WT.035
Gebruiken
K2
K3
L1
L2
L3
L4
L5
L6
Determineren dieren.
Wetenschap en techniek › Organismen › Kenmerken van organismen › Fauna › Ordening
- Leeftijd
- 4-5,5-6,6-7,7-8,8-9,9-10,10-11,11-12 jaar
- Handelingswerkwoord
- Determineren
- Verwerkingsaspect
- Gebruiken — procedurele kennis — weten hoe
- Minimumdoelen
- KO 3.1.1; KO 3.1.2; L4 3.1.1; L4 3.1.2; L4 3.1.3; L6 3.1.1; L6 3.1.2; L6 3.1.3
- In de PDF
- pagina 13
Leerlijn
Determineren dieren.
Hangt samen met
- Vlag IT.093 Gebruiken het juiste type digitale tools voor specifieke digitale taken. K3,L1,L2,L3,L4,L5,L6
- Vlag LL.068 Verwoorden vakspecifieke leerstrategieën. K3,L1,L2,L3,L4,L5,L6
- Vlag WT.003 Herkennen dieren op basis van uiterlijke kenmerken. K2
- Vlag WT.004 Herkennen dieren op basis van uiterlijke kenmerken. K3
- Vlag WT.005 Herkennen dieren op basis van bouw. L1,L2
- Vlag WT.006 Herkennen dieren op basis van bouw. L3,L4
- Vlag WT.007 Herkennen dieren op basis van bouw. L5,L6
- Vlag WT.009 Begrijpen verschillende voedingswijzen van dieren. K2
- Vlag WT.010 Beschrijven de voedingswijze van dieren. K3
- Vlag WT.011 Illustreren de belangrijkste voedingswijze van dieren. L1,L2
- Vlag WT.013 Beschrijven de belangrijkste voedingswijze van ongewervelde dieren. L3,L4
- Vlag WT.014 Beschrijven de belangrijkste voedingswijze van gewervelde dieren. L5,L6
- Vlag WT.015 Beschrijven de belangrijkste voedingswijze van ongewervelde dieren. L5,L6
- Vlag WT.022 Beschrijven hoe vogels hun jong ter wereld brengen. K2
- Vlag WT.025 Beschrijven de meest voorkomende voortplanting bij dieren. L1,L2
- Vlag WT.026 Beschrijven de meest voorkomende voortplanting bij dieren. L3,L4
- Vlag WT.027 Beschrijven de meest voorkomende voortplanting bij dieren. L5,L6
Wordt verwezen vanuit
- Vlag WT.110 Beschrijven de kenmerken van de zee en de kust. L1,L2
- Vlag WT.111 Beschrijven kenmerken van het stadslandschap. L3
- Vlag WT.112 Beschrijven kenmerken van het agrarisch landschap. L4
- Vlag WT.113 Beschrijven kenmerken van de zoetwateromgeving. L5,L6
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Organismen”
KO
De kleuters kennen
3.1.1 de volgende begrippen met betrekking tot
organismen: de fauna, de zoogdieren, de vogels, de
vissen, de insecten, de flora.
3.1.4 de fasen van de levenscyclus: geboorte/kieming,
groei, voortplanting, dood.
De kleuters kunnen
3.1.2
• organismen beschrijven op basis van waarneembare
kenmerken;
• fauna beschrijven op basis van voortplantingswijze.
L4
De leerlingen kennen
3.1.1 de volgende begrippen met betrekking tot de
classificatie van organismen: de gewervelde dieren, de
amfibieën, de ongewervelde dieren, de spinachtigen, de
schimmels.
3.1.2 de classificatie van organismen:
• de fauna:
o de gewervelde dieren:
▪ de zoogdieren;
▪ de vogels;
▪ de amfibieën;
▪ de vissen.
o de ongewervelden:
▪ de insecten;
▪ de spinachtigen.
• de flora;
• de schimmels.
3.2.3 de rol van organismen in de voedselkringloop:
producenten, consumenten, reducenten.
3.2.7 de volgende begrippen:
• de wortel, de stam, de stengel, het blad, de bloem,
de vrucht, het zaad;
• het transport.
3.2.8 de functie van de verschillende delen van een plant:
wortel, stengel, stam, bladeren, bloemen, vruchten, zaad.
De leerlingen weten
3.2.9 dat stoffen worden getransporteerd binnen dieren
en planten.
L6
De leerlingen kennen
3.1.1 de volgende begrippen met betrekking tot de
classificatie van organismen: het classificeren, de
taxonomie, de reptielen, de geleedpotigen, de
zaadplanten, de sporenplanten, de bacteriën.
3.1.2 de classificatie van organismen.
• de fauna:
o de gewervelden:
▪ de zoogdieren;
▪ de vogels;
▪ de reptielen;
▪ de amfibieën;
▪ de vissen.
o de ongewervelden:
▪ de geleedpotigen:
▪ de insecten;
▪ de spinachtigen.
o andere ongewervelden.
• de flora;
o de zaadplanten;
o de sporenplanten.
• de schimmels;
• de bacteriën.
3.1.4 de volgende begrippen: de voortplanting, de
geslachtelijke voortplanting, de ongeslachtelijke
voortplanting, de bestuiving, de bevruchting.
3.1.5 redenen waarom organismen zichzelf voortplanten.
3.1.6 het proces van geslachtelijke en ongeslachtelijke
voortplanting bij zaadplanten.
De leerlingen kunnen
3.1.3 organismen beschrijven op basis van kenmerken:
bouw en voortplantingswijze.
3.1.7 verschillen en overeenkomsten beschrijven bij de
voortplanting van fauna.
3.1.7 het belang van insecten bij de bestuiving van
zaadplanten.
3.2.9 de volgende begrippen:
• de kelkbladeren, de kroonbladeren, de stamper, de
meeldraden, het vruchtbeginsel;
• de cel;
• de evolutie, de soort, de aanpassing, de erfelijke
eigenschappen.
3.2.10 de functie van de verschillende delen van een
bloem: kelkbladeren, kroonbladeren, stamper,
vruchtbeginsel, meeldraden.
3.2.11 het concept van evolutie.
De leerlingen weten
3.2.14 dat nakomelingen erfelijke eigenschappen van hun
ouders meekrijgen.
De leerlingen kunnen
3.1.3 organismen classificeren op basis van kenmerken:
bouw, voedingswijze en voortplantingswijze.
3.1.8 onderscheid maken tussen geslachtelijke en
ongeslachtelijke voortplanting bij zaadplanten.
KO De kleuters kennen L4 De leerlingen kennen L6 De leerlingen kennen
3.1.3 de volgende begrippen in verband met de
levenscyclus: geboren worden, kiemen, groeien, sterven.
3.1.4 de fasen van de levenscyclus: geboorte/kieming,
groei, voortplanting, dood.
3.1.4 de volgende begrippen: de levenscyclus, de
metamorfose.
3.1.5 de levenscyclus van fauna, voor elk van deze
groepen: zoogdieren, vogels, amfibieën, insecten.
3.1.6 de fasen van lichamelijke groei en ontwikkeling bij
de mens.
3.3.1 de volgende begrippen:
● de waarneming, de zintuigen, de hersenen, de
zenuwen;
● de voortplanting, de teelbal, de zaadleider, de
penis, het sperma, de eierstok, de eileider, de
eicel, de baarmoeder, de vagina;
● de ademhaling, de keel, de luchtpijp, de longen;
● de bloedsomloop, de bloedvaten, de ader,
de slagader, de haarvaten, zuurstofrijk,
zuurstofarm.
3.3.2 fysieke functies van de mens, en de bijbehorende
weefsels en organen met hun functie: waarneming,
voortplanting, ademhaling, bloedsomloop.