Leerplannen Leerplandoelen
WT.200 Begrijpen L3

Beschrijven de werking van gewrichten en spieren voor het buigen en strekken van lichaamsdelen.

Wetenschap en techniek Het menselijk lichaam Fysieke functies van het menselijk lichaam Skelet en spieren

Leeftijd
8-9 jaar
Handelingswerkwoord
Beschrijven
Verwerkingsaspect
Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
Minimumdoelen
L4 3.3.1; L4 3.3.2
In de PDF
pagina 67,68

Leerlijn

Beschrijven de werking van gewrichten en spieren voor het buigen en strekken van
lichaamsdelen.

MIA
Werking gewrichten en spieren:
• knie: buigt en strekt het been, belangrijk voor lopen, zitten en staan
• elleboog: zorgt voor het buigen en strekken van de arm
• schouder: zorgt voor de bewegingsvrijheid van de arm in meerdere richtingen
• enkel: helpt bij stabiliteit en beweging van de voet, belangrijk bij lopen en rennen
• heup: zorgt voor beweging en stabiliteit bij lopen en zitten
• pols: zorgt voor buig-, strek- en draaibewegingen van de hand
• spieren: spieren trekken samen om beweging in gewrichten mogelijk te maken

Te hanteren begrippen
het gewricht, buigen, strekken, de beweging, de spieren

Voorbeeld
Siska legt uit dat tijdens het springen haar beenspieren en kniegewrichten samenwerken
om haar knie te buigen en weer te strekken.

Hangt samen met

Wordt verwezen vanuit

Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Het menselijk lichaam”
KO

De kleuters kennen
3.3.1 de volgende begrippen:
• de spieren, de botten, de longen, het hart, de maag,
    de ogen, de oren, de neus, de mond, de huid;
• bewegen, steunen, ademen, de hartslag, de honger,
    de dorst;
• zien, horen, ruiken, proeven, voelen.

L4

De leerlingen kennen
3.3.1 de volgende begrippen:
• de spijsvertering, de slokdarm, de lever, de darmen,
    de anus;
• de beweging, de spieren, de pezen, het skelet, de
    gewrichten.

L6

De leerlingen kennen
3.2.9 de volgende begrippen:
• de kelkbladeren, de kroonbladeren, de stamper, de
    meeldraden, het vruchtbeginsel;
• de cel;
• de evolutie, de soort, de aanpassing, de erfelijke
    eigenschappen.
3.3.2 lichaamsdelen en hun functie: spieren, botten,
longen, hart, maag, ogen, oren, neus, mond, huid.

De kleuters kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen op het eigen lichaam aanduiden
en benoemen.
3.1.2
• organismen beschrijven op basis van waarneembare
    kenmerken;
• fauna beschrijven op basis van voortplantingswijze.

3.3.2 fysieke functies van de mens en de bijbehorende
weefsels en organen met hun functie: spijsvertering,
beweging, steun (skelet).

De leerlingen kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen, weefsels en organen op het
eigen lichaam aanduiden en benoemen.

3.3.1 de volgende begrippen:
• de waarneming, de zintuigen, de hersenen, de
    zenuwen;
• de voortplanting, de teelbal, de zaadleider, de penis,
    het sperma, de eierstok, de eileider, de eicel, de
    baarmoeder, de vagina;
• de ademhaling, de keel, de luchtpijp, de longen;
• de bloedsomloop, de bloedvaten, de ader, de
    slagader, de haarvaten, zuurstofrijk, zuurstofarm.
3.3.2 fysieke functies van de mens, en de bijbehorende
weefsels en organen met hun functie: waarneming,
voortplanting, ademhaling, bloedsomloop.
3.2.17 de volgende begrippen:
• de fotosynthese, de koolstofdioxide, het zuurstofgas;
• de voedingsstoffen, de suiker, het eiwit, het vet, het
    water, het mineraal, de vitamine, de vezels.
De leerlingen weten
3.2.12 dat alle organismen uit één of meer cellen bestaan.

De leerlingen kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen, weefsels en organen
schematisch weergeven.