FR.112
Engageren
L5
L6
GO!-doel
Hanteren de Franse taal.
Frans › Talige diversiteit › Talige diversiteit binnen Frans
- Leeftijd
- 10-11,11-12 jaar
- Handelingswerkwoord
- Hanteren
- Verwerkingsaspect
- Engageren — reflectie en toepassing in nieuwe, authentieke contexten
- Minimumdoelen
- geen — GO!-doel op populatieniveau
- In de PDF
- pagina 29
Leerlijn
Hanteren de Franse taal.
MIA
Hanteren:
• durven te communiceren in het Frans
• geven niet op ondanks het feit dat ze niet alles begrijpen
• verzorgen de Franse taal bij het schrijven, het spreken en het voeren van
gesprekken
Hangt samen met
- Vlag LL.061 Herkennen het belang van systematische reflectie. L2,L3,L4
- Vlag LL.063 Passen de taakgerichte feed toe. K1,K2,K3,L1,L2,L3,L4,L5,L6
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Talige diversiteit”
zijn er is, er ligt, er staat Il y a un livre sur la table.
wie? Qui est là? ? wat? On mange quoi? st-ce que? wat? Qu’est-ce que tu vois? quelle? welk? wat voor? C’est quel mot? Quel est ce mot? ! quelle! wat een! wat voor een! Quel jardin! Quelle fête!
personne een persoon Qui est cette personne? chose een ding Quel est le mot pour cette chose? qu’un iemand Il y a quelqu’un en classe? que chose iets Tu entends quelque chose?
(un euro) ziehier, hier is (een euro) (le bus) ziedaar, daar is (de bus)
ja nee
uimte
waar? hier daar
, droite rechts, rechter- Tu as mal à ta main droite?
he, gauche links, linker- Mon pied gauche fait mal.
oite rechts, rechtsaf, naar Prenez la porte à droite.
rechts
uche links, linksaf, naar links Le magasin est à gauche.
droit rechtdoor Allez tout droit.
nant) te, in (Dinant) (la classe) in (de klas) nt (le tableau) voor (het bord) ère (la table) achter (de tafel) Belgique) in (België) le bureau) op (het bureau) (le cahier) onder (het schrift) re (la porte) tegen (de deur) e (la porte et la tussen (de deur en het nêtre) raam)
é de (l’école) naast (de school) de (l’école) dichtbij (de school) de (l’école) ver van (de school)
oin een hoek mètre een meter lomètre een kilometer
t, courte kort longue lang
jd Tijdsindeling
d? wanneer? mps de tijd Je n’ai pas le temps maintenant.
n een jaar Karen a 12 ans. année een jaar (periode, duur) Il y a douze mois dans l’année.
intemps de lente Nous sommes au printemps. (m.) de zomer Les grandes vacances sont en été. omne (m.) de herfst Il pleut souvent en automne. er (m.) de winter Il neige parfois en hiver.
mois een maand Le mois de janvier commence. er (m.) januari La fête est au mois de mars. er (m.) februari On part en vacances en juillet. s (m.) maart (m.) april (m.) mei (m.) juni t (m.) juli (m.) augustus embre (m.) september bre (m.) oktober mbre (m.) november mbre (m.) december
atin de ochtend, ’s ochtends Le matin, je me lève à 7 heures.
ès-midi (m./v.) de namiddag, ‘s
namiddags
ir de avond, ‘s avonds
it de nacht, ‘s nachts
heure (l’h) een uur Quelle heure est-il? Il est 8 h 10.
minute een minuut Il est 8 heures et demie.
seconde een seconde C’est à quelle heure? C’est à 9 h.
middag (12 uur) Il est midi.
uit middernacht C’est à minuit.
Tijdsverloop
date een datum Quelle est la date?
urd’hui vandaag Aujourd’hui, nous sommes (le
premier mai / le deux mai).
gisteren
ain morgen
nniversaire een verjaardag uvel an Nieuwjaar rnaval carnaval
ord eerst, vooreerst
vervolgens, daarna, dan
eindelijk, ten slotte
t (la leçon) voor (de les) ant (la leçon) tijdens (de les) s (la leçon) na (de les) u’à (3 heures) tot (drie uur)
vroeg Il est encore tôt.
laat Il est déjà tard.
al, reeds Il est déjà 16 heures.
que bijna Il est presque midi.
oeveelheid
bien? hoeveel? bien de (stylos)? hoeveel (pennen)? pter tellen
Telwoorden hrijfwijze van de telwoorden volgt de Orthographe rectifiée.
t twintig t-et-un éénentwintig t-deux tweeëntwintig e dertig e-et-un éénendertig e-deux tweeëndertig ante veertig uante vijftig ante zestig ante zeventig re-vingts tachtig nte negentig
éro een nul million een miljoen
mier, première eerste Janvier est le premier mois de
l’année.
ième tweede
ème derde
rième vierde
uième vijfde
ier, dernière laatste Le dernier bus est à 23 heures.
Maten
lo een kilo Il y a trois kilos de poires.
ramme een gram Je voudrais 250 grammes de
fromage.
tre een liter Je prends une bouteille d’un litre.
, demie half Pour moi, un demi-litre.
Voornaamwoorden en bijwoorden van hoeveelheid
ue, chaque elk Je dois lire chaque mot?
ques enkele Lis d’abord quelques mots.
alles Je ne comprends pas encore tout.
le monde iedereen Tout le monde peut venir à la fête.
re nog Il y a encore du pain?
. plus niet meer, geen meer Non, il n’y a plus de pain.
z genoeg Merci! J’ai assez mangé.
z (de chaises) genoeg (stoelen) Il n’y a pas assez de chaises.
te, te veel Pas trop vite, s’il vous plait!
(de tables) te, te veel (tafels) Il y a trop de tables.
que bijna Il y a presque cent personnes.
waliteit Waarneming
ntion! Opgelet! Let op! attention (à) opletten, oppassen (voor) Fais attention au tram!
couleur een kleur c, blanche wit bleue blauw d, blonde blond , brune bruin grise grijs e, jaune geel ve, mauve paars noire zwart ge, orange oranje , rose roze e, rouge rood , rousse ros, rossig verte groen
Waardering
goed Ça va bien?
slecht Non, ça va mal.
(grand) heel, zeer (groot) Le bureau n’est pas très grand.
snel Faites vite, on a peu de temps.
eau, nouvelle nieuw x, vieille oud
d, grande groot , petite klein
e, facile makkelijk ile, difficile moeilijk
d, chaude warm Le thé est encore trop chaud. , froide koud La soupe est déjà froide.
ette, chouette tof idable, geweldig rmidable essant, interessant téressante r, super super, geweldig
hebben
ment? hoe? hoezo? quoi? waarom?
et (moi) (jij) en (ik) ou (moi) (jij) of (ik) (moi) met (mij) (toi) voor (jou) (toi) zonder (jou) (un ami) bij (een vriend)
daarom, welnu, dan Il neige! Alors, faites attention!
i ook Je viens aussi.
dus Il n’y a pas de bus, donc on va à
pied.
maar Il fait beau, mais froid.
(vite) meer (snel = sneller) Nous allons plus vite en métro. s (vite) minder (snel) Ça va moins vite en bus. me zoals Amir est petit comme sa sœur. x beter Ça va déjà mieux?
(travailler) om te (werken) On est ici pour travailler.
e que omdat Je porte un pull parce qu’il fait
froid.
d wanneer Je porte un short quand il fait
chaud.
indien Si tu veux, on joue au foot.
eixis
epaalde en onbepaalde lidwoorden. le, la, l’, les
un, une, des
ersoonlijke voornaamwoorden als onderwerp. je, tu, il, elle, on
nous, vous, ils, elles
ersoonlijke voornaamwoorden als lijdend le, la, l’, les werp (enkel derde persoon).
eklemtoonde persoonlijke voornaamwoorden. (avec) moi, toi, lui, elle
(pour) nous, vous, eux, elles
Moi, je suis Aïsha.
Lui, c’est Geert.
ormen van het bijvoeglijk bezittelijk mon, ton, son
naamwoord.
ma, ta, sa
mes, tes, ses
notre, votre, leur
nos, vos, leurs
ormen van het bijvoeglijk aanwijzend ce, cet, cette, ces naamwoord.
betrekkelijk voornaamwoord qui. J’entends Ali qui chante.
C’est Maryse qui est malade?
ecifieke noties ersoon Persoonsgegevens nderdeel van het Drempelniveau omvat de gebruikelijke gegevens voor identificatie: naam, , telefoon, leeftijd, geslacht, nationaliteit.
om een naam Quel est ton nom?
rénom een voornaam C’est comment, ton prénom?
peler heten Comment tu t’appelles? Moi, je
m’appelle Liesbeth. Cette fille
s’appelle Edith.
ter (j’h) wonen Tu habites où?
adresse een adres Quelle est ton adresse?
rue een straat J’habite rue de l’École, numéro 2.
avenue een laan
place een plein
uméro een nummer Mon adresse est place Napoléon,
numéro 13.
ge een leeftijd Tu as quel âge? (11) ans (11) jaar oud zijn J’ai (11) ans.
omme (l’h) een man Le directeur est un homme.
monsieur een heer Qui est ce monsieur? C’est Jo
Duval.
sieur (aanspr.) Mijnheer Bonjour, Monsieur Duval.
femme een vrouw Le directeur est une femme.
dame een dame Qui est cette dame? C’est Bila
Demir.
ame (aanspr.) Mevrouw Bonjour, Madame Demir.
emoiselle Juffrouw Bonjour, Mademoiselle Aziz.
spr.)
arçon een jongen fille een meisje nfant een kind ébé een baby
Familie
famille een familie ère een vader apa een papa mère een moeder maman een mama parents (m.) ouders
ère een broer sœur een zus ls een zoon fille een dochter
rand-père een grootvader grand-mère een grootmoeder grands-parents grootouders m.)
ncle een oom tante een tante
d, grande groot , petite klein , belle mooi jolie mooi
les cheveux (zwart) haar hebben Kerim a les cheveux noirs. noirs) les cheveux kort haar hebben ourts les cheveux lang haar hebben ngs
les yeux (bleus) (blauwe) ogen hebben Ellen a les yeux bleus.
unettes (v.) een bril Suzy porte des lunettes.
Persoonlijkheid, wil en gevoelens
il, gentille lief, vriendelijk pa, sympa sympathiek hant, méchante stout, boosaardig
r houden van
r (lire) graag (lezen)
envie de zin hebben in J’ai envie de chocolat.
oir willen Tu voudrais une glace? Oui, je
voudrais bien.
oir kunnen, mogen
ir moeten
t (partir) je moet / men moet / we
moeten (vertrekken)
uis en thuis, omgeving Huis
maison een huis Nous habitons une maison à
Bruges.
ppartement een appartement, flat L’appartement est à quel étage?
tage een verdieping Il est au premier étage.
porte een deur fenêtre een raam
armoire een kast anc een bank ureau een bureau table een tafel chaise een stoel auteuil een zetel t een bed
ampe een lamp rdinateur een computer ortable een laptop radio een radio télé een tv
llage een dorp ville een stad Tu aimes habiter en ville?
ays een land elgique België Mons est une ville en Belgique. ance Frankrijk Ma tante habite en France. andre Vlaanderen allonie Wallonië ope (v.) Europa
mpagne het platteland Nous habitons à la campagne. (v.) het water La maison est près de l’eau. er de zee On passe nos vacances à la mer. ois een bos montagne een berg
Flora en fauna
ture de natuur rbre een boom feuille een blad fleur een bloem
hat een kat hien een hond pin een konijn ochon een varken heval een paard vache een koe oq een haan poule een kip
agelijks leven Thuis
ver opstaan ver zich wassen dre une douche een douche nemen biller zich aankleden dre (un repas) (een maaltijd) nemen (au travail) (naar het werk) gaan mir slapen
Op het werk
ailler werken
avail het werk (un travail) (een werk) doen, maken
rijetijdsbesteding Spel en sport
eu een spel r spelen jouer à la balle / au foot / aux cartes user zich amuseren ner winnen
port een sport
du sport sporten, sport
beoefenen
balle een (kleine) bal
allon een (grote) bal
allon de foot een voetbal
match een match jouer un match de foot
asket het basketbal jouer au basket / faire du basket ot, le football het voetbal ym het turnen faire de la gym nnis het tennis jouer au tennis / faire du tennis élo het fietsen faire du vélo
er zwemmen
Andere vormen
romener wandelen promenade een wandeling faire une promenade
usique de muziek jouer de la musique iano een piano jouer du piano guitare een gitaar jouer de la guitare chanson een lied(je) ter zingen er dansen
lm een film néma een cinema, bioscoop é de tv D een cd VD een dvd
fête een feest
erplaatsingen Bewegingen
gaan
va! We vertrekken!
r buitengaan
r vertrekken, weggaan
er langskomen, Je peux passer chez toi à 3 h.
voorbijgaan
êter stilstaan, stoppen
ndre wachten (op) J’attends le bus.
r lopen
ber vallen
er komen, aankomen
r komen
er binnenkomen
er blijven
er (terug) naar huis gaan,
thuiskomen
entrée een ingang sortie een uitgang
cher zoeken
ver vinden
er geven
er doorgeven Tu peux passer ton livre à Laïla?
dre nemen
arer voorbereiden,
klaarmaken
re leggen, plaatsen, zetten
ir openen, opendoen
er sluiten
r) à (Paris) naar (Parijs gaan) ir) de (Mons) van (Bergen komen)
Transportmiddelen
vion een vliegtuig Nous allons en avion. ateau een boot en bateau voiture een auto en voiture amion een vrachtwagen en camion
us een bus Je vais en bus. utobus een autobus en autobus métro een metro en métro ain een trein en train am een tram en tram
élo een fiets Hans va à vélo. moto een motor à / en moto
Verkeer
arrefour een kruispunt ond-point een rotonde eu een verkeerslicht Attention au feu rouge! eux (m.) verkeerslichten Attention aux feux!
elaties met anderen Relatievormen
mi een vriend amie een vriendin opain een vriend copine een vriendin oisin een buurman voisine een buurvrouw
r houden van, liefhebben Roméo aime Juliette. r helpen
er geven Tu donnes un cadeau à Emma? adeau een cadeau, geschenk
our dag, goeiedag
hallo, dag, hoi
a (bien)? gaat het (goed)?
ment ça va? hoe gaat het?
on pardon, sorry sez-moi excuseer mij, sorry
ci dank je, dank u,
bedankt
ci beaucoup veel dank
ci bien hartelijk bedankt
cord akkoord
en graag gedaan, zonder
dank
ous plait? alstublieft? (bij vragen) p.) e plait? (s.t.p.) alsjeblief? (bij vragen)
evoir tot (weer)ziens main tot morgen ntôt tot binnenkort
chaam en gezondheid Lichaamsdelen
tête een hoofd heveu een haar cheveux (m.) haren œil een oog yeux (m.) ogen oreille een oor ez een neus bouche een mond dent een tand
ras een arm main een hand oigt een vinger jambe een been enou een knie ied een voet entre een buik os een rug
nté de gezondheid
de, malade ziek
mal pijn hebben J’ai mal au ventre.
à la tête / aux dents
nderwijs
école een school classe een klas ableau een bord
endre leren eçon een les xercice een oefening evoir een huiswerk, huistaak
vre een boek ahier een schrift feuille een blad page een bladzijde tylo een pen rayon een potlood gomme een gom
rdinateur een computer
rof een leerkracht, leraar prof een leerkracht, lerares ève een leerling élève een leerlinge irecteur een directeur directrice een directeur, directrice
Winkelen Winkelfaciliteiten
course een boodschap des courses boodschappen doen
magasin een winkel marché een markt upermarché een supermarkt
rt open é gesloten
Kleding
biller zich aankleden re (un T-shirt) (een T-shirt) aandoen Tu mets un short? er (un pull) (een trui) dragen Non, je vais porter un jean. êtement een kledingstuk vêtements (m.) kleren
basket een sport-,
basket(bal)schoen
botte een laars
chaussette een sok
chaussure een schoen
Eten en drinken 1 Maaltijden
epas een maaltijd etit déjeuner een ontbijt iner een middagmaal ouper een avondmaal
re la table de tafel dekken assiette een bord outeau een mes cuillère een lepel fourchette een vork
tasse (de thé) een kopje (thee) Tu veux une tasse de thé? bouteille (d’eau) een fles (water) Achète une bouteille d’eau. erre (de coca) een glas (cola)
ble! Aan tafel!
appétit! Smakelijk!
bon! Het is lekker!
e-moi (le pain). Geef me (het brood)
door.
é! Gezondheid!
menu een menu estaurant een restaurant
2 Voeding
faim honger hebben ger eten
gume een groente carotte een wortel hampignon een paddenstoel pomme de terre een aardappel salade een sla tomate een tomaat
baguette een stokbrood roissant een croissant ain een brood tartine een boterham
ocolat de chocolade J’ai mangé du chocolat. nfiture de jam J’ai pris de la confiture. cre de suiker Il n’y a plus de sucre.
ande het vlees arcuterie de fijne vleeswaren mbon de ham isson de vis
omage de kaas urre de boter œuf een ei
essert een dessert glace een ijsje
3 Drank
soif dorst hebben e drinken
(v.) het water Tu veux boire de l’eau? t de melk Il y a encore du lait? n de wijn Je ne bois pas de vin.
bière een bier(tje) oca een cola us de fruit(s) een fruitsap imonade een limonade
afé een koffie
hocolat (chaud) een (warme)
chocolademelk
hé een thee
honer (à) telefoneren (naar)
ppareil een toestel Allo? Qui est à l’appareil?
hallo? Allo? Je peux parler à Micha?
er surfen ernet (m.) het internet surfer sur (l’)Internet
gent (de police) een (politie)agent
octeur een dokter médicament een geneesmiddel ôpital (l’h) een ziekenhuis
Taal
erlandais (het) Nederlands ançais (het) Frans lais (m.) (het) Engels
mot een woord
phrase een zin
exte een tekst
message een boodschap
histoire (l’h) een verhaal,
geschiedenis
prendre begrijpen Pardon, je n’ai pas compris. aitre kennen Je ne connais pas cette adresse. ir kennen, weten Je ne sais pas où c’est. er (à) denken (aan)
zeggen Qu’est-ce que tu veux dire? er spreken Je ne parle pas français. nter vertellen Je peux raconter quelque chose? ander vragen Je veux demander quelque chose. question een vraag J’ai une question. réponse een antwoord Je ne sais pas la réponse. faute een fout Il y a une faute dans l’exercice.
lezen e schrijven ter chatten
olgende zinnetjes kunnen door Vous pouvez traduire, s’il vous plait?
ngen gebruikt worden, maar de
Vous pouvez répéter?
oeging van de werkwoorden traduire
épéter is geen deel van de leerstof. Vous pouvez parler moins vite?
Je ne comprends pas. / Je n’ai pas
compris.
Je ne sais pas.
Comment on dit … en français?
Qu’est-ce que ... veut dire en néerlandais?
mps het weer Quel temps fait-il? leil de zon Il y a du soleil. nt de wind Il y a du vent. ige de sneeuw Il y a de la neige.
t beau. Het is mooi weer. t chaud. Het is warm. t mauvais. Het is slecht weer. t froid. Het is koud.
er sneeuwen Il neige. Il va neiger. voir regenen Il pleut. Il va pleuvoir. arapluie een paraplu, regenscherm