WT.069
Begrijpen
L5
L6
Duiden het belang van bestuiving en verspreiding van zaden.
Wetenschap en techniek › Organismen › Kenmerken van organismen › Flora & schimmels › Kenmerken: voortplantingswijze en bloei
- Leeftijd
- 10-11,11-12 jaar
- Handelingswerkwoord
- Duiden
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- L6 3.1.7; L6 3.1.5
- In de PDF
- pagina 23,24
Leerlijn
Duiden het belang van bestuiving en verspreiding van zaden.
MIA
Bestuiving:
• bestuiving: Het overbrengen van stuifmeel van meeldraad naar stamper.
• Er zijn veel soorten bestuivers. Vooral insecten spelen een belangrijke rol. Minder
insecten = minder zaden, vruchten en oogst.
Verspreiding:
• Zaadverspreiding: Het verspreiden van gevormde zaden naar nieuwe groeiplaatsen.
• Zaden worden vooral door dieren (en de mens) verspreid, maar het kan ook via
wind en het water.
Belang bestuiving en verspreiding:
• De bestuiving en verspreiding is belangrijk voor de overleving van planten. Eén van
de belangrijkste redenen waarom organismen zich voorplanten: in stand houden
van de soort.
• Bestuiving zorgt voor variatie in plantensoorten. Dat is belangrijk voor gezonde
ecosystemen waarin planten en dieren van elkaar afhankelijk zijn (biodiversiteit)
Te hanteren begrippen
de verspreiding van zaad, de bestuiver
Voorbeelden
Bestuiving:
• Bijen verspreiden stuifmeel van bloemen via hun poten.
• De wind verspreidt het stuifmeel van de mannelijke dennenappels naar de
vrouwelijke dennenappels.
Zaadverspreiding:
• Vogels eten vruchten (of pikken bijvoorbeeld de zaden uit een dennenappel) en de
pit (die het zaad bevat) valt op de grond.
• De wind verspreidt de pluisjes van de paardenbloem.
• De eekhoorn steekt eikels onder de grond als voorraad.
Hangt samen met
- Vlag WT.114 Beschrijven het belang van biodiversiteit. L5,L6
- Vlag WT.145 Herkennen dat mensen en dieren bij het voortplanten erfelijke kenmerken doorgeven. L5,L6
Wordt verwezen vanuit
- Vlag WT.114 Beschrijven het belang van biodiversiteit. L5,L6
- Vlag WT.145 Herkennen dat mensen en dieren bij het voortplanten erfelijke kenmerken doorgeven. L5,L6
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Organismen”
KO
De kleuters kennen
3.1.1 de volgende begrippen met betrekking tot
organismen: de fauna, de zoogdieren, de vogels, de
vissen, de insecten, de flora.
3.1.4 de fasen van de levenscyclus: geboorte/kieming,
groei, voortplanting, dood.
De kleuters kunnen
3.1.2
• organismen beschrijven op basis van waarneembare
kenmerken;
• fauna beschrijven op basis van voortplantingswijze.
L4
De leerlingen kennen
3.1.1 de volgende begrippen met betrekking tot de
classificatie van organismen: de gewervelde dieren, de
amfibieën, de ongewervelde dieren, de spinachtigen, de
schimmels.
3.1.2 de classificatie van organismen:
• de fauna:
o de gewervelde dieren:
▪ de zoogdieren;
▪ de vogels;
▪ de amfibieën;
▪ de vissen.
o de ongewervelden:
▪ de insecten;
▪ de spinachtigen.
• de flora;
• de schimmels.
3.2.3 de rol van organismen in de voedselkringloop:
producenten, consumenten, reducenten.
3.2.7 de volgende begrippen:
• de wortel, de stam, de stengel, het blad, de bloem,
de vrucht, het zaad;
• het transport.
3.2.8 de functie van de verschillende delen van een plant:
wortel, stengel, stam, bladeren, bloemen, vruchten, zaad.
De leerlingen weten
3.2.9 dat stoffen worden getransporteerd binnen dieren
en planten.
L6
De leerlingen kennen
3.1.1 de volgende begrippen met betrekking tot de
classificatie van organismen: het classificeren, de
taxonomie, de reptielen, de geleedpotigen, de
zaadplanten, de sporenplanten, de bacteriën.
3.1.2 de classificatie van organismen.
• de fauna:
o de gewervelden:
▪ de zoogdieren;
▪ de vogels;
▪ de reptielen;
▪ de amfibieën;
▪ de vissen.
o de ongewervelden:
▪ de geleedpotigen:
▪ de insecten;
▪ de spinachtigen.
o andere ongewervelden.
• de flora;
o de zaadplanten;
o de sporenplanten.
• de schimmels;
• de bacteriën.
3.1.4 de volgende begrippen: de voortplanting, de
geslachtelijke voortplanting, de ongeslachtelijke
voortplanting, de bestuiving, de bevruchting.
3.1.5 redenen waarom organismen zichzelf voortplanten.
3.1.6 het proces van geslachtelijke en ongeslachtelijke
voortplanting bij zaadplanten.
De leerlingen kunnen
3.1.3 organismen beschrijven op basis van kenmerken:
bouw en voortplantingswijze.
3.1.7 verschillen en overeenkomsten beschrijven bij de
voortplanting van fauna.
3.1.7 het belang van insecten bij de bestuiving van
zaadplanten.
3.2.9 de volgende begrippen:
• de kelkbladeren, de kroonbladeren, de stamper, de
meeldraden, het vruchtbeginsel;
• de cel;
• de evolutie, de soort, de aanpassing, de erfelijke
eigenschappen.
3.2.10 de functie van de verschillende delen van een
bloem: kelkbladeren, kroonbladeren, stamper,
vruchtbeginsel, meeldraden.
3.2.11 het concept van evolutie.
De leerlingen weten
3.2.14 dat nakomelingen erfelijke eigenschappen van hun
ouders meekrijgen.
De leerlingen kunnen
3.1.3 organismen classificeren op basis van kenmerken:
bouw, voedingswijze en voortplantingswijze.
3.1.8 onderscheid maken tussen geslachtelijke en
ongeslachtelijke voortplanting bij zaadplanten.
KO De kleuters kennen L4 De leerlingen kennen L6 De leerlingen kennen
3.1.3 de volgende begrippen in verband met de
levenscyclus: geboren worden, kiemen, groeien, sterven.
3.1.4 de fasen van de levenscyclus: geboorte/kieming,
groei, voortplanting, dood.
3.1.4 de volgende begrippen: de levenscyclus, de
metamorfose.
3.1.5 de levenscyclus van fauna, voor elk van deze
groepen: zoogdieren, vogels, amfibieën, insecten.
3.1.6 de fasen van lichamelijke groei en ontwikkeling bij
de mens.
3.3.1 de volgende begrippen:
● de waarneming, de zintuigen, de hersenen, de
zenuwen;
● de voortplanting, de teelbal, de zaadleider, de
penis, het sperma, de eierstok, de eileider, de
eicel, de baarmoeder, de vagina;
● de ademhaling, de keel, de luchtpijp, de longen;
● de bloedsomloop, de bloedvaten, de ader,
de slagader, de haarvaten, zuurstofrijk,
zuurstofarm.
3.3.2 fysieke functies van de mens, en de bijbehorende
weefsels en organen met hun functie: waarneming,
voortplanting, ademhaling, bloedsomloop.