GE.120
Gebruiken
L3
L4
L5
L6
Formuleren typische vragen over aangereikte bronnen.
Geschiedenis › Historisch strategisch: bronnen › Bronnengebruik › Historische bronnen
- Leeftijd
- 8-9,9-10,10-11,11-12 jaar
- Handelingswerkwoord
- Formuleren
- Verwerkingsaspect
- Gebruiken — procedurele kennis — weten hoe
- Minimumdoelen
- L4 5.2.2
- In de PDF
- pagina 37
Leerlijn
Formuleren typische vragen over aangereikte bronnen.
Hangt samen met
- Vlag LL.068 Verwoorden vakspecifieke leerstrategieën. K3,L1,L2,L3,L4,L5,L6
- Vlag NL.430 Gebruiken in een gesprek verschillende vraagsoorten om informatie in te winnen. L3,L4
- Vlag NL.431 Gebruiken in een gesprek verschillende vraagsoorten om informatie in te winnen. L5,L6
Wordt verwezen vanuit
- Schakel GE.016 Gebruiken aangereikt bewijs uit bronnen als antwoord op historische vragen omtrent de prehistorie. L5,L6
- Vlag GE.026 Benoemen relevante bronnen voor de oudheid. L3,L4
- Schakel GE.036 Gebruiken aangereikt bewijs uit bronnen als antwoord op historische vragen omtrent de oudheid. L5,L6
- Vlag GE.045 Benoemen relevante bronnen voor de middeleeuwen. L3,L4
- Schakel GE.055 Gebruiken aangereikt bewijs uit bronnen als antwoord op historische vragen omtrent de middeleeuwen. L5,L6
- Vlag GE.062 Benoemen relevante bronnen voor de vroegmoderne tijd. L3,L4
- Schakel GE.074 Gebruiken aangereikt bewijs uit bronnen als antwoord op historische vragen omtrent de vroegmoderne tijd. L5,L6
- Schakel GE.092 Gebruiken aangereikt bewijs uit bronnen als antwoord op historische vragen omtrent de moderne tijd. L5,L6
- Vlag GE.101 Benoemen relevante bronnen voor de hedendaagse tijd. L5,L6
- Schakel GE.111 Gebruiken aangereikt bewijs uit bronnen als antwoord op historische vragen omtrent de hedendaagse tijd. L5,L6
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Historisch strategisch: bronnen”
KO De kleuters kunnen 5.2.1 soorten bronnen vanuit de bestudeerde samenlevingen benoemen: • beenderen, fossielen, werktuig, rotsschildering, graf; • standbeeld, foto, dagboek, brief. L4 De leerlingen kennen 5.2.1 het verschil tussen bron en bewijs. 5.2.2 typische vragen om te stellen over aangereikte bronnen: • hoe en waarom een bron is gemaakt; • wanneer en waar een bron is gemaakt. De leerlingen weten 5.2.3 wat paleontologen, archeologen en historici doen. De leerlingen kunnen 5.2.4 diverse, veelgebruikte bronnen relevant voor de oudheid, de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd noemen. L6 De leerlingen kunnen 5.2.1 aangereikt bewijs uit bronnen gebruiken bij het antwoorden op historische vragen. 5.2.2 diverse, veelgebruikte bronnen relevant voor de vroegmoderne, moderne en hedendaagse tijd noemen.