Leerplannen Leerplandoelen
Leerjaar
Verwerkingsaspect

141 doelen

CSV downloaden filters wissen

vak: NL ✕ Lezen ✕

  1. NL.001 Begrijpen K1 KO 1.1.1

    Herkennen eenvoudige eindrijm.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonologisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eindrijm:
    via rijmpjes en versjes

    Voorbeelden

    Eenvoudige eindrijm:
    kat-mat, koe-moe
  2. NL.002 Begrijpen K2 K3 KO 1.1.1

    Herkennen rijm.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonologisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    het rijm, rijmen
  3. NL.003 Gebruiken K2 K3 KO 1.1.1

    Passen rijm toe.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonologisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Toepassen:
    • Rijmt het of rijmt het niet?
    • Zoek bij elkaar wat rijmt. Zoek de rijmende woorden.
    • ontbrekende zinnen en woorden aanvullen
    • zelf rijm bedenken

    Voorbeelden

    Rijmt het of rijmt het niet?:
    (a) boom-tak, zak-tak; b) kok-pot, kok-rot
    Zoek bij elkaar wat rijmt:
    (a) maan-haan-ster-kip; b) maan-haan-schaap-man
  4. NL.004 Begrijpen K2 KO 1.1.1

    Herkennen klankgroepen in woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonologisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Klankgroepen:
    in korte woorden

    Voorbeelden

    Klankgroepen in woorden:
    in korte woorden: ‘fo-to’, ‘ba-llen’
  5. NL.005 Begrijpen K3 KO 1.1.1

    Herkennen klankgroepen in woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonologisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Klankgroepen:
    in langere woorden

    Te hanteren begrippen

    het woord, de klankgroep

    Voorbeelden

    Klankgroepen in woorden:
    in langere woorden: ‘fo-to-toe-stel’, ‘re-gen-boog’
  6. NL.006 Gebruiken K2 K3 KO 1.1.1

    Verdelen een woord in klankgroepen.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonologisch bewustzijn

  7. NL.007 Gebruiken K2 K3 KO 1.1.1

    Voegen klankgroepen samen tot een woord.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonologisch bewustzijn

  8. NL.008 Begrijpen K2 K3 KO 1.1.2

    Zeggen klanken, een reeks woorden of een zin op.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonologisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Opzeggen:
    Herhalen van wat de leraar of een kleuter voorzegt: trainen van het auditief
    geheugen.
    Klanken:
    • met aandacht voor de uitspraak
    
    Een reeks woorden:
    • 2 tot 4 woorden
    
    Een zin:
    • een eenvoudige, korte zin nazeggen
    • een korte zin aanvullen

    Voorbeelden

    Opzeggen:
    woordenrij onthouden en herhalen; onthoudspel zoals "Ik ga op reis en neem
    mee..."; "Appel, banaan, peer." Luister nu goed, wat ontbreekt: "Appel, peer"; Als je
    /oe/ hoort, sta je recht, als je /ie/ hoort handen omhoog en als je /ee/hoort ga je op
    je hurken zitten.
  9. NL.009 Gebruiken K1 KO 1.1.2

    Onderscheiden klanken.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonemisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Klanken:
    sterk contrasterende klanken

    Voorbeelden

    Sterk contrasterende klanken onderscheiden:
    
    • De leraar laat twee sterk contrasterende klanken horen: “ssss” (slang) en “rrrr”
        (motor). Als de slang sist (“sss”) bewegen de kinderen als een slang. Als de
        motor rijdt (“rrr”) bewegen ze als een motor.
    
    • De leraar vertelt een kort verhaaltje met veel “aaah” en “oooh”-uitroepen. Bij
        “aaah” doet de leraar samen met de kinderen de mond wijd open, bij “oooh”
        vormt iedereen met de handen een “toeter” rond de mond.
  10. NL.010 Begrijpen K2 KO 1.1.2; KO 1.1.3

    Herkennen verschillen en overeenkomsten tussen twee gesproken klanken in woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonemisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de klank
  11. NL.011 Begrijpen K2 K3 KO 1.1.2; KO 1.1.3

    Herkennen klanken in woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonemisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herkennen:
    aangeven of een klank wel of niet voorkomt in een woord
    
    Woorden:
    • MK-woorden
    • KM-woorden
    • MKM-woorden
  12. NL.012 Gebruiken K2 KO 1.1.2; KO 1.1.3

    Onderscheiden de beginklank in woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonemisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Onderscheiden:
    De beginklank in het woord horen en onderscheiden van andere klanken (auditieve
    discriminatie).
    
    Woorden:
    • MK-woorden
    • KM-woorden
    • MKM-woorden

    Voorbeelden

    Beginklank onderscheiden:
    • Sorteren op beginklank (M – mand, muts, mama)
    • “Wat klinkt hetzelfde, wat klinkt anders?” (maan-maan, mees-lees)
  13. NL.013 Gebruiken K2 KO 1.1.2; KO 1.1.3

    Onderscheiden de eindklank in woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonemisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Onderscheiden:
    De eindklank in het woord horen en onderscheiden van andere klanken (auditieve
    discriminatie).
    Woorden:
    • MK-woorden
    • KM-woorden
    • MKM-woorden

    Voorbeelden

    Eindklank onderscheiden:
    • Sorteren op eindklank (M – oom, bloem, lam)
    • “Wat klinkt hetzelfde, wat klinkt anders?” (boom-boos, lam-lam)
  14. NL.014 Gebruiken K3 L1 KO 1.1.2; KO 1.1.3

    Onderscheiden klanken in woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonemisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Onderscheiden:
    auditieve discriminatie: De klank in het woord horen en onderscheiden van andere
    klanken.
    
    Woorden:
    • MK-woorden
    • KM-woorden
    • MKM-woorden
    
    Klanken in woorden:
    • beginklank
    • middenklank
    • eindklank
    
    Klanken:
    Een variatie aan klanken

    Te hanteren begrippen

    vooraan, achteraan, in het midden

    Voorbeelden

    Klanken in woorden:
    • Wat hoor je vooraan in /vuur/?
    • Wat hoor je achteraan in /kaas/?
    • Wat hoor je in het midden in /kat/?
    • Wat hoor je vooraan in /ook/?
    • Wat hoor je in het midden in /reus/?
    • Wat hoor je vooraan in /ijs/?
  15. NL.015 Gebruiken K3 L1 KO 1.1.3

    Verdelen een woord in afzonderlijke klanken.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonemisch bewustzijn

  16. NL.016 Gebruiken K3 L1 KO 1.1.3

    Voegen afzonderlijke klanken samen tot een woord.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonemisch bewustzijn

  17. NL.017 Gebruiken K3 L1 KO 1.1.2

    Voeren klankbewerkingen uit in woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonemisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Klankbewerkingen:
    • toevoeging van een klank
    • weglating van een klank
    • vervanging van een klank

    Voorbeelden

    Toevoeging van een klank:
    Ik voeg vooraan een /b/ toe aan /oom/ en bekom /boom/.
    Weglating van een klank:
    /raap/ zonder /r/ is /aap/.
    Vervanging van een klank:
    Bij het woord /mat/ wissel ik de /m/ in voor een /l/. Zo vorm ik het woord /lat/.
  18. NL.018 Engageren K2 K3 L1 KO 1.1.1; KO 1.1.2; KO 1.1.3

    Tonen hun kennis van klanken in verschillende contexten.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonemisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Daniel luistert naar een versje en klapt telkens als hij een woord hoort dat met
        de klank /s/ begint, zoals slang, stoel en sok.
    • Abigail rijmt boom op room en legt uit dat ze dezelfde klankgroep achteraan
        hoort.
  19. NL.019 Begrijpen K2 KO 1.1.4

    Herkennen voor hen belangrijke letters.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Letters › Klanktekenkoppeling (alfabetisch principe)

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    het woord, de letter

    Voorbeelden

    Belangrijke letters:
    • Letters herkennen in woorden die ze vaak tegenkomen.
    • Letters herkennen in woorden die steeds in een letterlijke herhaling in een
        prentenboek voorkomen.
  20. NL.020 Gebruiken K2 KO 1.1.4

    Verklanken voor hen belangrijke letters.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Letters › Klanktekenkoppeling (alfabetisch principe)

  21. NL.021 Begrijpen K3 KO 1.1.4

    H e r k e n n en minstens vijftien letters.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Letters › Klanktekenkoppeling (alfabetisch principe)

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herkennen:
    • leesletters: kleine letter, hoofdletter
    • in verschillende verschijningsvormen
    Letters:
    • korte klinkers
    • lange klinkers
    • tweetekenklinkers
    • medeklinkers

    Te hanteren begrippen

    de klinker, de medeklinker
  22. NL.022 Gebruiken K3 KO 1.1.4

    Verklanken minstens vijftien letters.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Letters › Klanktekenkoppeling (alfabetisch principe)

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Verklanken:
    • met correcte uitspraak
    • leesletters: kleine letter, hoofdletter
  23. NL.023 Begrijpen L1 L2 L4 1.1.2

    Herkennen alle letters.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Letters › Klanktekenkoppeling (alfabetisch principe)

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Letters:
    • leesletters: kleine letter, hoofdletter
    • schrijfletters: kleine letter, hoofdletter
    • in verschillende verschijningsvormen

    Te hanteren begrippen

    de korte klinker, de lange klinker, de tweetekenklinker, de medeklinker
  24. NL.024 Gebruiken L1 L2 L4 1.1.2

    Verklanken alle letters.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Letters › Klanktekenkoppeling (alfabetisch principe)

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Letters:
    • korte klinkers
    • lange klinkers
    • tweetekenklinkers
    • medeklinkers
    
    Verklanken:
    • leesletters: kleine letter, hoofdletter
    • schrijfletters: kleine letter, hoofdletter
  25. NL.025 Begrijpen L2 L3 GO!-doel

    Begrijpen het doel van het alfabet.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Letters › Alfabet

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Doel:
    • alfabetisch rangschikken
    • alfabetisch opzoeken

    Te hanteren begrippen

    de letter, het alfabet
  26. NL.026 Begrijpen L2 L3 GO!-doel

    Zeggen het alfabet op.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Letters › Alfabet

  27. NL.027 Gebruiken L2 L3 GO!-doel

    Gebruiken het alfabet bij het opzoeken of rangschikken.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Letters › Alfabet

  28. NL.028 Engageren K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 KO 1.1.4; L4 1.1.2

    Tonen hun kennis van letters in verschillende leescontexten.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Letters › Alfabet

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • In de kleuterklas wordt gewerkt rond het thema verkeer. In de bouwhoek ligt
        een doos met verkeersborden. Dario en Frieke bouwen samen een winkel. De
        parkeerplaatsen bij de winkel duiden ze aan met het verkeersbord waar de
        letter ‘p’ op staat. Zij weten dat dat de letter ‘p’ is van het woord ‘parkeren’.
    • In de schoolbibliotheek staan de boeken alfabetisch gerangschikt. Yaro vindt
        snel een boek dat hij wil lezen door met behulp van het alfabet te zoeken.
        Wanneer hij het uit heeft gelezen kan hij het ook gemakkelijk op de juiste plek
        terugplaatsen door gebruik te maken van de alfabetische volgorde.
  29. NL.029 Gebruiken L1 L4 1.1.2

    Lezen klankzuivere woorden met één lettergreep.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Klankzuivere woorden met één lettergreep:
    pen, boos, juf, reus
  30. NL.030 Gebruiken L1 L4 1.1.2

    Lezen lidwoorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Lidwoorden:
    de, het, een
  31. NL.031 Gebruiken L1 L4 1.1.2

    Lezen eenlettergrepige woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eenlettergrepige woorden:
    • eindigend op -d of -t
    • eindigend op -ng, -nk
    • met klankgroep aai, ooi, oei
  32. NL.032 Gebruiken L1 L4 1.1.2

    Lezen eenvoudige tweelettergrepige woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eenvoudige tweelettergrepige woorden:
    • niet samengestelde woorden
    • samengestelde woorden

    Voorbeelden

    Eenvoudige tweelettergrepige samengestelde woorden:
    kastdeur, voetbal
  33. NL.033 Gebruiken L1 L4 1.1.2

    Lezen klankzuivere woorden met medeklinkerclusters vooraan of achteraan.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Woorden met medeklinkerclusters:
    • MKMM
    • MMKM
    • MMKMM
    • MMMKM
    • MKMMM
    
    Medeklinkerclusters:
    • inclusief sch-, -ch, -cht

    Voorbeelden

    Woorden met een medeklinkercluster vooraan:
    de kraan, de trap, de strik, het schaap
    Woorden met een medeklinkercluster achteraan:
    de poort, de berg, de herfst, de dag, mol lacht, beer zegt
  34. NL.034 Gebruiken L1 L4 1.1.2

    Lezen verkleinwoorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

  35. NL.035 Gebruiken L1 L2 L4 1.1.2

    Lezen woorden met een hoofdletter.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

  36. NL.036 Gebruiken L2 L3 L4 1.1.1; L4 1.1.2

    Lezen woorden met een doffe e klank.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Woorden met een doffe e:
    • in een onbeklemtoonde lettergreep achteraan
    • met voorvoegsel ge-, be-, ver-
    • met achtervoegsel -ig, -lijk
  37. NL.037 Gebruiken L2 L3 L4 1.1.2

    Lezen woorden met specifieke lettercombinaties.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Specifieke lettercombinaties:
    • eeuw, ieuw en uw
    • eindigend op -b, -p
  38. NL.038 Gebruiken L2 L3 L4 1.1.2

    Lezen woorden met gesloten lettergrepen.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

  39. NL.039 Gebruiken L2 L3 L4 1.1.2

    Lezen woorden met open lettergrepen.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de lettergreep
  40. NL.040 Gebruiken L2 L3 L4 L4 1.1.2

    Lezen frequente woorden waarin specifieke letters en lettercombinaties afwijkend worden uitgesproken.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Afwijkende uitspraak:
    • politie (t als s)
    • bureau (eau als oo)
  41. NL.041 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L6 1.1.1

    Lezen frequente leenwoorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    het leenwoord

    Voorbeelden

    Frequente leenwoorden:
    restaurant, computer
  42. NL.042 Gebruiken L4 L5 L6 L6 1.1.1

    Lezen vaak voorkomende afkortingen.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Vaak voorkomende afkortingen:
    • EU lezen als ‘Europese Unie’
    • p.7 lezen als ‘pagina 7’
  43. NL.043 Gebruiken L1 L4 1.1.2

    Lezen gekende letters en woorden in eenvoudige zinnen aan een gepast tempo.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

  44. NL.044 Gebruiken L1 L4 1.1.2

    Lezen zinnen*.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Zinnen:
    • zinslengte: van 1 tot ongeveer 8 woorden
    • één zin per regel
    • zowel kleine letters als hoofdletters
    • enkelvoudige zinnen
    • korte samengestelde zinnen met ‘en’, ‘maar’
    • leestekens punt, uitroepteken en vraagteken
    
    *in een variatie aan teksten
  45. NL.045 Gebruiken L2 L4 1.1.2

    Lezen zinnen*.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Zinnen:
    • zinslengte: van 1 tot ongeveer 12 woorden
    • korte zinnen die betekenisvol zijn afgebroken en doorlopen op de volgende
        regel
    • samengestelde zinnen
    • met klankzuivere en niet-klankzuivere één- en meerlettergrepige woorden
    • leestekens komma, aanhalingstekens en dubbel punt
    • leesgedrag afstemmen op leestekens punt, uitroepteken en vraagteken
    
    *in een variatie aan teksten
  46. NL.046 Gebruiken L3 L4 1.1.2

    Lezen zinnen*.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Zinnen:
    • zinslengte: van 1 tot ongeveer 16 woorden
    • lange zinnen met woordgroepen die kunnen doorlopen over de regels heen
    • leesgedrag afstemmen op leestekens komma, aanhalingstekens en dubbel punt
    
    *In een variatie aan teksten
  47. NL.047 Gebruiken L4 L4 1.1.2

    Lezen zinnen*.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Zinnen:
    • zinslengte: van 1 tot ongeveer 20 woorden
    • zinnen beginnen niet meer noodzakelijk op een nieuwe regel
    • alle soorten woorden komen aan bod
    
    Lezen:
    accuraat en geautomatiseerd
    
    *In een variatie aan teksten
  48. NL.048 Begrijpen L2 L3 L4 1.1.2

    Herkennen bij het lezen woordgroepen in een zin als eenheid.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vloeiend lezen

  49. NL.049 Gebruiken L2 L3 L4 1.1.3

    Lezen woordgroepen in een zin als eenheid met hantering van de leesboog.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vloeiend lezen

  50. NL.050 Gebruiken L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.1.2; L4 1.1.3

    Lezen woorden verstaanbaar en accuraat.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vloeiend lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Accuraat:
    • correcte uitspraak versus spellingsuitspraak
    
    Verstaanbaar:
    • articulatie

    Voorbeelden

    Correcte uitspraak versus spellingsuitspraak:
    • De normale uitspraak van pannenkoek is [panəkoek]. Als je een [n] uitspreekt is
        dat een spellinguitspraak.
    • Lezen woorden eindigend op -lijk met de juiste uitspraak zoals het woord
        /natuurlijk/, [natuurlək].
  51. NL.051 Gebruiken L1 L2 L4 1.1.2; L4 1.1.3

    Lezen het woord met intonatie.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vloeiend lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Intonatie:
    met gepaste klemtoon
  52. NL.052 Begrijpen L3 L4 L4 1.1.3; L4 1.1.12

    Illustreren lezen met intonatie.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vloeiend lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Intonatie:
    • met gepaste klemtoon
    • met behulp van lees- en woordtekens
    • in functie van de inhoud van de tekst
  53. NL.053 Gebruiken L3 L4 L4 1.1.3; L4 1.1.12

    Lezen de zin met intonatie.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vloeiend lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Intonatie:
    • met gepaste klemtoon
    • met behulp van lees- en woordtekens
    • in functie van de inhoud van de tekst
  54. NL.054 Begrijpen L5 L6 L6 1.1.2

    Illustreren lezen met expressie.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vloeiend lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Expressie:
    • gepast volume
    • gepast tempo
    • natuurlijkheid
    • emotionaliteit
  55. NL.055 Gebruiken L2 L3 L6 1.1.2

    Lezen met het gepaste volume.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vloeiend lezen

  56. NL.056 Gebruiken L2 L3 L4 L6 1.1.2

    Lezen teksten in het gepaste tempo.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vloeiend lezen

  57. NL.057 Gebruiken L4 L5 L6 L6 1.1.2

    Lezen met natuurlijkheid en emotionaliteit.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vloeiend lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Natuurlijkheid en emotionaliteit:
    • Spreken bij het luidop lezen van teksten op dezelfde manier als bij een gewoon
        gesprek. (natuurlijkheid)
    • Laten het verschil horen tussen een dialoog en een beschrijving. (natuurlijkheid)
    • Geven uitdrukking aan beelden, gevoelens en gedachten. (emotionaliteit)
  58. NL.058 Gebruiken K2 K3 L4 1.1.1; L4 1.1.2

    Lezen frequent voorkomende woorden met behulp van de visuele woordvorm.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Decoderen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Lezen met behulp van visuele woordvorm:
    • directe woordherkenning zoals de eigen naam
    • woordherkenning op basis van de eerste letter, dikwijls in combinatie met een
        afbeelding
  59. NL.059 Begrijpen L1 L2 L4 1.1.1; L4 1.1.2

    Herkennen verschillende leestechnieken.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Decoderen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Leestechnieken:
    • elementaire leeshandeling
    • lezen met behulp van klankclusters en spellingspatronen
    • lezen met behulp van morfologische analyse
  60. NL.060 Gebruiken L1 L4 1.1.2

    Gebruiken de elementaire leeshandeling bij het lezen van nieuwe woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Decoderen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Elementaire leeshandeling:
    • De letters in een woord verklanken in de juiste volgorde.
    • De juiste volgorde van de klanken onthouden.
    • De klanken samenvoegen tot een woord.
    • Het nieuwe woord betekenis geven.

    Voorbeelden

    Elementaire leeshandeling:
    • /mmmaaannn/, /maan/
    • /lllijijijmmm/, /lijm/
  61. NL.061 Gebruiken L1 L2 L4 1.1.2

    Gebruiken klankclusters en spellingspatronen bij het lezen.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Decoderen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    klankclusters en spellingspatronen:
    • combinaties van medeklinkers
    • combinaties van zowel klinkers als medeklinkers
    • vaste lettercombinaties

    Voorbeelden

    klankclusters en spellingspatronen bij het lezen:
    • Lettercombinaties worden herkend en in één keer gelezen: /z/, /eep/, /zeep/,
        /st/, /ap/, /stap/ (als gevolg van automatisering van de elementaire
        leeshandeling).
    • Cluster: str, spr, kl
    • Spellingpatroon: ak, open, aan
    • Vaste lettercombinaties: aai, ooi
  62. NL.062 Gebruiken L2 L4 1.1.2

    Gebruiken de visuele woordvorm bij het lezen.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Decoderen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Visuele woordvorm:
    de woordvorm en de bijhorende klankvorm is in het geheugen opgeslagen, als gevolg
    van automatisering van de elementaire leeshandeling
  63. NL.063 Gebruiken L2 L3 L4 L4 1.1.1; L4 1.1.2; L6 1.1.1

    Gebruiken morfologische analyse bij het lezen.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Decoderen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Morfologische analyse:
    Het woord opdelen aan de hand van betekenisvolle lettercombinaties.

    Voorbeelden

    Morfologische analyse:
    • Herkennen direct woorddelen in een woord zoals /voet/ en /bal/ in /voetbal/
        (als gevolg van automatisering van de elementaire leeshandeling).
    • Herkennen betekenisvolle lettercombinaties zoals /ge/,/knoei/, /geknoei/;
        /ver/, /geven/, /vergeven/ (als gevolg van automatisering van de elementaire
        leeshandeling).
  64. NL.064 Gebruiken L5 L6 L6 1.1.1

    Lezen onbekende woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Decoderen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Lezen:
    • met behulp van inzicht in de morfologische opbouw
    • met behulp van kennis van leenwoorden

    Voorbeelden

    Morfologische opbouw:
    • indrukwekkend = samenstelling van indruk (in + druk) en het afgeleide woord
        wekkend (werkwoord wekken + achtervoegsel -end). betekenis: iets dat indruk
        wekt.
    • verdedigingsmiddel = afleiding van het werkwoord verdedigen, verdediging
        (verdedig + -ing), gevolgd door een samenstelling met middel. De -s- is een
        tussenklank (verbindings-s).
    • verstandshuwelijk = samenstelling van verstand en huwelijk, verbonden door
        een tussen-s. betekenis: een huwelijk gebaseerd op verstandelijke
        overwegingen.
    • desinformatie = afleiding met het voorvoegsel des- ('verkeerd', 'misleidend') en
        het zelfstandig naamwoord informatie. betekenis: opzettelijk misleidende
        informatie.
    Leenwoorden:
    multifunctioneel, telecommunicatie, treinconducteur, infantiel, artificieel
  65. NL.065 Gebruiken L1 L2 L4 1.1.2; L4 1.1.3; L4 1.1.4

    Verbeteren eigen fouten bij het lezen.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Zelfcorrectie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Verbeteren:
    met behulp van:
    • leestechnieken
    • afbeeldingen
    • aanwijzingen van anderen
  66. NL.066 Gebruiken L3 L4 L4 1.1.2; L4 1.1.3; L4 1.1.4

    Verbeteren zichzelf wanneer een woord of een regel niet of foutief gelezen is.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Zelfcorrectie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Verbeteren:
    met behulp van:
    • de inhoud van de tekst
    • kennis van woord- en leestekens
  67. NL.067 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.1.2; L4 1.1.3; L4 1.1.4

    Verbeteren zichzelf qua intonatie en expressie.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Zelfcorrectie

  68. NL.068 Engageren L3 L4 L5 L6 L4 1.1.4

    Reflecteren over hoe accuraat de eigen leesvaardigheid is.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Zelfcorrectie

  69. NL.069 Engageren L3 L4 L5 L6 L4 1.1.2; L4 1.1.3; L4 1.1.4

    Tonen na reflectie verbeteringen in een volgende leesbeurt.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Zelfcorrectie

  70. NL.070 Begrijpen K1 K2 K3 L1 KO 1.3.4; KO 1.1.5; KO 1.1.6; KO 1.1.7; KO 1.1.8; KO 1.1.9

    Begrijpen (voor)gelezen teksten.*

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Begrijpen:
    • eenvoudige visuele boodschappen
    • expliciete informatie
    • belangrijkste gebeurtenissen uit een verhaallijn
    • reageren door vragen te stellen
    
    *een variatie aan teksten
  71. NL.071 Gebruiken K1 K2 KO 1.1.6

    Geven informatie uit een voorgelezen tekst weer.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Informatie:
    • de belangrijkste gebeurtenissen
    • de situatie
    • de gevoelens
    • de personages
    • de perspectiefname
    
    Weergeven:
    • in eigen woorden
    • door het uit te beelden
    • met behulp van concreet materiaal en/of afbeeldingen

    Voorbeelden

    Perspectiefname:
    • Het hoofpersonage in het voorgelezen verhaal huilt. De kleuters leven zich in in
        het verdriet van het hoofdpersonage. Ze leggen aan de leerkracht uit dat het
        personage verdrietig is omdat die zijn speelgoed kwijt is.
    • De leerkracht leest een verhaal voor dat verteld wordt vanuit het ik-perspectief:
        ‘… en plots hoorde ik een luide ‘bonk’.’ De kleuters weten dat het personage in
        een vreemd huis is binnengewandeld. Ze vertellen dat het hoofdpersonage denkt
        dat de deur is dichtgewaaid.
  72. NL.072 Gebruiken K3 L1 KO 1.1.6

    Geven informatie uit een (voor)gelezen tekst weer.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Informatie:
    • de belangrijkste gebeurtenissen
    • de situatie
    • de gevoelens
    • de personages
    • de perspectiefname
    
    Weergeven:
    • in eigen woorden
    • met gebruik van taal uit de tekst
  73. NL.073 Begrijpen K1 K2 K3 L1 KO 1.1.9

    Begrijpen de verhaallijn van (voor)gelezen teksten*.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

  74. NL.074 Gebruiken K2 K3 L1 KO 1.1.9

    Geven de belangrijkste elementen uit een verhaallijn van (voor)gelezen teksten weer.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Weergeven:
    • in eigen woorden
    • in chronologische volgorde
    • met gebruik van taal uit de tekst
    
    Belangrijkste elementen:
    • hoofdpersonage(s)
    • hoofdgedachte
  75. NL.075 Begrijpen L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.1.5; L4 1.1.7

    Begrijpen gelezen teksten*.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Begrijpen:
    • expliciete informatie
    • hoofd- en bijzaken
    • hoofdgedachte
    • verbanden tussen voorgelezen tekst en vakspecifieke kennis en voorkennis
    • belangrijkste gebeurtenissen uit een verhaallijn
    
    *een variatie aan teksten
  76. NL.076 Gebruiken L2 L3 L4 L4 1.1.5

    Geven informatie uit een gelezen tekst weer.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

  77. NL.077 Gebruiken L3 L4 L4 1.1.5

    Geven hoofd- en bijzaken in gelezen teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

  78. NL.078 Gebruiken L3 L4 L4 1.1.5

    Geven de hoofdgedachte uit gelezen teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

  79. NL.079 Gebruiken K2 K3 L1 L2 KO 1.1.7

    Leiden relaties en verbanden af bij (voor)gelezen teksten*.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Relaties en verbanden:
    • oorzaak en gevolg
    • probleem en oplossing
    
    *een variatie aan teksten
  80. NL.080 Gebruiken L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.1.6

    Leiden relaties en verbanden af bij gelezen teksten*.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Relaties en verbanden:
    • oorzaak en gevolg
    • probleem en oplossing
    • middel-doel
    • deel-geheel
    • tussen hoofdpersonen en nevenpersonages
    
    *een variatie aan teksten
  81. NL.081 Gebruiken L2 L3 L4 L4 1.1.6

    Leiden logische conclusies af uit gelezen teksten*.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Logische conclusies afleiden:
    door informatie uit de tekst te combineren
    
    *een variatie aan teksten
  82. NL.082 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L6 1.1.3

    Leiden impliciete boodschappen in een gelezen tekst* af.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Impliciete boodschappen afleiden:
    aanwijzingen identificeren, verbindingen maken, conclusies trekken

    Voorbeelden

    Impliciete boodschappen afleiden:
    • In het verhaal zegt het hoofdpersonage ‘Oef! Deze doos is zwaar’. Wat hij niet
        zegt tegen de nevenpersonages is dat die graag hulp zou krijgen bij het dragen
        van de doos.
    • ‘Fietsen is niet alleen goed voor het milieu, maar ook voor de gezondheid. Toch
        blijven veel ouders kiezen voor de auto, vooral op regenachtige dagen of
        wanneer ze haast hebben.’: In deze passage uit de tekst wordt impliciet gezegd
        dat het beter zou zijn als ouders hun kinderen vaker met de fiets naar school
        laten gaan.
    
    *een variatie aan teksten
  83. NL.083 Gebruiken L5 L6 L6 1.1.3

    Leiden logische conclusies af uit gelezen teksten*.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie selecteren en interpreteren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Logische conclusies afleiden:
    impliciete en expliciete informatie uit de tekst te combineren
    
    *een variatie aan teksten
  84. NL.084 Gebruiken K1 K2 K3 L1 KO 1.1.8

    Maken verbindingen tijdens het luisteren naar of lezen van teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Verbindingen:
    • tussen de tekst en eigen ervaringen
    • tussen de tekst en vakspecifieke (voor)kennis
  85. NL.085 Gebruiken L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.1.7; L6 1.1.4

    Maken verbindingen tijdens het lezen van teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Verbindingen:
    • tussen de tekst en eigen ervaringen
    • tussen de tekst en vakspecifieke (voor)kennis
    • tussen passages uit de tekst
  86. NL.086 Gebruiken L1 L2 L3 L4 L4 1.1.8

    Bepalen of de titel bij de tekst past.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

  87. NL.087 Begrijpen L1 L2 L4 1.1.6

    Herkennen werkelijkheid en fantasie.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herkennen:
    bij (voor)gelezen teksten
  88. NL.088 Engageren L1 L2 L4 1.1.6

    Reflecteren over werkelijkheid en fantasie bij (voor)gelezen teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

  89. NL.089 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.1.6

    Onderscheiden fictie en non-fictie bij gelezen teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    fictie, non-fictie
  90. NL.090 Begrijpen L3 L4 L5 L6 L4 1.1.6; L6 1.1.3

    Herkennen feiten en meningen.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herkennen:
    in gelezen teksten

    Te hanteren begrippen

    de mening, het feit
  91. NL.091 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L6 1.1.3

    Onderscheiden feiten en meningen in gelezen teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

  92. NL.092 Begrijpen L3 L4 L4 1.1.9

    Verwoorden het standpunt van de auteur.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Standpunt:
    over het onderwerp van de tekst
  93. NL.093 Gebruiken L5 L6 GO!-doel

    Geven een onderbouwde beoordeling over de standpunten van de auteur.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Onderbouwde beoordeling:
    argumenten uit de tekst
  94. NL.094 Begrijpen L3 L4 L5 L6 L4 1.1.10

    Verwoorden hoe een tekst aansluit bij het leesdoel.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

  95. NL.095 Begrijpen L3 L4 L5 L6 L4 1.1.10

    Herkennen de bruikbaarheid van gelezen teksten in functie van het leesdoel.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

  96. NL.096 Gebruiken L5 L6 L6 1.1.5

    Analyseren standpunten en boodschappen uit verschillende teksten over hetzelfde onderwerp.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Verschillende teksten:
    • teksten van verschillende auteurs
    • verschillende teksten van dezelfde auteur
  97. NL.097 Gebruiken L5 L6 GO!-doel

    Vatten informatie uit verschillende bronnen over hetzelfde onderwerp samen.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

  98. NL.098 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L6 1.1.6

    Geven eigen gedachten en meningen weer over teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gedachten en meningen:
    • over de vorm
    • over de inhoud
    
    Weergeven:
    • onderbouwd met informatie uit de tekst
  99. NL.099 Gebruiken L6 GO!-doel

    Onderbouwen hun mening op basis van vergelijking van verschillende bronnen.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

  100. NL.100 Engageren L5 L6 L6 1.1.6

    Reflecteren over de invloed van de gelezen tekst op de eigen mening.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Reflecteren over de invloed van de gelezen tekst op de eigen mening:
    • relatie tussen zender en ontvanger
    • houding van de zender ten opzichte van de ontvanger en omgekeerd
  101. NL.101 Engageren L2 L3 L4 L5 L6 L6 1.1.4; L4 1.1.7

    Reflecteren over de kennis die de gelezen tekst opleverde.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

  102. NL.102 Begrijpen L5 L6 GO!-doel

    Herkennen de betrouwbaarheid van bronnen bij gelezen teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Informatie kritisch verwerken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Betrouwbaarheid van bronnen herkennen:
    • Wie is de auteur?
    • Wat is de datum?
    • Waarom schrijft de auteur dit?
  103. NL.103 Begrijpen K2 K3 L1 L4 1.1.11

    Herkennen sturingsstrategieën bij het beluisteren van voorgelezen teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Leesproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Sturingsstrategieën:
    • actualiseren van kennis en woordenschat
    • actief luisteren aan de hand van luisterstrategieën
  104. NL.104 Gebruiken K2 K3 L1 L4 1.1.11

    Gebruiken sturingsstrategieën bij het beluisteren van voorgelezen teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Leesproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij lezen

  105. NL.105 Begrijpen L2 L3 L4 L4 1.1.11

    Beschrijven sturingsstrategieën bij het lezen van teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Leesproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Sturingsstrategieën:
    • leesdoel bepalen
    • oriëntatie op de tekst
    • actualiseren van kennis en woordenschat
    • actief lezen door toepassen van leesstrategieën
    • controleren van begrip
    • toepassen van herstelstrategieën
    • controle bereiken leesdoel

    Te hanteren begrippen

    de controle, het leesdoel, het begrip
  106. NL.106 Gebruiken L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.1.11

    Passen sturingsstrategieën toe bij het lezen van teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Leesproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij lezen

  107. NL.107 Gebruiken L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.1.11; L6 1.1.7

    Stemmen hun manier van lezen af op het leesdoel.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Leesproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Manieren van lezen:
    • globaal lezen
    • intensief lezen
    • kritisch lezen
  108. NL.108 Engageren L3 L4 L5 L6 L4 1.1.11; L6 1.1.7

    Reflecteren over de keuze van zelf gekozen gelezen teksten in functie van het leesdoel.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Leesproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij lezen

  109. NL.109 Begrijpen L4 L5 L6 GO!-doel

    Duiden de invloed van eigen voorkennis en identiteit op de interpretatie van teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Leesproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Bodhi weet al veel over de ruimte en zegt: ‘Wanneer ik een verhaal lees dat zich
        in de ruimte afspeelt, kan ik me gemakkelijk voorstellen hoe de ruimte eruitziet.’
    • Sara is sportief en speelt voetbal in haar vrije tijd. Ze zegt: ‘Ik vind het stom dat in
        de meeste verhalen over voetbal de hoofdpersonages jongens zijn.’
    • Bashir is moslim. Hij las een boek waarin het hoofdpersonage ook een moslim is
        en zegt: ‘Ik herken mezelf helemaal in Omar, het hoofdpersonage!’
  110. NL.110 Begrijpen L1 L2 L3 L4 L4 1.1.11; L6 1.1.7

    Illustreren herstelstrategieën bij het lezen.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Leesproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herstelstrategieën:
    • Een stukje opnieuw lezen, langzamer.
    • Een stukje hardop lezen.
    • Een stukje verder lezen, wordt het dan duidelijk?
    • Naar de illustraties kijken, wordt het dan duidelijk?
    • Helpt het om een leesstrategie toe te passen?
    • Hulp vragen als je er echt niet uitkomt.

    Te hanteren begrippen

    hardop, de illustratie, opnieuw, langzamer, verder, de hulp
  111. NL.111 Gebruiken L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.1.11; L6 1.1.7

    Passen herstelstrategieën toe.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Leesproces sturen met behulp van strategieën › Sturings- en herstelstrategieën (metacognitief) bij lezen

  112. NL.112 Begrijpen K2 K3 L1 KO 1.3.4; L4 1.1.11

    Herkennen leesstrategieën bij (voor)gelezen teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Leesproces sturen met behulp van strategieën › Leesstrategieën (cognitief)

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Leesstrategieën:
    • voorspellen
    • vragen stellen
    • visualiseren
    • verbinden
  113. NL.113 Gebruiken K2 K3 L1 KO 1.3.4; L4 1.1.11

    Gebruiken leesstrategieën bij (voor)gelezen teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Leesproces sturen met behulp van strategieën › Leesstrategieën (cognitief)

  114. NL.114 Begrijpen L2 L3 L4 L4 1.1.11

    Beschrijven leesstrategieën bij het lezen van teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Leesproces sturen met behulp van strategieën › Leesstrategieën (cognitief)

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Beschrijven:
    Welke strategie zet ik wanneer in en waarom?
    
    Leesstrategieën:
    • voorspellen
    • vragen stellen
    • visualiseren: mentale beelden en zintuigelijke gewaarwordingen
    • verbinden
    • samenvatten
    • afleiden

    Te hanteren begrippen

    voorspellen, vragen stellen, visualiseren, verbinden, samenvatten, afleiden

    Voorbeelden

    Visualiseren:
    • Terwijl je leest speelt er zich een film af in je hoofd.
    • Bij het lezen van een tekst over een heerlijk geurende en mooi versierde taart,
        beelden de leerlingen zich in hoe de taart smaakt.
  115. NL.115 Begrijpen L5 L6 L6 1.1.7

    Beschrijven de best passende leesstrategie(ën) bij het begrijpend lezen van teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Leesproces sturen met behulp van strategieën › Leesstrategieën (cognitief)

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Selecteren:
    • Wanneer de leesstrategie inzetten?
    • Waarom de leesstrategie inzetten?
    • Welke leesstrategie inzetten?
  116. NL.116 Gebruiken L2 L3 L4 L4 1.1.11

    Passen leesstrategieën toe bij het lezen van teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Leesproces sturen met behulp van strategieën › Leesstrategieën (cognitief)

  117. NL.117 Gebruiken L5 L6 L6 1.1.7

    Selecteren leesstrategieën bij het lezen van teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Leesproces sturen met behulp van strategieën › Leesstrategieën (cognitief)

  118. NL.118 Engageren L3 L4 L5 L6 L4 1.1.11; L6 1.1.7

    Reflecteren over het eigen gebruik van leesstrategieën.

    Nederlands Lezen › Tekstbegrip › Leesproces sturen met behulp van strategieën › Leesstrategieën (cognitief)

  119. NL.119 Begrijpen K1 K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.1.13

    Herkennen een grote variatie aan teksttypes.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Teksttypes:
    instructie, recept, handleiding, schema, flyer, boekbespreking, e-mail, liedjestekst,
    gedicht, verhaal, formulier, verslag, artikel, opinietekst, historische bronnen
  120. NL.120 Begrijpen L3 L4 L5 L6 L4 1.1.13; L6 1.1.9

    Verwoorden het doel van een teksttype bij het lezen.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Doel:
    informeren, mening vertellen, gevoelens tot uitdrukking brengen, overtuigen,
    aansporen, amuseren, raad geven, waarschuwen

    Te hanteren begrippen

    informeren, mening vertellen, gevoelens tot uitdrukking brengen, overtuigen,
    aansporen, amuseren, adviseren, waarschuwen
  121. NL.121 Begrijpen K1 K2 KO 1.1.10

    Begrijpen de leesrichting.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Leesrichting:
    van links naar rechts, van boven naar beneden, van voor naar achter
  122. NL.122 Gebruiken K1 K2 K3 KO 1.1.10

    Volgen tijdens het voorlezen de leesrichting en paginawisseling.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

  123. NL.123 Begrijpen K3 L1 KO 1.1.10

    Duiden het principe van leesrichting.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Leesrichting:
    van links naar rechts, van boven naar beneden, van voor naar achter
  124. NL.124 Begrijpen K1 K2 KO 1.1.10

    Herkennen het verschil tussen tekst en beeld.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Verschil tussen:
    • symbolen
    • pictogrammen
    • afbeeldingen
    • letters en andere tekens
  125. NL.125 Begrijpen K1 K2 K3 KO 1.1.10

    Begrijpen de congruentie tussen tekst en beeld.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Congruentie:
    • de tekening in het prentenboek laat precies zien wat de tekst zegt
    • de bewegingen bij een liedje ondersteunen de tekst. Bij het woord ‘springen’
        springen de kleuters
    • afbeeldingen bij woordplaten
  126. NL.126 Gebruiken K2 K3 KO 1.1.10

    Onderscheiden letters als verschillend van andere symbolen.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Letters:
    in verschillende verschijningsvormen: leesletters, schrijfletters
  127. NL.127 Begrijpen K1 K2 K3 KO 1.1.11

    Herkennen dat geschreven taal een communicatief en esthetisch doel heeft.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Communicatief doel:
    • Taal kan bewaard blijven.
    • Taal kan tijd en afstand overbruggen.
    • Taal kan gelezen worden.
    • Taal kan gebruikt worden om iets te onthouden.
    • Taal kan gebruikt worden om een boodschap over te brengen.
    • Taal kan gebruikt worden om iets te benoemen.
    • Taal kan gebruikt worden om een verhaal weer te geven.
    
    Esthetisch doel:
    • Taal kan gebruikt worden om van te genieten.
  128. NL.128 Begrijpen K2 K3 L4 1.1.12

    Illustreren dat verhalen een opbouw hebben.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

  129. NL.129 Begrijpen L1 L2 L4 1.1.12

    Begrijpen de functie van hoofdletters en interpunctie bij het lezen van een tekst.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Functies van hoofdletters en interpunctie bij het lezen:
    • De hoofdletter duidt het begin van een nieuwe zin aan.
    • De hoofdletter geeft een naam aan.
    • Het punt, uitroepteken en vraagteken duiden het einde van een zin aan.
    • Een uitroepteken geeft weer dat de tekst luid wordt gelezen.
    • Een vraagteken geeft weer dat een zin vragend wordt gelezen.
  130. NL.130 Begrijpen L2 L4 1.1.12

    Herkennen vormelijke elementen van tekststructuur/verhaalstructuur.*

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vormelijke elementen van tekststructuur/verhaalstructuur:
    • de alinea
    • de titel
    • de tussentitel

    Te hanteren begrippen

    de alinea, de tussentitel, de titel
    
    * Tekststructuur: informatieve teksten. Verhaalstructuur: verhalende teksten.
  131. NL.131 Begrijpen L3 L4 1.1.12

    Herkennen elementen van tekststructuur/verhaalstruc tuur.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Elementen van tekststructuur/verhaalstructuur:
    • de regel
    • het begin
    • het midden
    • het slot

    Te hanteren begrippen

    de regel, het begin, het midden, het slot
  132. NL.132 Begrijpen L4 L5 L6 L6 1.1.8

    Herkennen vormelijke elementen van tekststructuur/verhaalstructuur.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vormelijke elementen van tekststructuur/verhaalstructuur:
    • de tekstopmaak
    • cursief
    • vet
    • hoofdstuk

    Te hanteren begrippen

    de tekstopmaak, cursief, vet, het hoofdstuk
  133. NL.133 Begrijpen L5 L6 L6 1.1.8

    Begrijpen vormelijke elementen van tekststructuur.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Begrijpen:
    • doel en gebruik
    
    Vormelijke elementen van tekststructuur:
    • de index
    • de inhoudsopgave
    • de legende
    • de tabellen
    • de figuren
  134. NL.134 Begrijpen L2 L3 L4 L4 1.1.13

    Illustreren het verband tussen tekststructuur/verhaalstructuur en teksttype.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de tekst, het teksttype

    Voorbeelden

    Verband tekststructuur en teksttype:
    • Binnenkort gaat de klas naar een interactief museum. De leraar bracht een folder
        mee. De kinderen ontdekken zelf wat er allemaal te beleven valt door de folder te
        lezen. Het valt op dat elke activiteit wordt voorgesteld in een apart stukje tekst in
        de folder. Ze ontdekken de inkomprijs, het adres en de openingsuren achteraan op
        de folder.
    • Bij het lezen van een verslag van een activiteit merkt Tijl op dat er eerst een
        inleiding is over de activiteit en dat daarna de gebeurtenissen beschreven worden.
  135. NL.135 Begrijpen L3 L4 L5 L6 L4 1.1.13; L6 1.1.9

    Begrijpen de hoofdgedachte van een tekst aan de hand van inhoudelijke elementen van tekststructuur/verhaalstructuur.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Inhoudelijke elementen van tekststructuur:
    • oorzaak-gevolgstructuur
    • chronologische opbouw
    • probleem-oplossingsstructuur
    • vergelijkende opbouw
    • beschrijvende opbouw
    
    Inhoudelijke elementen van verhaalstructuur:
    • begin (kennismaking: personages, situatie, plaats), midden (probleem en obstakels),
        slot (oplossing en afloop)
    • chronologische opbouw

    Voorbeelden

    Oorzaak-gevolg:
    In een tekst over de opwarming van de aarde lezen de leerlingen dat door de
    opwarming de ijskappen smelten en daardoor de zeespiegel stijgt. De hoofdgedachte in
    de tekst (oorzaak-gevolg) is: “de opwarming van de aarde zorgt voor een stijgende
    zeespiegel”
    Chronologisch opbouw:
    In een tekst over de levenscyclus van een vlinder leiden leerlingen aan de hand van de
    opeenvolgende chronologische stappen volgende hoofdgedachte af: “Het leven van een
    vlinder bestaat uit vier fases die elkaar opvolgen.”
    Probleem-oplossing:
    In een tekst over het verkeer lezen de leerlingen over de toenemende
    verkeersonveiligheid en mogelijke oplossingen. De hoofdgedachte is: “Toenemend
    verkeer veroorzaakt gevaar voor voetgangers en fietsers, dus worden er maatregelen
    genomen.”
    Vergelijkende opbouw:
    In een tekst over de verschillen en gelijkenissen tussen haaien en dolfijnen leiden
    leerlingen aan de hand van vergelijkende elementen volgende hoofdgedachte af:
    “Dolfijnen en haaien leven in zee maar verschillen sterk in bouw en ademhaling.”
    Beschrijvende opbouw:
    In een tekst over het leven in een middeleeuwse stad leiden de leerlingen aan de hand
    van de verschillende beschrijvende elementen af dat de tekst beschrijft hoe een
    middeleeuwse stad eruitzag en hoe het leven daar georganiseerd was.
  136. NL.136 Gebruiken L5 L6 L6 1.1.9

    Analyseren de doelen van teksten aan de hand van tekststructuur/verhaalstructuur.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Tekststructuur/verhaalstructuur:
    • vormelijke elementen
    • inhoudelijke elementen
  137. NL.137 Begrijpen L2 L4 1.1.12

    Herkennen samenhang in teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Samenhang:
    woorden die de volgorde aanduiden

    Voorbeelden

    Woorden die de volgorde aanduiden:
    eerst, toen, daarna
  138. NL.138 Begrijpen L3 L4 1.1.12

    Herkennen samenhang in teksten aan de hand van structuuraanduiders.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Structuuraanduiders:
    • verwijswoorden: verwijzen naar andere woorden of woordgroepen in de tekst
    • signaal- en verbindingswoorden: verbinden zinnen of tekstdelen en geven aan wat
        voor verband er tussen die zinnen of tekstdelen bestaat.

    Voorbeelden

    Verwijswoorden
    “Lisa zocht haar potlood maar ze kon het nergens vinden”
    Signaal- en verbindingswoorden:
    • Oorzaak-gevolg: “Door de zware regenval trad de rivier buiten haar oevers zodat
        verschillende dorpen tijdelijk onbereikbaar waren.”
    • Chronologisch: “Toen de eerste telescopen werden uitgevonden, konden mensen
        voor het eerst planeten bestuderen.”
    • Probleem-oplossing: “De waterfilter werd aangepast om de kwaliteit te
        verbeteren.”
    • Vergelijking:” De lynx beweegt geruisloos net als andere katachtigen die in bossen
        leven.”
    • Beschrijving: “De stad heeft historische gebouwen, onder andere kerken en
        marktpleinen.”
  139. NL.139 Begrijpen L4 L4 1.1.12; L6 1.1.9

    Begrijpen de betekenis van structuuraanduiders.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Structuuraanduiders:
    • verwijswoorden
    • signaal- en verbindingswoorden

    Te hanteren begrippen

    de structuuraanduider

    Voorbeelden

    Signaal- en verbindingswoorden:
    • Oorzaak-gevolg: “Veel mensen rijden met de wagen dus stijgt de luchtvervuiling
        aanzienlijk.”
    • Chronologisch: “Hij oefende elke dag dus werd hij beter in piano spelen..”
    • Probleem-oplossing: “Sommige leerlingen hebben moeite met concentratie en
        daarom bieden scholen stilteplekken aan.”
    • Vergelijking:” De tijger jaagt in het donker terwijl de leeuw meestal overdag jaagt.”
    • Beschrijving: “Sommige vlinders hebben bijzondere patronen bijvoorbeeld stippen
        of strepen”
  140. NL.140 Begrijpen L5 L6 L4 1.1.12

    Herkennen de invloed van zinsconstructies en tekststructuur/verhaalstructuur op het tekstbegrip bij het lezen.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    De invloed van zinsconstructies en tekststructuur/verhaalstructuur:
    • Korte concrete zinnen geven duidelijk de boodschap weer.
    • Zinnen met structuuraanduiders geven een oorzaak-gevolg, chronologie, probleem-
        oplossing, vergelijking of beschrijving weer.
    • In een informatieve tekst geven tussentitels bij alinea’s kort weer welke informatie
        in die alinea over het onderwerp zal gegeven worden.

    Te hanteren begrippen

    de redenering
  141. NL.141 Engageren L4 L5 L6 L6 1.1.8

    Tonen hun kennis van tekstconventies in verschillende contexten.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Thijs kan goed voorlezen. Dat komt omdat hij tijdens het lezen goed kijkt naar de
        leestekens. Zo weet hij wanneer hij moet ademhalen, de zinnen moet splitsen, even
        moet wachten enzovoort.
    • Amina en Leyla lezen samen in een boek. Ze lezen om de beurt een zin. Daarbij
        kijken ze goed naar de hoofdletters en de leestekens. Zo weten zij waar de zin
        begint en waar die stopt.