermans werk, ervaringen bij leeractiviteiten, gelezen boeken,
        actualiteit, media
  120. NL.437 Begrijpen L3 L4 L5 L6 L4 1.3.1; 4; L6 1.3.1; 0

    Herkennen feiten en meningen in gesprekssituaties.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Informatie uitwisselen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de mening, het feit
  121. NL.438 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.3.1; 4; L6 1.3.1; 0

    Onderscheiden feiten en meningen in gesprekssituaties.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Informatie uitwisselen

  122. NL.439 Gebruiken K1 K2 K3 KO 1.3.9

    Participeren actief aan een gesprek.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Actief:
    • de blik gericht houden op de gesprekspartners
    • non-verbaal reageren
    • verbaal reageren
  123. NL.440 Engageren K1 K2 K3 KO 1.3.9

    Zetten een volgehouden aandachtspanne in bij het voeren van gesprekken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

  124. NL.441 Gebruiken K2 K3 KO 1.3.9

    Gebruiken standaardzinnen, basiszinnen en vraagzinnen in een gesprek.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Standaardzinnen, basiszinnen en vraagzinnen:
    • bij het groeten
    • bij het aanspreken
    • bij het bedanken
    • bij vragen

    Voorbeelden

    Groeten:
    • Goeiemorgen juf/meester.
    • Tot morgen juf/meester.
    Aanspreken:
    • Dag meneer/mevrouw directeur, dit is voor u.
    • Yoshi, mag ik met jou meespelen?
    Bedanken:
    • Dankjewel, Lize.
    • Dat is lief, dankjewel.
    Vragen:
    • Wie weet dat?
    • Hoe doe je dat?
  125. NL.442 Begrijpen K1 K2 K3 KO 1.3.9

    Herkennen gespreksconventies.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gespreksconventies:
    • op een gepaste manier het woord nemen of vragen
    • elkaar laten uitspreken
  126. NL.443 Gebruiken K1 K2 K3 KO 1.3.9

    Gebruiken gespreksconventies.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gespreksconventies:
    • op een gepaste manier het woord nemen of vragen
    • elkaar laten uitspreken
  127. NL.444 Begrijpen K2 K3 KO 1.3.9

    Herkennen gespreksconventies.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gespreksconventies:
    • inspelen op wat anderen zeggen
  128. NL.445 Gebruiken K2 K3 KO 1.3.9

    Gebruiken gespreksconventies.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gespreksconventies:
    • inspelen op wat anderen zeggen
  129. NL.446 Begrijpen L1 L2 L4 1.3.1; 4

    Illustreren gespreksconventies.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gespreksconventies:
    • elkaar laten uitspreken
    • op een gepaste manier het woord vragen of nemen
    • inspelen op de inbreng van de gesprekspartner
    • elkaars inbreng waarderen
  130. NL.447 Gebruiken L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.3.1; 4

    Passen gespreksconventies toe.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gespreksconventies:
    • elkaar laten uitspreken
    • op een gepaste manier het woord vragen of nemen
    • inspelen op de inbreng van de gesprekspartner
    • elkaars inbreng waarderen
  131. NL.448 Gebruiken L3 L4 L4 1.3.1; 4

    Voeren samenhangende gesprekken die ze gaande houden door in te spelen op de inbreng van de ander.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Inspelen op de inbreng van de ander:
    • antwoorden in volzinnen op vragen
    • brengen argumenten, meningen en nieuwe informatie in die aansluiten bij het
        gespreksonderwerp.
  132. NL.449 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.3.1; 4; L6 1.3.1; 0

    Houden in een gesprek de gesprekslijn vast.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

  133. NL.450 Gebruiken L5 L6 L4 1.3.1; 4; L6 1.3.1; 0

    Passen de rol van gespreksleider toe.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Rol van de gespreksleider:
    • rekening houdend met beurtwisseling
  134. NL.451 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.1; 0

    Voeren samenhangende gesprekken die ze gaande houden door in te spelen op de inbreng van de ander.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Inspelen op de inbreng van de ander:
    • bouwen verder op andermans ideeën
    • bevragen argumenten die aansluiten bij het gespreksonderwerp
    • nuanceren argumenten die aansluiten bij het gespreksonderwerp
    • legen verbanden tussen verschillende standpunten
    • komen tot een conclusie*
    
    *met ondersteuning
  135. NL.452 Begrijpen L4 L5 L6 GO!-doel

    Illustreren het passend afronden van een gesprek.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Passend afronden van een gesprek:
    • het gesprek samenvatten, waardering uiten, vooruitblikken, een reflectie geven
  136. NL.453 Gebruiken L4 L5 L6 GO!-doel

    Ronden een gesprek passend af.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

  137. NL.454 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.3.1; 4

    Houden rekening met wat gesprekspartners weten.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Rekening houden met wat gesprekspartners weten:
    • Niet nodeloos herhalen van informatie die al gekend of geweten is, iedereen weet dat
        de school niet open is op zaterdag en zondag.
    • Geven aanvullende informatie die nodig is om het gesprek te volgen, leggen uit dat een
        ‘glitch’ een fout of storing in een computerspel is.
  138. NL.455 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.3.1; 4

    Stemmen luister- en spreekstijl af op verschillende situaties.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Spreekstijlen:
    • formeel en informeel taalgebruik
    • spreektempo, volume en woordgebruik aangepast aan het publiek
  139. NL.456 Engageren L3 L4 L5 L6 L4 1.3.1; 4

    Tonen open te staan voor elkaars meningen en standpunten.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

  140. NL.457 Gebruiken L5 L6 L6 1.3.1; 0

    Reageren gepast als de gesprekspartner anders reageert of denkt.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gepast:
    • aanvaarden dat de ander anders reageert dan verwacht
    • de ander de vrijheid gunnen om de vragen, onderwerpen… aan te nemen, te weigeren
        of te twijfelen
  141. NL.458 Engageren K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 KO 1.3.9; L4 1.3.1; 4; L6 1.3.1; 0

    Reflecteren over de gespreksconventies die ze gebruikt hebben.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

  142. NL.459 Engageren K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.3.1; 4; L6 1.3.1; 0

    Reflecteren over gevoerde gesprekken.

    Nederlands Mondeling taalgebruik › Mondelinge interactievaardigheden › Gespreksconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Reflecteren over:
    • Wat ging er goed in het gesprek?
    • Wat zou je anders doen de volgende keer?
    • Op welke manier liet je merken dat je de ander begreep?
    • Heb je je mening duidelijk kunnen overbrengen?
    • Was mijn uitleg duidelijk voor de ander? Hoe weet ik dat?
    • Waren mijn argumenten sterk genoeg, en hoe had ik die nog sterker kunnen maken?
    • Hoe heb ik mijn non-verbale communicatie ingezet om het gesprek te ondersteunen?