Leerplannen Leerplandoelen
WT.070 Begrijpen L5

Beschrijven het proces van geslachtelijke voortplanting bij zaadplanten.

Wetenschap en techniek Organismen Kenmerken van organismen Flora & schimmels Kenmerken: voortplantingswijze en bloei

Leeftijd
10-11 jaar
Handelingswerkwoord
Beschrijven
Verwerkingsaspect
Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
Minimumdoelen
L6 3.1.4; L6 3.1.6; L6 3.1.8
In de PDF
pagina 24,25

Leerlijn

Beschrijven het proces van geslachtelijke voortplanting bij zaadplanten.

MIA
Geslachtelijke voortplanting:
• Een bloem bevat meeldraden (met stuifmeel) en een stamper.
• Bij bestuiving komt stuifmeel van een bloem op de stamper van een (andere) bloem
    van dezelfde soort terecht.
• Na bevruchting (het samensmelten van stuifmeelkorrel met zaadbeginsel in het
    vruchtbeginsel van de bloem) groeit er een vrucht met zaad.
• Uit het zaad groeit bij kieming een nieuwe plant.
• Bij zaadplanten zonder bloemen maken de mannelijke kegels stuifmeel dat door de
    wind wordt overgebracht op de vrouwelijke kegels die zaadbeginsels bevatten.

Te hanteren begrippen
de zaadvorming, de kieming, de geslachtelijke voortplanting

Hangt samen met

Wordt verwezen vanuit

Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Organismen”
KO

De kleuters kennen
3.1.1 de volgende begrippen met betrekking tot
organismen: de fauna, de zoogdieren, de vogels, de
vissen, de insecten, de flora.
3.1.4 de fasen van de levenscyclus: geboorte/kieming,
groei, voortplanting, dood.

De kleuters kunnen
3.1.2
• organismen beschrijven op basis van waarneembare
    kenmerken;
• fauna beschrijven op basis van voortplantingswijze.

L4

De leerlingen kennen
3.1.1 de volgende begrippen met betrekking tot de
classificatie van organismen: de gewervelde dieren, de
amfibieën, de ongewervelde dieren, de spinachtigen, de
schimmels.
3.1.2 de classificatie van organismen:
• de fauna:
      o de gewervelde dieren:
            ▪ de zoogdieren;
            ▪ de vogels;
            ▪ de amfibieën;
            ▪ de vissen.
      o de ongewervelden:
            ▪ de insecten;
            ▪ de spinachtigen.
• de flora;
• de schimmels.
3.2.3 de rol van organismen in de voedselkringloop:
producenten, consumenten, reducenten.
3.2.7 de volgende begrippen:
• de wortel, de stam, de stengel, het blad, de bloem,
    de vrucht, het zaad;
• het transport.
3.2.8 de functie van de verschillende delen van een plant:
wortel, stengel, stam, bladeren, bloemen, vruchten, zaad.

De leerlingen weten
3.2.9 dat stoffen worden getransporteerd binnen dieren
en planten.

L6

De leerlingen kennen
3.1.1 de volgende begrippen met betrekking tot de
classificatie van organismen: het classificeren, de
taxonomie, de reptielen, de geleedpotigen, de
zaadplanten, de sporenplanten, de bacteriën.
3.1.2 de classificatie van organismen.
• de fauna:
      o de gewervelden:
            ▪ de zoogdieren;
            ▪ de vogels;
            ▪ de reptielen;
            ▪ de amfibieën;
            ▪ de vissen.
      o de ongewervelden:
            ▪ de geleedpotigen:
            ▪ de insecten;
            ▪ de spinachtigen.
      o andere ongewervelden.
• de flora;
      o de zaadplanten;
      o de sporenplanten.
• de schimmels;
• de bacteriën.
3.1.4 de volgende begrippen: de voortplanting, de
geslachtelijke voortplanting, de ongeslachtelijke
voortplanting, de bestuiving, de bevruchting.
3.1.5 redenen waarom organismen zichzelf voortplanten.
3.1.6 het proces van geslachtelijke en ongeslachtelijke
voortplanting bij zaadplanten.
De leerlingen kunnen
3.1.3 organismen beschrijven op basis van kenmerken:
bouw en voortplantingswijze.
3.1.7 verschillen en overeenkomsten beschrijven bij de
voortplanting van fauna.

3.1.7 het belang van insecten bij de bestuiving van
zaadplanten.
3.2.9 de volgende begrippen:
• de kelkbladeren, de kroonbladeren, de stamper, de
    meeldraden, het vruchtbeginsel;
• de cel;
• de evolutie, de soort, de aanpassing, de erfelijke
    eigenschappen.
3.2.10 de functie van de verschillende delen van een
bloem: kelkbladeren, kroonbladeren, stamper,
vruchtbeginsel, meeldraden.
3.2.11 het concept van evolutie.

De leerlingen weten
3.2.14 dat nakomelingen erfelijke eigenschappen van hun
ouders meekrijgen.

De leerlingen kunnen
3.1.3 organismen classificeren op basis van kenmerken:
bouw, voedingswijze en voortplantingswijze.
3.1.8 onderscheid maken tussen geslachtelijke en
ongeslachtelijke voortplanting bij zaadplanten.
KO

De kleuters kennen

L4

De leerlingen kennen

L6

De leerlingen kennen
3.1.3 de volgende begrippen in verband met de
levenscyclus: geboren worden, kiemen, groeien, sterven.
3.1.4 de fasen van de levenscyclus: geboorte/kieming,
groei, voortplanting, dood.

3.1.4 de volgende begrippen: de levenscyclus, de
metamorfose.
3.1.5 de levenscyclus van fauna, voor elk van deze
groepen: zoogdieren, vogels, amfibieën, insecten.
3.1.6 de fasen van lichamelijke groei en ontwikkeling bij
de mens.

3.3.1 de volgende begrippen:
    ● de waarneming, de zintuigen, de hersenen, de
      zenuwen;
    ● de voortplanting, de teelbal, de zaadleider, de
      penis, het sperma, de eierstok, de eileider, de
      eicel, de baarmoeder, de vagina;
    ● de ademhaling, de keel, de luchtpijp, de longen;
    ● de bloedsomloop, de bloedvaten, de ader,
      de slagader, de haarvaten, zuurstofrijk,
      zuurstofarm.
3.3.2 fysieke functies van de mens, en de bijbehorende
weefsels en organen met hun functie: waarneming,
voortplanting, ademhaling, bloedsomloop.