Leerplannen Leerplandoelen
FR.111 Engageren L5 L6 GO!-doel

Tonen waardering voor de meertalige identiteit bij zichzelf en anderen.

Frans Talige diversiteit Talige diversiteit tussen talen

Leeftijd
10-11,11-12 jaar
Handelingswerkwoord
Tonen
Verwerkingsaspect
Engageren — reflectie en toepassing in nieuwe, authentieke contexten
Minimumdoelen
geen — GO!-doel op populatieniveau
In de PDF
pagina 29

Leerlijn

Tonen waardering voor de meertalige identiteit bij zichzelf en anderen.

Hangt samen met

Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Talige diversiteit”
zijn

er is, er ligt, er staat Il y a un livre sur la table.
wie? Qui est là?

? wat? On mange quoi?

st-ce que? wat? Qu’est-ce que tu vois?

quelle? welk? wat voor? C’est quel mot? Quel est ce mot?

! quelle! wat een! wat voor een! Quel jardin! Quelle fête!
personne een persoon Qui est cette personne?

chose een ding Quel est le mot pour cette chose?

qu’un iemand Il y a quelqu’un en classe?

que chose iets Tu entends quelque chose?
(un euro) ziehier, hier is (een euro)

(le bus) ziedaar, daar is (de bus)
ja

nee
uimte
waar?

hier

daar
, droite rechts, rechter- Tu as mal à ta main droite?

he, gauche links, linker- Mon pied gauche fait mal.

oite rechts, rechtsaf, naar Prenez la porte à droite.
                    rechts

uche links, linksaf, naar links Le magasin est à gauche.

droit rechtdoor Allez tout droit.
nant) te, in (Dinant)

(la classe) in (de klas)

nt (le tableau) voor (het bord)

ère (la table) achter (de tafel)

Belgique) in (België)

le bureau) op (het bureau)

(le cahier) onder (het schrift)

re (la porte) tegen (de deur)

e (la porte et la tussen (de deur en het
nêtre) raam)
é de (l’école) naast (de school)

de (l’école) dichtbij (de school)

de (l’école) ver van (de school)
oin een hoek

mètre een meter

lomètre een kilometer
t, courte kort

longue lang
jd

Tijdsindeling
d? wanneer?

mps de tijd Je n’ai pas le temps maintenant.
n een jaar Karen a 12 ans.

année een jaar (periode, duur) Il y a douze mois dans l’année.
intemps de lente Nous sommes au printemps.

(m.) de zomer Les grandes vacances sont en été.

omne (m.) de herfst Il pleut souvent en automne.

er (m.) de winter Il neige parfois en hiver.
mois een maand Le mois de janvier commence.

er (m.) januari La fête est au mois de mars.

er (m.) februari On part en vacances en juillet.

s (m.) maart

(m.) april

(m.) mei

(m.) juni

t (m.) juli

(m.) augustus

embre (m.) september

bre (m.) oktober

mbre (m.) november

mbre (m.) december
atin de ochtend, ’s ochtends Le matin, je me lève à 7 heures.

ès-midi (m./v.) de namiddag, ‘s
                  namiddags

ir de avond, ‘s avonds

it de nacht, ‘s nachts
heure (l’h) een uur Quelle heure est-il? Il est 8 h 10.

minute een minuut Il est 8 heures et demie.

seconde een seconde C’est à quelle heure? C’est à 9 h.

                  middag (12 uur) Il est midi.

uit middernacht C’est à minuit.
Tijdsverloop
date een datum Quelle est la date?

urd’hui vandaag Aujourd’hui, nous sommes (le
                                            premier mai / le deux mai).

                  gisteren

ain morgen
nniversaire een verjaardag

uvel an Nieuwjaar

rnaval carnaval
ord eerst, vooreerst

                  vervolgens, daarna, dan

                  eindelijk, ten slotte
t (la leçon) voor (de les)

ant (la leçon) tijdens (de les)

s (la leçon) na (de les)

u’à (3 heures) tot (drie uur)
vroeg Il est encore tôt.

                  laat Il est déjà tard.

                  al, reeds Il est déjà 16 heures.

que bijna Il est presque midi.
oeveelheid
bien? hoeveel?

bien de (stylos)? hoeveel (pennen)?

pter tellen
Telwoorden

hrijfwijze van de telwoorden volgt de Orthographe rectifiée.
t twintig

t-et-un éénentwintig

t-deux tweeëntwintig

e dertig

e-et-un éénendertig

e-deux tweeëndertig

ante veertig

uante vijftig

ante zestig

ante zeventig

re-vingts tachtig

nte negentig
éro een nul

million een miljoen
mier, première eerste Janvier est le premier mois de
                                            l’année.

ième tweede

ème derde

rième vierde

uième vijfde

ier, dernière laatste Le dernier bus est à 23 heures.
Maten
lo een kilo Il y a trois kilos de poires.

ramme een gram Je voudrais 250 grammes de
                                            fromage.

tre een liter Je prends une bouteille d’un litre.

, demie half Pour moi, un demi-litre.
Voornaamwoorden en bijwoorden van hoeveelheid
ue, chaque elk Je dois lire chaque mot?

ques enkele Lis d’abord quelques mots.

                  alles Je ne comprends pas encore tout.

le monde iedereen Tout le monde peut venir à la fête.
re nog Il y a encore du pain?

. plus niet meer, geen meer Non, il n’y a plus de pain.

z genoeg Merci! J’ai assez mangé.

z (de chaises) genoeg (stoelen) Il n’y a pas assez de chaises.

                  te, te veel Pas trop vite, s’il vous plait!

(de tables) te, te veel (tafels) Il y a trop de tables.

que bijna Il y a presque cent personnes.
waliteit

Waarneming
ntion! Opgelet! Let op!

attention (à) opletten, oppassen (voor) Fais attention au tram!
couleur een kleur

c, blanche wit

bleue blauw

d, blonde blond

, brune bruin

grise grijs

e, jaune geel

ve, mauve paars

noire zwart

ge, orange oranje

, rose roze

e, rouge rood

, rousse ros, rossig

verte groen
Waardering
goed Ça va bien?

                  slecht Non, ça va mal.

(grand) heel, zeer (groot) Le bureau n’est pas très grand.

                  snel Faites vite, on a peu de temps.
eau, nouvelle nieuw

x, vieille oud
d, grande groot

, petite klein
e, facile makkelijk

ile, difficile moeilijk
d, chaude warm Le thé est encore trop chaud.

, froide koud La soupe est déjà froide.
ette, chouette tof

idable, geweldig
rmidable

essant, interessant
téressante

r, super super, geweldig
hebben
ment? hoe? hoezo?

quoi? waarom?
et (moi) (jij) en (ik)

ou (moi) (jij) of (ik)

(moi) met (mij)

(toi) voor (jou)

(toi) zonder (jou)

(un ami) bij (een vriend)
daarom, welnu, dan Il neige! Alors, faites attention!

i ook Je viens aussi.

                  dus Il n’y a pas de bus, donc on va à
                                            pied.

                  maar Il fait beau, mais froid.
(vite) meer (snel = sneller) Nous allons plus vite en métro.

s (vite) minder (snel) Ça va moins vite en bus.

me zoals Amir est petit comme sa sœur.

x beter Ça va déjà mieux?
(travailler) om te (werken) On est ici pour travailler.

e que omdat Je porte un pull parce qu’il fait
                                            froid.

d wanneer Je porte un short quand il fait
                                            chaud.

                  indien Si tu veux, on joue au foot.
eixis
epaalde en onbepaalde lidwoorden. le, la, l’, les

                                            un, une, des
ersoonlijke voornaamwoorden als onderwerp. je, tu, il, elle, on

                                            nous, vous, ils, elles
ersoonlijke voornaamwoorden als lijdend le, la, l’, les
werp (enkel derde persoon).
eklemtoonde persoonlijke voornaamwoorden. (avec) moi, toi, lui, elle

                                            (pour) nous, vous, eux, elles

                                            Moi, je suis Aïsha.

                                            Lui, c’est Geert.
ormen van het bijvoeglijk bezittelijk mon, ton, son
naamwoord.
                                            ma, ta, sa

                                            mes, tes, ses

                                            notre, votre, leur

                                            nos, vos, leurs
ormen van het bijvoeglijk aanwijzend ce, cet, cette, ces
naamwoord.
betrekkelijk voornaamwoord qui. J’entends Ali qui chante.

                                            C’est Maryse qui est malade?
ecifieke noties

ersoon

Persoonsgegevens

nderdeel van het Drempelniveau omvat de gebruikelijke gegevens voor identificatie: naam,
, telefoon, leeftijd, geslacht, nationaliteit.
om een naam Quel est ton nom?

rénom een voornaam C’est comment, ton prénom?

peler heten Comment tu t’appelles? Moi, je
                                              m’appelle Liesbeth. Cette fille
                                              s’appelle Edith.
ter (j’h) wonen Tu habites où?

adresse een adres Quelle est ton adresse?

rue een straat J’habite rue de l’École, numéro 2.

avenue een laan

place een plein

uméro een nummer Mon adresse est place Napoléon,
                                              numéro 13.
ge een leeftijd Tu as quel âge?

(11) ans (11) jaar oud zijn J’ai (11) ans.
omme (l’h) een man Le directeur est un homme.

monsieur een heer Qui est ce monsieur? C’est Jo
                                              Duval.

sieur (aanspr.) Mijnheer Bonjour, Monsieur Duval.

femme een vrouw Le directeur est une femme.

dame een dame Qui est cette dame? C’est Bila
                                              Demir.

ame (aanspr.) Mevrouw Bonjour, Madame Demir.

emoiselle Juffrouw Bonjour, Mademoiselle Aziz.
spr.)
arçon een jongen

fille een meisje

nfant een kind

ébé een baby
Familie
famille een familie

ère een vader

apa een papa

mère een moeder

maman een mama

parents (m.) ouders
ère een broer

sœur een zus

ls een zoon

fille een dochter
rand-père een grootvader

grand-mère een grootmoeder

grands-parents grootouders
m.)
ncle een oom

tante een tante
d, grande groot

, petite klein

, belle mooi

jolie mooi
les cheveux (zwart) haar hebben Kerim a les cheveux noirs.
noirs)

les cheveux kort haar hebben
ourts

les cheveux lang haar hebben
ngs
les yeux (bleus) (blauwe) ogen hebben Ellen a les yeux bleus.
unettes (v.) een bril Suzy porte des lunettes.
Persoonlijkheid, wil en gevoelens
il, gentille lief, vriendelijk

pa, sympa sympathiek

hant, méchante stout, boosaardig
r houden van

r (lire) graag (lezen)

envie de zin hebben in J’ai envie de chocolat.

oir willen Tu voudrais une glace? Oui, je
                                              voudrais bien.

oir kunnen, mogen

ir moeten

t (partir) je moet / men moet / we
                    moeten (vertrekken)
uis en thuis, omgeving

Huis
maison een huis Nous habitons une maison à
                                            Bruges.

ppartement een appartement, flat L’appartement est à quel étage?

tage een verdieping Il est au premier étage.
porte een deur

fenêtre een raam
armoire een kast

anc een bank

ureau een bureau

table een tafel

chaise een stoel

auteuil een zetel

t een bed
ampe een lamp

rdinateur een computer

ortable een laptop

radio een radio

télé een tv
llage een dorp

ville een stad Tu aimes habiter en ville?
ays een land

elgique België Mons est une ville en Belgique.

ance Frankrijk Ma tante habite en France.

andre Vlaanderen

allonie Wallonië

ope (v.) Europa
mpagne het platteland Nous habitons à la campagne.

(v.) het water La maison est près de l’eau.

er de zee On passe nos vacances à la mer.

ois een bos

montagne een berg
Flora en fauna
ture de natuur

rbre een boom

feuille een blad

fleur een bloem
hat een kat

hien een hond

pin een konijn

ochon een varken

heval een paard

vache een koe

oq een haan

poule een kip
agelijks leven

Thuis
ver opstaan

ver zich wassen

dre une douche een douche nemen

biller zich aankleden

dre (un repas) (een maaltijd) nemen

(au travail) (naar het werk) gaan

mir slapen
Op het werk
ailler werken
avail het werk

(un travail) (een werk) doen, maken
rijetijdsbesteding

Spel en sport
eu een spel

r spelen jouer à la balle / au foot / aux cartes

user zich amuseren

ner winnen
port een sport

du sport sporten, sport
                  beoefenen

balle een (kleine) bal

allon een (grote) bal

allon de foot een voetbal

match een match jouer un match de foot
asket het basketbal jouer au basket / faire du basket

ot, le football het voetbal

ym het turnen faire de la gym

nnis het tennis jouer au tennis / faire du tennis

élo het fietsen faire du vélo
er zwemmen
Andere vormen
romener wandelen

promenade een wandeling faire une promenade
usique de muziek jouer de la musique

iano een piano jouer du piano

guitare een gitaar jouer de la guitare

chanson een lied(je)

ter zingen

er dansen
lm een film

néma een cinema, bioscoop

é de tv

D een cd

VD een dvd
fête een feest
erplaatsingen

Bewegingen
gaan

va! We vertrekken!

r buitengaan

r vertrekken, weggaan

er langskomen, Je peux passer chez toi à 3 h.
                  voorbijgaan

êter stilstaan, stoppen

ndre wachten (op) J’attends le bus.

r lopen

ber vallen

er komen, aankomen

r komen

er binnenkomen

er blijven

er (terug) naar huis gaan,
                    thuiskomen
entrée een ingang

sortie een uitgang
cher zoeken

ver vinden

er geven

er doorgeven Tu peux passer ton livre à Laïla?

dre nemen

arer voorbereiden,
                  klaarmaken

re leggen, plaatsen, zetten

ir openen, opendoen

er sluiten
r) à (Paris) naar (Parijs gaan)

ir) de (Mons) van (Bergen komen)
Transportmiddelen
vion een vliegtuig Nous allons en avion.

ateau een boot en bateau

voiture een auto en voiture

amion een vrachtwagen en camion
us een bus Je vais en bus.

utobus een autobus en autobus

métro een metro en métro

ain een trein en train

am een tram en tram
élo een fiets Hans va à vélo.

moto een motor à / en moto
Verkeer
arrefour een kruispunt

ond-point een rotonde

eu een verkeerslicht Attention au feu rouge!

eux (m.) verkeerslichten Attention aux feux!
elaties met anderen

Relatievormen
mi een vriend

amie een vriendin

opain een vriend

copine een vriendin

oisin een buurman

voisine een buurvrouw
r houden van, liefhebben Roméo aime Juliette.

r helpen
er geven Tu donnes un cadeau à Emma?

adeau een cadeau, geschenk
our dag, goeiedag

                  hallo, dag, hoi

a (bien)? gaat het (goed)?

ment ça va? hoe gaat het?
on pardon, sorry

sez-moi excuseer mij, sorry
ci dank je, dank u,
                  bedankt

ci beaucoup veel dank

ci bien hartelijk bedankt

cord akkoord

en graag gedaan, zonder
                    dank
ous plait? alstublieft? (bij vragen)
p.)

e plait? (s.t.p.) alsjeblief? (bij vragen)
evoir tot (weer)ziens

main tot morgen

ntôt tot binnenkort
chaam en gezondheid

Lichaamsdelen
tête een hoofd

heveu een haar

cheveux (m.) haren

œil een oog

yeux (m.) ogen

oreille een oor

ez een neus

bouche een mond

dent een tand
ras een arm

main een hand

oigt een vinger

jambe een been

enou een knie

ied een voet

entre een buik

os een rug
nté de gezondheid

de, malade ziek

mal pijn hebben J’ai mal au ventre.

                                          à la tête / aux dents
nderwijs
école een school

classe een klas

ableau een bord
endre leren

eçon een les

xercice een oefening

evoir een huiswerk, huistaak
vre een boek

ahier een schrift

feuille een blad

page een bladzijde

tylo een pen

rayon een potlood

gomme een gom
rdinateur een computer
rof een leerkracht, leraar

prof een leerkracht, lerares

ève een leerling

élève een leerlinge

irecteur een directeur

directrice een directeur, directrice
Winkelen

Winkelfaciliteiten
course een boodschap

des courses boodschappen doen
magasin een winkel

marché een markt

upermarché een supermarkt
rt open

é gesloten
Kleding
biller zich aankleden

re (un T-shirt) (een T-shirt) aandoen Tu mets un short?

er (un pull) (een trui) dragen Non, je vais porter un jean.

êtement een kledingstuk

vêtements (m.) kleren
basket een sport-,
                    basket(bal)schoen

botte een laars

chaussette een sok

chaussure een schoen
Eten en drinken

1 Maaltijden
epas een maaltijd

etit déjeuner een ontbijt

iner een middagmaal

ouper een avondmaal
re la table de tafel dekken

assiette een bord

outeau een mes

cuillère een lepel

fourchette een vork
tasse (de thé) een kopje (thee) Tu veux une tasse de thé?

bouteille (d’eau) een fles (water) Achète une bouteille d’eau.

erre (de coca) een glas (cola)
ble! Aan tafel!

appétit! Smakelijk!

bon! Het is lekker!

e-moi (le pain). Geef me (het brood)
                  door.

é! Gezondheid!
menu een menu

estaurant een restaurant
2 Voeding
faim honger hebben

ger eten
gume een groente

carotte een wortel

hampignon een paddenstoel

pomme de terre een aardappel

salade een sla

tomate een tomaat
baguette een stokbrood

roissant een croissant

ain een brood

tartine een boterham
ocolat de chocolade J’ai mangé du chocolat.

nfiture de jam J’ai pris de la confiture.

cre de suiker Il n’y a plus de sucre.
ande het vlees

arcuterie de fijne vleeswaren

mbon de ham

isson de vis
omage de kaas

urre de boter

œuf een ei
essert een dessert

glace een ijsje
3 Drank
soif dorst hebben

e drinken
(v.) het water Tu veux boire de l’eau?

t de melk Il y a encore du lait?

n de wijn Je ne bois pas de vin.
bière een bier(tje)

oca een cola

us de fruit(s) een fruitsap

imonade een limonade
afé een koffie

hocolat (chaud) een (warme)
                    chocolademelk

hé een thee
honer (à) telefoneren (naar)

ppareil een toestel Allo? Qui est à l’appareil?

                  hallo? Allo? Je peux parler à Micha?
er surfen

ernet (m.) het internet surfer sur (l’)Internet
gent (de police) een (politie)agent
octeur een dokter

médicament een geneesmiddel

ôpital (l’h) een ziekenhuis
Taal
erlandais (het) Nederlands

ançais (het) Frans

lais (m.) (het) Engels
mot een woord

phrase een zin

exte een tekst

message een boodschap

histoire (l’h) een verhaal,
                  geschiedenis
prendre begrijpen Pardon, je n’ai pas compris.

aitre kennen Je ne connais pas cette adresse.

ir kennen, weten Je ne sais pas où c’est.

er (à) denken (aan)
zeggen Qu’est-ce que tu veux dire?

er spreken Je ne parle pas français.

nter vertellen Je peux raconter quelque chose?

ander vragen Je veux demander quelque chose.

question een vraag J’ai une question.

réponse een antwoord Je ne sais pas la réponse.

faute een fout Il y a une faute dans l’exercice.
lezen

e schrijven

ter chatten
olgende zinnetjes kunnen door Vous pouvez traduire, s’il vous plait?
ngen gebruikt worden, maar de
                                    Vous pouvez répéter?
oeging van de werkwoorden traduire
épéter is geen deel van de leerstof. Vous pouvez parler moins vite?
                                    Je ne comprends pas. / Je n’ai pas
                                        compris.

                                    Je ne sais pas.

                                    Comment on dit … en français?

                                    Qu’est-ce que ... veut dire en néerlandais?
mps het weer Quel temps fait-il?

leil de zon Il y a du soleil.

nt de wind Il y a du vent.

ige de sneeuw Il y a de la neige.
t beau. Het is mooi weer.

t chaud. Het is warm.

t mauvais. Het is slecht weer.

t froid. Het is koud.
er sneeuwen Il neige. Il va neiger.

voir regenen Il pleut. Il va pleuvoir.

arapluie een paraplu, regenscherm