WT.067
Begrijpen
L5
L6
Herkennen verschillende manieren waarop planten zich voortplanten.
Wetenschap en techniek › Organismen › Kenmerken van organismen › Flora & schimmels › Kenmerken: voortplantingswijze en bloei
- Leeftijd
- 10-11,11-12 jaar
- Handelingswerkwoord
- Herkennen
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- L6 3.1.3; L6 3.1.4
- In de PDF
- pagina 23
Leerlijn
Herkennen verschillende manieren waarop planten zich voortplanten.
MIA
Voortplanting:
Zaadplanten gebruiken zaden (via bloemen die vruchten worden of via kegels).
Sporenplanten gebruiken sporen.
Sommige zaad- en sporenplanten kunnen zich ook vegetatief (ongeslachtelijk)
voortplanten.
Te hanteren begrippen
de bol, de knol, de spore
Voorbeeld
Vegetatief:
• Bij aardbeien groeien nieuwe planten aan de ‘uitlopers’ boven de grond.
• Bij knollen (zoals aardappelen) groeien ‘ogen’ op de knol uit tot een nieuwe
planten.
Hangt samen met
- Schakel WT.053 Herkennen soorten planten. L5,L6
- Vlag WT.070 Beschrijven het proces van geslachtelijke voortplanting bij zaadplanten. L5
- Vlag WT.071 Beschrijven het proces van ongeslachtelijke voortplanting bij zaadplanten. L6
Wordt verwezen vanuit
- Schakel WT.053 Herkennen soorten planten. L5,L6
- Schakel WT.070 Beschrijven het proces van geslachtelijke voortplanting bij zaadplanten. L5
- Schakel WT.071 Beschrijven het proces van ongeslachtelijke voortplanting bij zaadplanten. L6
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Organismen”
KO
De kleuters kennen
3.1.1 de volgende begrippen met betrekking tot
organismen: de fauna, de zoogdieren, de vogels, de
vissen, de insecten, de flora.
3.1.4 de fasen van de levenscyclus: geboorte/kieming,
groei, voortplanting, dood.
De kleuters kunnen
3.1.2
• organismen beschrijven op basis van waarneembare
kenmerken;
• fauna beschrijven op basis van voortplantingswijze.
L4
De leerlingen kennen
3.1.1 de volgende begrippen met betrekking tot de
classificatie van organismen: de gewervelde dieren, de
amfibieën, de ongewervelde dieren, de spinachtigen, de
schimmels.
3.1.2 de classificatie van organismen:
• de fauna:
o de gewervelde dieren:
▪ de zoogdieren;
▪ de vogels;
▪ de amfibieën;
▪ de vissen.
o de ongewervelden:
▪ de insecten;
▪ de spinachtigen.
• de flora;
• de schimmels.
3.2.3 de rol van organismen in de voedselkringloop:
producenten, consumenten, reducenten.
3.2.7 de volgende begrippen:
• de wortel, de stam, de stengel, het blad, de bloem,
de vrucht, het zaad;
• het transport.
3.2.8 de functie van de verschillende delen van een plant:
wortel, stengel, stam, bladeren, bloemen, vruchten, zaad.
De leerlingen weten
3.2.9 dat stoffen worden getransporteerd binnen dieren
en planten.
L6
De leerlingen kennen
3.1.1 de volgende begrippen met betrekking tot de
classificatie van organismen: het classificeren, de
taxonomie, de reptielen, de geleedpotigen, de
zaadplanten, de sporenplanten, de bacteriën.
3.1.2 de classificatie van organismen.
• de fauna:
o de gewervelden:
▪ de zoogdieren;
▪ de vogels;
▪ de reptielen;
▪ de amfibieën;
▪ de vissen.
o de ongewervelden:
▪ de geleedpotigen:
▪ de insecten;
▪ de spinachtigen.
o andere ongewervelden.
• de flora;
o de zaadplanten;
o de sporenplanten.
• de schimmels;
• de bacteriën.
3.1.4 de volgende begrippen: de voortplanting, de
geslachtelijke voortplanting, de ongeslachtelijke
voortplanting, de bestuiving, de bevruchting.
3.1.5 redenen waarom organismen zichzelf voortplanten.
3.1.6 het proces van geslachtelijke en ongeslachtelijke
voortplanting bij zaadplanten.
De leerlingen kunnen
3.1.3 organismen beschrijven op basis van kenmerken:
bouw en voortplantingswijze.
3.1.7 verschillen en overeenkomsten beschrijven bij de
voortplanting van fauna.
3.1.7 het belang van insecten bij de bestuiving van
zaadplanten.
3.2.9 de volgende begrippen:
• de kelkbladeren, de kroonbladeren, de stamper, de
meeldraden, het vruchtbeginsel;
• de cel;
• de evolutie, de soort, de aanpassing, de erfelijke
eigenschappen.
3.2.10 de functie van de verschillende delen van een
bloem: kelkbladeren, kroonbladeren, stamper,
vruchtbeginsel, meeldraden.
3.2.11 het concept van evolutie.
De leerlingen weten
3.2.14 dat nakomelingen erfelijke eigenschappen van hun
ouders meekrijgen.
De leerlingen kunnen
3.1.3 organismen classificeren op basis van kenmerken:
bouw, voedingswijze en voortplantingswijze.
3.1.8 onderscheid maken tussen geslachtelijke en
ongeslachtelijke voortplanting bij zaadplanten.
KO De kleuters kennen L4 De leerlingen kennen L6 De leerlingen kennen
3.1.3 de volgende begrippen in verband met de
levenscyclus: geboren worden, kiemen, groeien, sterven.
3.1.4 de fasen van de levenscyclus: geboorte/kieming,
groei, voortplanting, dood.
3.1.4 de volgende begrippen: de levenscyclus, de
metamorfose.
3.1.5 de levenscyclus van fauna, voor elk van deze
groepen: zoogdieren, vogels, amfibieën, insecten.
3.1.6 de fasen van lichamelijke groei en ontwikkeling bij
de mens.
3.3.1 de volgende begrippen:
● de waarneming, de zintuigen, de hersenen, de
zenuwen;
● de voortplanting, de teelbal, de zaadleider, de
penis, het sperma, de eierstok, de eileider, de
eicel, de baarmoeder, de vagina;
● de ademhaling, de keel, de luchtpijp, de longen;
● de bloedsomloop, de bloedvaten, de ader,
de slagader, de haarvaten, zuurstofrijk,
zuurstofarm.
3.3.2 fysieke functies van de mens, en de bijbehorende
weefsels en organen met hun functie: waarneming,
voortplanting, ademhaling, bloedsomloop.