Leerplannen Leerplandoelen
WT.296 Begrijpen L4

Illustreren de relatie tussen kracht en beweging.

Wetenschap en techniek Natuurkundige verschijnselen Natuurkundige verschijnselen Kracht en beweging

Leeftijd
9-10 jaar
Handelingswerkwoord
Illustreren
Verwerkingsaspect
Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
Minimumdoelen
L4 3.5.1; L4 3.5.2
In de PDF
pagina 93,94

Leerlijn

Illustreren de relatie tussen kracht en beweging.

MIA
Relatie:
• tussen kracht en de verandering van de beweging bij een bepaalde massa
• tussen massa en de verandering van de beweging bij een bepaalde kracht
• kracht versus verandering van beweging bij constante massa: Als de massa constant
    blijft, dan geldt:
    meer kracht → meer versnelling
    minder kracht → minder versnelling
• massa versus verandering van beweging bij constante kracht: Als de kracht constant
    blijft, dan geldt:
    meer massa → minder versnelling
    minder massa → meer versnelling

Te hanteren begrippen
de richting, de kracht, de beweging, de massa, de relatie, de plaats

Voorbeeld
Jessie speelt met de winkelwagen: duwt ze harder, dan rijdt die sneller. De massa van
het wagentje verandert niet, dus de kracht bepaalt hoe snel het beweegt.

Hangt samen met

Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Natuurkundige verschijnselen”
KO

De kleuters kennen
3.5.1 de volgende begrippen met betrekking tot
natuurkundige verschijnselen:
• de zon, de lamp, licht, donker, de schaduw, de
    spiegel;
• het stopcontact, de batterij;
• aantrekken, afstoten, de magneet, magnetisch.
3.5.2 licht: de lichtbron, de reflectie.
3.5.3 geluid: hard, zacht.
3.5.4 magnetisme
• eigenschappen van magneten: aantrekken, afstoten.

De kleuters kunnen
3.5.5 magnetische en niet-magnetische materialen
onderscheiden.

L4

De leerlingen kennen
3.5.1 de volgende begrippen:
• de kracht, de massa;
• de plaats, de beweging, de snelheid, de weerstand,
    versnellen, vertragen, de richting;
• de energie, de energie-omzetting;
• de thermische energie, de temperatuur;
• de geluidsbron, de luidspreker, de toonhoogte, hoog,
    laag, de trilling;
• het magnetisme, de noordpool, de zuidpool, de
    magnetische kracht, de magnetische polen, het
    magnetisch veld, het kompas;
• de aggregatietoestand, vast, vloeibaar, gasvormig,
    smelten, stollen, verdampen, condenseren, het
    smeltpunt, het kookpunt.
3.5.2 kracht en beweging:
• de relatie tussen kracht en de verandering van de
    beweging bij een bepaalde massa;
• de relatie tussen massa en de verandering van de
    beweging bij een bepaalde kracht.
3.5.3 energie en energievormen:
• bewegingsenergie;
    < vb. windenergie >
• thermische energie.
    < vb. zonne-energie >
3.5.4 licht: rechtlijnige beweging.
3.5.5 geluid:
• ontstaan van geluid: trilling;

L6

De leerlingen kennen
3.5.1 de volgende begrippen:
• het gewicht, de druk, de weerstand;
    < vb. verschil in weerstand bij beweging in lucht of
    water >
• de energieomzetting;
• reflecteren, absorberen, doorlaten;
• de stroomkring, de geleider, de isolator, de spanning,
    de stroomsterkte

                                      .
3.5.2 kracht en beweging:
• het onderscheid tussen gewicht en massa;
• gewicht als kracht en massa als maat voor de
    hoeveelheid materie van een bepaalde stof;
• effecten van krachten: verandering van
    bewegingstoestand.
3.5.3 energie:
• kernenergie;
• elektrische energie;
• chemische energie.
    < vb. biomassa, fossiele energie >
3.5.4 licht: reflecteren, absorberen en doorlaten van licht.
3.5.5 geluid: de relatie tussen geluidssterkte en afstand
tot de geluidsbron.
3.5.6 elektrische verschijnselen:
• elektrische schakeling, stroomkring;
• toonhoogte of frequentie;
• geluidssterkte.
3.5.6 magnetisme:
• polen, noordpool, zuidpool, magnetische kracht;
• aarde als magneet.
3.5.7 aggregatietoestanden:
• de faseovergangen;
• de relatie tussen temperatuur en faseovergangen.

• geleiders, isolatoren;
• symbolen bij het voorstellen van een eenvoudige
    schakeling: energiebron, verbruiker, geleider,
    schakelaar.
    < vb. energiebron: batterij, verbruiker: lamp >
3.7.9 de werking van technische systemen op basis van
kennis over natuurkundige verschijnselen.

De leerlingen kunnen
3.5.7 natuurkundige verschijnselen onderzoeken met
behulp van de onderzoekscyclus.