GE.119
Gebruiken
K2
K3
L1
L2
Formuleren relevante vragen over aangereikte bronnen.
Geschiedenis › Historisch strategisch: bronnen › Bronnengebruik › Historische bronnen
- Leeftijd
- 4-5,5-6,6-7,7-8 jaar
- Handelingswerkwoord
- Formuleren
- Verwerkingsaspect
- Gebruiken — procedurele kennis — weten hoe
- Minimumdoelen
- L4 5.2.2
- In de PDF
- pagina 37
Leerlijn
Formuleren relevante vragen over aangereikte bronnen.
Hangt samen met
- Vlag LL.068 Verwoorden vakspecifieke leerstrategieën. K3,L1,L2,L3,L4,L5,L6
- Vlag NL.428 Gebruiken in een gesprek vragen om de gewenste informatie te bekomen. K2,K3
- Vlag NL.429 Gebruiken in een gesprek vragen om de gewenste informatie te bekomen. L1,L2
Wordt verwezen vanuit
- Vlag GE.004 Benoemen bronnen uit de prehistorie. K3
- Vlag GE.021 Benoemen bronnen uit de oudheid. K2,K3
- Vlag GE.040 Benoemen bronnen uit de middeleeuwen. K2,K3
- Vlag GE.059 Benoemen bronnen uit de vroegmoderne tijd. K2,K3
- Vlag GE.078 Benoemen bronnen uit de moderne tijd. K2,K3
- Vlag GE.082 Benoemen relevante bronnen voor de moderne tijd. L5,L6
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Historisch strategisch: bronnen”
KO De kleuters kunnen 5.2.1 soorten bronnen vanuit de bestudeerde samenlevingen benoemen: • beenderen, fossielen, werktuig, rotsschildering, graf; • standbeeld, foto, dagboek, brief. L4 De leerlingen kennen 5.2.1 het verschil tussen bron en bewijs. 5.2.2 typische vragen om te stellen over aangereikte bronnen: • hoe en waarom een bron is gemaakt; • wanneer en waar een bron is gemaakt. De leerlingen weten 5.2.3 wat paleontologen, archeologen en historici doen. De leerlingen kunnen 5.2.4 diverse, veelgebruikte bronnen relevant voor de oudheid, de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd noemen. L6 De leerlingen kunnen 5.2.1 aangereikt bewijs uit bronnen gebruiken bij het antwoorden op historische vragen. 5.2.2 diverse, veelgebruikte bronnen relevant voor de vroegmoderne, moderne en hedendaagse tijd noemen.