WT.251
Begrijpen
L4
Herkennen de samenwerking tussen hersenen, ruggenmerg en zenuwen om het lichaam te laten reageren.
Wetenschap en techniek › Het menselijk lichaam › Fysieke functies van het menselijk lichaam › Centraal zenuwstelsel
- Leeftijd
- 9-10 jaar
- Handelingswerkwoord
- Herkennen
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- L6 3.3.1; L6 3.3.2
- In de PDF
- pagina 80,81
Leerlijn
Herkennen de samenwerking tussen hersenen, ruggenmerg en zenuwen om het lichaam te laten reageren. MIA Samenwerking: Signalen (die binnenkomen via de waarneming) worden door de zenuwen via het ruggenmerg naar de hersenen gestuurd en keren nadien vanuit de hersenen via het ruggenmerg en de zenuwen terug naar de spieren. Te hanteren begrippen de zenuw, de prikkel, het signaal Voorbeeld Jeroen zegt: “Mijn ogen zien de bal. Dat signaal gaat naar mijn hersenen. Die zeggen ‘opzij!’ en sturen dat signaal naar de spieren. Mijn spieren bewegen mijn benen en ik stap opzij”
Hangt samen met
- Vlag WT.200 Beschrijven de werking van gewrichten en spieren voor het buigen en strekken van lichaamsdelen. L3
- Vlag WT.202 Beschrijven hoe spieren, botten en pezen samenwerken om beweging mogelijk te maken. L4
Wordt verwezen vanuit
- Vlag WT.202 Beschrijven hoe spieren, botten en pezen samenwerken om beweging mogelijk te maken. L4
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Het menselijk lichaam”
KO
De kleuters kennen
3.3.1 de volgende begrippen:
• de spieren, de botten, de longen, het hart, de maag,
de ogen, de oren, de neus, de mond, de huid;
• bewegen, steunen, ademen, de hartslag, de honger,
de dorst;
• zien, horen, ruiken, proeven, voelen.
L4
De leerlingen kennen
3.3.1 de volgende begrippen:
• de spijsvertering, de slokdarm, de lever, de darmen,
de anus;
• de beweging, de spieren, de pezen, het skelet, de
gewrichten.
L6
De leerlingen kennen
3.2.9 de volgende begrippen:
• de kelkbladeren, de kroonbladeren, de stamper, de
meeldraden, het vruchtbeginsel;
• de cel;
• de evolutie, de soort, de aanpassing, de erfelijke
eigenschappen.
3.3.2 lichaamsdelen en hun functie: spieren, botten,
longen, hart, maag, ogen, oren, neus, mond, huid.
De kleuters kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen op het eigen lichaam aanduiden
en benoemen.
3.1.2
• organismen beschrijven op basis van waarneembare
kenmerken;
• fauna beschrijven op basis van voortplantingswijze.
3.3.2 fysieke functies van de mens en de bijbehorende
weefsels en organen met hun functie: spijsvertering,
beweging, steun (skelet).
De leerlingen kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen, weefsels en organen op het
eigen lichaam aanduiden en benoemen.
3.3.1 de volgende begrippen:
• de waarneming, de zintuigen, de hersenen, de
zenuwen;
• de voortplanting, de teelbal, de zaadleider, de penis,
het sperma, de eierstok, de eileider, de eicel, de
baarmoeder, de vagina;
• de ademhaling, de keel, de luchtpijp, de longen;
• de bloedsomloop, de bloedvaten, de ader, de
slagader, de haarvaten, zuurstofrijk, zuurstofarm.
3.3.2 fysieke functies van de mens, en de bijbehorende
weefsels en organen met hun functie: waarneming,
voortplanting, ademhaling, bloedsomloop.
3.2.17 de volgende begrippen:
• de fotosynthese, de koolstofdioxide, het zuurstofgas;
• de voedingsstoffen, de suiker, het eiwit, het vet, het
water, het mineraal, de vitamine, de vezels.
De leerlingen weten
3.2.12 dat alle organismen uit één of meer cellen bestaan.
De leerlingen kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen, weefsels en organen
schematisch weergeven.