WT.071
Begrijpen
L6
Beschrijven het proces van ongeslachtelijke voortplanting bij zaadplanten.
Wetenschap en techniek › Organismen › Kenmerken van organismen › Flora & schimmels › Kenmerken: voortplantingswijze en bloei
- Leeftijd
- 11-12 jaar
- Handelingswerkwoord
- Beschrijven
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- L6 3.1.4; L6 3.1.6; L6 3.1.8
- In de PDF
- pagina 25
Leerlijn
Beschrijven het proces van ongeslachtelijke voortplanting bij zaadplanten. MIA Ongeslachtelijke voortplanting: Een nieuwe plant ontstaat uit een deel van één ouderplant, zonder bloemen, zaden of bevruchting. Dit kan doordat een stuk van de plant dat is afgescheurd (een stek) zich tot een nieuwe plant ontwikkelt of doordat de plant uit zichzelf nieuwe planten vormt door uitlopers, knollen of bollen. Te hanteren begrippen de knol, de bol, de uitloper, de stek, de ongeslachtelijke voortplanting Voorbeelden Knollen: aardappel Bollen: ui, hyacint Uitlopers: aardbei
Hangt samen met
- Schakel WT.067 Herkennen verschillende manieren waarop planten zich voortplanten. L5,L6
Wordt verwezen vanuit
- Vlag WT.067 Herkennen verschillende manieren waarop planten zich voortplanten. L5,L6
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Organismen”
KO
De kleuters kennen
3.1.1 de volgende begrippen met betrekking tot
organismen: de fauna, de zoogdieren, de vogels, de
vissen, de insecten, de flora.
3.1.4 de fasen van de levenscyclus: geboorte/kieming,
groei, voortplanting, dood.
De kleuters kunnen
3.1.2
• organismen beschrijven op basis van waarneembare
kenmerken;
• fauna beschrijven op basis van voortplantingswijze.
L4
De leerlingen kennen
3.1.1 de volgende begrippen met betrekking tot de
classificatie van organismen: de gewervelde dieren, de
amfibieën, de ongewervelde dieren, de spinachtigen, de
schimmels.
3.1.2 de classificatie van organismen:
• de fauna:
o de gewervelde dieren:
▪ de zoogdieren;
▪ de vogels;
▪ de amfibieën;
▪ de vissen.
o de ongewervelden:
▪ de insecten;
▪ de spinachtigen.
• de flora;
• de schimmels.
3.2.3 de rol van organismen in de voedselkringloop:
producenten, consumenten, reducenten.
3.2.7 de volgende begrippen:
• de wortel, de stam, de stengel, het blad, de bloem,
de vrucht, het zaad;
• het transport.
3.2.8 de functie van de verschillende delen van een plant:
wortel, stengel, stam, bladeren, bloemen, vruchten, zaad.
De leerlingen weten
3.2.9 dat stoffen worden getransporteerd binnen dieren
en planten.
L6
De leerlingen kennen
3.1.1 de volgende begrippen met betrekking tot de
classificatie van organismen: het classificeren, de
taxonomie, de reptielen, de geleedpotigen, de
zaadplanten, de sporenplanten, de bacteriën.
3.1.2 de classificatie van organismen.
• de fauna:
o de gewervelden:
▪ de zoogdieren;
▪ de vogels;
▪ de reptielen;
▪ de amfibieën;
▪ de vissen.
o de ongewervelden:
▪ de geleedpotigen:
▪ de insecten;
▪ de spinachtigen.
o andere ongewervelden.
• de flora;
o de zaadplanten;
o de sporenplanten.
• de schimmels;
• de bacteriën.
3.1.4 de volgende begrippen: de voortplanting, de
geslachtelijke voortplanting, de ongeslachtelijke
voortplanting, de bestuiving, de bevruchting.
3.1.5 redenen waarom organismen zichzelf voortplanten.
3.1.6 het proces van geslachtelijke en ongeslachtelijke
voortplanting bij zaadplanten.
De leerlingen kunnen
3.1.3 organismen beschrijven op basis van kenmerken:
bouw en voortplantingswijze.
3.1.7 verschillen en overeenkomsten beschrijven bij de
voortplanting van fauna.
3.1.7 het belang van insecten bij de bestuiving van
zaadplanten.
3.2.9 de volgende begrippen:
• de kelkbladeren, de kroonbladeren, de stamper, de
meeldraden, het vruchtbeginsel;
• de cel;
• de evolutie, de soort, de aanpassing, de erfelijke
eigenschappen.
3.2.10 de functie van de verschillende delen van een
bloem: kelkbladeren, kroonbladeren, stamper,
vruchtbeginsel, meeldraden.
3.2.11 het concept van evolutie.
De leerlingen weten
3.2.14 dat nakomelingen erfelijke eigenschappen van hun
ouders meekrijgen.
De leerlingen kunnen
3.1.3 organismen classificeren op basis van kenmerken:
bouw, voedingswijze en voortplantingswijze.
3.1.8 onderscheid maken tussen geslachtelijke en
ongeslachtelijke voortplanting bij zaadplanten.
KO De kleuters kennen L4 De leerlingen kennen L6 De leerlingen kennen
3.1.3 de volgende begrippen in verband met de
levenscyclus: geboren worden, kiemen, groeien, sterven.
3.1.4 de fasen van de levenscyclus: geboorte/kieming,
groei, voortplanting, dood.
3.1.4 de volgende begrippen: de levenscyclus, de
metamorfose.
3.1.5 de levenscyclus van fauna, voor elk van deze
groepen: zoogdieren, vogels, amfibieën, insecten.
3.1.6 de fasen van lichamelijke groei en ontwikkeling bij
de mens.
3.3.1 de volgende begrippen:
● de waarneming, de zintuigen, de hersenen, de
zenuwen;
● de voortplanting, de teelbal, de zaadleider, de
penis, het sperma, de eierstok, de eileider, de
eicel, de baarmoeder, de vagina;
● de ademhaling, de keel, de luchtpijp, de longen;
● de bloedsomloop, de bloedvaten, de ader,
de slagader, de haarvaten, zuurstofrijk,
zuurstofarm.
3.3.2 fysieke functies van de mens, en de bijbehorende
weefsels en organen met hun functie: waarneming,
voortplanting, ademhaling, bloedsomloop.