WT.110
Begrijpen
L1
L2
Beschrijven de kenmerken van de zee en de kust.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Biotopen en ecosystemen
- Leeftijd
- 6-7,7-8 jaar
- Handelingswerkwoord
- Beschrijven
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- L4 3.2.1; L4 3.2.6
- In de PDF
- pagina 37,38
Leerlijn
Beschrijven de kenmerken van de zee en de kust.
MIA
Kenmerken zee en de kust:
Biotische kenmerken (levend):
Typische planten: wieren, duinplanten
Typische ongewervelde dieren: kwallen, weekdieren, krabben
Typische gewervelde dieren: vissen, zeevogels, zeehonden
abiotische kenmerken (niet-levend):
zout zeewater
getijden (eb en vloed)
zand
temperatuur, zonlicht en wind
golfslag
relaties:
tussen organismen onderling en hun omgeving
Te hanteren begrippen
de zee, de kust, het zand, het helmgras, de duinen, veel zonlicht, veel wind, het
zeebriesje, koeler
Voorbeelden
Relaties tussen organismen onderling en hun omgeving:
Zeewier groeit in zout water. Mosselen kleven vast aan stenen zodat de golven ze niet
meenemen. Mosselen leven dicht bij elkaar.
Hangt samen met
- Vlag AA.104 Herkennen natuurlijke landschapselementen. L1
- Vlag AA.105 Herkennen natuurlijke landschapselementen. L2
- Vlag WT.005 Herkennen dieren op basis van bouw. L1,L2
- Vlag WT.032 Classificeren gewervelde dieren. L1,L2,L3,L4
- Vlag WT.033 Classificeren ongewervelde dieren. L1,L2,L3,L4
- Vlag WT.035 Determineren dieren. K2,K3,L1,L2,L3,L4,L5,L6
- Vlag WT.046 Begrijpen dat er verschillende planten bestaan. L1
- Vlag WT.047 Herkennen planten. L2
- Vlag WT.075 Classificeren planten. L1,L2,L3,L4,L5,L6
- Vlag WT.076 Determineren planten. K2,K3,L1,L2,L3,L4,L5,L6
Wordt verwezen vanuit
- Vlag AA.104 Herkennen natuurlijke landschapselementen. L1
- Vlag AA.105 Herkennen natuurlijke landschapselementen. L2
- Vlag WT.115 Herkennen relaties binnen biotopen. L5,L6
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop”
KO
De kleuters kennen
3.2.1 het principe van eten en gegeten worden.
L4
De leerlingen kennen
3.2.1 de volgende begrippen:
• de biotoop, de voedselketen, de voedselkringloop, de
producenten, de consumenten, de reducenten, de
voedselpiramide;
• de preventie, het hergebruik, het sorteren, de
recyclage, het verbranden en het storten.
3.2.2 een voedselketen bestaande uit drie organismen.
3.2.3 de rol van organismen in de voedselkringloop:
producenten, consumenten, reducenten.
3.2.4 de betekenis van de stappen binnen de ladder van
Lansink: preventie, hergebruik, sorteren, recycleren,
verbranden, storten.
De leerlingen kunnen
3.2.5 de voedselpiramide beschrijven door aan te tonen
hoe dieren zich voeden met dieren en/of planten.
3.2.6 voorbeelden geven van relaties tussen organismen
onderling en hun omgeving.
L6
De leerlingen kennen
3.2.1 de volgende begrippen: de biodiversiteit, het
voedselweb, het grasland, het bos, de heide, de zee en de
kust, het stadslandschap, het agrarisch landschap, het
zoet water, het ecosysteem.
3.2.2 de opbouw van een voedselweb.
3.2.3 diensten die het ecosysteem levert aan de mens.
De leerlingen weten
3.2.4 dat mensen een positieve en negatieve impact
kunnen hebben op het ecosysteem.
De leerlingen kunnen
3.2.5 aan de hand van hun biotische en abiotische
factoren de volgende biotopen identificeren: grasland,
bos, heide, zee en kust, stadslandschap, agrarisch
landschap, zoet water.
3.2.6 voedselketens opnoemen en interpreteren.
3.2.7 verwoorden dat omgevingen kunnen veranderen.
3.2.8 verwoorden waarom biodiversiteit essentieel is voor
het leven op aarde.
KO
L4
De leerlingen kunnen
3.2.10 gelijkenissen en verschillen benoemen tussen
ouders en nakomelingen bij mens en dier.
L6
De leerlingen kennen
3.1.5 redenen waarom organismen zichzelf voortplanten.
3.2.9 de volgende begrippen:
• de kelkbladeren, de kroonbladeren, de stamper, de
meeldraden, het vruchtbeginsel;
• de cel;
• de evolutie, de soort, de aanpassing, de erfelijke
eigenschappen.
3.2.11 het concept van evolutie.
De leerlingen weten
3.2.12 dat alle organismen uit één of meer cellen bestaan.
3.2.13 dat soorten in de loop der tijd veranderen en dat
sommige uitgestorven zijn.
3.2.14 dat nakomelingen erfelijke eigenschappen van hun
ouders meekrijgen.
3.2.15 dat nakomelingen in de regel verschillend van, en
niet identiek aan hun ouders zijn.
De leerlingen kunnen
3.2.16 voorbeelden geven van aanpassingen van
organismen.
KO De kleuters kennen 3.2.2 verschillende voedingsmiddelen. 3.3.1 de volgende begrippen: L4 De leerlingen kennen 3.2.11 de volgende begrippen: de voedingsmiddelen, de bouwstof, de brandstof, de beschermende stof. L6 De leerlingen kennen 3.2.17 de volgende begrippen: • de fotosynthese, de koolstofdioxide, het zuurstofgas;
• de spieren, de botten, de longen, het hart, de maag,
de ogen, de oren, de neus, de mond, de huid;
• bewegen, steunen, ademen, de hartslag, de honger,
de dorst;
• zien, horen, ruiken, proeven, voelen.
De kleuters weten
3.2.3 dat mensen eten en drinken om te groeien en te
bewegen.
De kleuters kunnen
3.2.4 aangeven dat je moet eten wanneer je honger hebt
en drinken wanneer je dorst hebt.
3.2.12 de functies van voedsel: bouwstof, brandstof,
beschermende stof.
9.1.8 het belang van gezonde voeding.
De leerlingen kunnen
3.2.13 onderzoeken dat planten groeien wanneer ze
zonlicht, water en warmte krijgen.
• de voedingsstoffen, de suiker, het eiwit, het vet, het
water, het mineraal, de vitamine, de vezels.
3.2.18 de verschillende voedingsstoffen en hun functie:
suikers, eiwitten, vetten, water, mineralen, vitaminen,
vezels.
3.2.19 het principe van fotosynthese.
3.2.20 de zon als primaire energiebron.
De leerlingen weten
3.2.21 dat bijna elke voedselketen start onder invloed van
de energie van de zon.