53 doelen
-
Begrijpen basiswoordenschat.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Basiswoordenschat: • woordenschat met betrekking tot de leefomgeving en de school • Inhoudswoorden • functiewoorden
Voorbeelden
Inhoudswoorden: stoel, bouwen, eten Functiewoorden: want, naast, nu, maar
-
Gebruiken basiswoordenschat.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Basiswoordenschat: • woordenschat met betrekking tot de leefomgeving en de school • Inhoudswoorden • Functiewoorden
-
Begrijpen basiswoordenschat*.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Basiswoordenschat: • inhoudswoorden • functiewoorden • woorden met meerdere betekenissen
Voorbeelden
Inhoudswoorden: stoel, bouwen, eten Functiewoorden: want, naast, nu, maar Woorden met meerdere betekenissen: arm, bloem, pad, blik, blad *woordenschat met betrekking tot de leefomgeving en de school
-
Gebruiken basiswoordenschat.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Basiswoordenschat: • woordenschat met betrekking tot de leefomgeving en de school • inhoudswoorden • functiewoorden • woorden met meerdere betekenissen
-
Herkennen eenvoudige school- en instructietaal.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Eenvoudige school-en instructietaal: • binnen de context van de activiteiten, vakspecifieke kennis, voorkennis en ervaring • inhoudswoorden • functiewoorden
Voorbeelden
Inhoudswoorden: bank, kijken Functiewoorden: want, naast, nu, maar
-
Gebruiken eenvoudige school- en instructietaal.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Eenvoudige school-en instructietaal: • binnen de context van de activiteiten, vakspecifieke kennis, voorkennis en ervaring • inhoudswoorden • functiewoorden
-
Begrijpen eenvoudige school- en instructietaal.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Eenvoudige school- en instructietaal: • binnen de context van de activiteiten, vakspecifieke kennis, voorkennis en ervaring • inhoudswoorden • uitdrukkingen • functiewoorden • woorden met meerdere betekenissen
Voorbeelden
School- en instructietaal: • Neem het penseel. • Hang je jas aan de kapstok en ga in de rij staan.
-
Gebruiken eenvoudige school- en instructietaal.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Eenvoudige school- en instructietaal: • binnen de context van de activiteiten, vakspecifieke kennis, voorkennis en ervaring • inhoudswoorden • functiewoorden • woorden met meerdere betekenissen
-
Gebruiken een steeds uitgebreidere woordenschat.*
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Uitgebreide woordenschat: nieuw geleerde woorden, zowel school- als instructietaal *onder begeleiding
-
Begrijpen school- en instructietaal.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
School- en instructietaal: • inhoudswoorden • uitdrukkingen • functiewoorden • woorden met meerdere betekenissen
Voorbeelden
School- en instructietaal: functie, gevolg van, tenzij, ondanks, verklaren, omcirkelen, toch, dus, behandelen, vorm (tekst of voorwerp), vergelijken
-
Gebruiken school- en instructietaal.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
School- en instructietaal: in verschillende vakken
-
Begrijpen vaktaal.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Vaktaal: • binnen de context van de activiteiten, vakspecifieke kennis, voorkennis en ervaring • relevante themawoordenschat • vakspecifieke taal
-
Gebruiken vaktaal.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Vaktaal: • binnen de context van de activiteiten, vakspecifieke kennis, voorkennis en ervaring • relevante themawoordenschat • vakspecifieke taal
-
Begrijpen vaktaal.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
-
Begrijpen vaktaal.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Te hanteren begrippen
de vaktaal
-
Gebruiken vaktaal.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
-
Tonen hun kennis van school-, instructie- en vaktaal in verschillende contexten.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordenschatkennis
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Voorbeelden
• Fons zit nog maar pas in de Ravenklas (K2-K3). Hij mag van de juf een vriendje aanduiden waarmee hij samen een taak gaat doen. Fons begrijpt het woord ‘aanduiden’ en wijst naar zijn vriend Rune, die een jaartje ouder is. (instructietaal) • In het vijfde leerjaar lezen de leerlingen boeken die binnen het brede thema ‘kracht en beweging’ passen. Kyona leest een boek waarin het hoofdpersonage een waterraket gaat bouwen. In het boek komen woorden voor zoals ‘kracht, beweging, massa, energie, snelheid en weerstand’. Kyona begrijpt deze woorden in de context van het boek omdat ze in de lessen over natuurverschijnselen hierover leerde. (vaktaal) -
Herkennen woordleerstrategieën in luistersituaties.*
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordleerstrategieën
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Woordleerstrategieën: • linken leggen met bekende woorden • de woordopbouw analyseren • de eigen bredere talenkennis inzetten om betekenissen af te leiden • de betekenis van woorden afleiden uit de context
Voorbeelden
De eigen bredere talenkennis inzetten: • Irene spreekt thuis Spaans. Wanneer ze met haar klasgenootjes in de keukenhoek speelt, maakt ze graag een woordgrapje: wanneer de andere kinderen haar vragen om de pan aan te geven, geeft ze een brood. In het Spaans betekent ‘pan’ immers brood! • Taner is een Turkse jongen die nog maar twee maanden op school is, maar hij kent het Nederlandse woord ‘suiker’ al! Dat is niet moeilijk want het Turkse woord ‘şeker’ (klinkt als ‘sjeek-èr’) lijkt heel erg op het Nederlandse woord ‘suiker’. Misschien zijn er nog meer Nederlandse en Turkse woorden die op elkaar lijken? *onder begeleiding -
Illustreren woordleerstrategieën in luister- en leessituaties.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordleerstrategieën
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Woordleerstrategieën: • om verduidelijking vragen • vergelijken met een bekend woord • de context inzetten • de eigen bredere talenkennis inzetten om betekenissen af te leiden • de woordopbouw analyseren
-
Illustreren woordleerstrategieën in luister- en leessituaties.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordleerstrategieën
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Woordleerstrategieën: • om verduidelijking vragen • vergelijken met een bekend woord • de context inzetten • de eigen bredere talenkennis inzetten om betekenissen af te leiden • de woordopbouw analyseren • belang van het woord in de tekst na gaan • hulpbron inzetten
-
Illustreren woordleerstrategieën in luister- en leessituaties.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordleerstrategieën
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Woordleerstrategieën: • om verduidelijking vragen • vergelijken met een bekend woord • de context inzetten • de eigen bredere talenkennis inzetten om betekenissen af te leiden • de woordopbouw analyseren • belang van het woord in de tekst na gaan • hulpbron inzetten • vreemdetalenkennis inzetten
-
Gebruiken verklarende woordenlijsten en woordenboeken om de betekenis van woorden te achterhalen.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordleerstrategieën
-
Zetten woordleerstrategieën actief in op zoek naar nieuwe woordbetekenissen en relaties.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordleerstrategieën
-
Passen woordleerstrategieën toe*.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordleerstrategieën
-
Passen woordleerstrategieën toe.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordleerstrategieën
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Toepassen: • Om nieuwe woordbetekenissen en relaties te achterhalen uit gesproken context. • Om nieuwe woordbetekenissen en relaties te achterhalen uit geschreven context.
-
Herkennen betekenisrelaties tussen woorden.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Betekenisrelaties: • categorie en exemplaar (hyperoniem- hyponiem) • eenvoudige synoniemen • eenvoudige tegenstellingen (antoniemen) • veel gebruikte trappen van vergelijking
Voorbeelden
Betekenisrelaties: categorie en exemplaar: • Een appel (exemplaar) is een stuk fruit (categorie). • Het kleurpotlood (exemplaar) is tekengerief (categorie). Betekenisrelaties: eenvoudige synoniemen Mijn mama rijdt met de wagen; mijn mama rijdt met de auto. Betekenisrelaties: eenvoudige tegenstellingen Ik ben groot, mijn zus is klein. Betekenisrelaties: veel gebruikte trappen van vergelijking Die meloen is zwaarder dan de perzik. De pompoen is het zwaarst.
-
Herkennen betekenisrelaties tussen woorden.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Betekenisrelaties: context: beroep-handeling, gebeurtenis-plaats, tijd-gebeurtenis
Voorbeelden
Betekenisrelaties – context: • De kok doet zijn schort aan en neemt een braadpan. (beroep-handeling) • Zwemmen – het zwembad (gebeurtenis-plaats) • De ochtend – opstaan (tijd-gebeurtenis)
-
Begrijpen betekenisrelaties tussen woorden.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Betekenisrelaties: verwijswoorden: zij, hij, het, die, deze, dit, dat
Voorbeelden
Verwijswoorden: • Toen was zij nog een baby. > ‘zij’ verwijst naar een eerder vernoemd personage. • Oma wil graag de mooiste taart van de bakker, die met slagroom.
-
Illustreren betekenisrelaties tussen woorden.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Betekenisrelaties: vormrelatie - homoniemen (woorden die hetzelfde klinken maar iets anders betekenen)
Te hanteren begrippen
het homoniem
Voorbeelden
Vormrelatie – homoniemen: • Hij zit op de bank voor de bank. • Zij neemt de bal niet mee naar het bal.
-
Illustreren betekenisrelaties tussen woorden.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Betekenisrelaties: antoniemen
Te hanteren begrippen
het antoniem
Voorbeelden
Antoniemen: boven – onder, groot – klein, blij – verdrietig
-
Illustreren betekenisrelaties tussen woorden.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Betekenisrelaties: synoniemen
Te hanteren begrippen
het synoniem
Voorbeelden
Synoniemen: boos – kwaad, blij – vrolijk, snel – vlug, beginnen – starten
-
Illustreren betekenisrelaties tussen woorden.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Betekenisrelaties: trappen van vergelijking
Te hanteren begrippen
de trappen van vergelijking
Voorbeelden
Trappen van vergelijking: • Deze pizza is lekker, maar die pizza is lekkerder. • Het resultaat is goed, dit resultaat is beter, dat resultaat is het best.
-
Begrijpen gradaties in woordbetekenissen.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Gradaties in woordbetekenissen: woorden die de intensiteit van een eigenschap of actie weergeven
Voorbeelden
Woorden die de intensiteit van een eigenschap of actie weergeven: • Caro vindt de blauwe jurk prachtig! • Die danseres danst uitstekend!
-
Illustreren betekenisrelaties tussen woorden.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
betekenisrelaties tussen woorden: • hyponiemen • hyperoniem
Te hanteren begrippen
het hyponiem
Voorbeelden
Hyponiemen en hyperoniem: • ‘Dier’ is het hyperoniem. ‘Hond, kat, olifant’ zijn hyponiemen van ‘dier’. • ‘Vogel’, ‘zoogdier’, ‘reptiel’(hyponiemen) zijn ‘gewervelden’(hyperoniem). • ‘Tang’, ‘hamer’, ‘schroevendraaier’ (hyponiemen) zijn ‘gereedschappen’ (hyperoniem). -
Gebruiken betekenisrelaties tussen woorden.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
-
Gebruiken gradaties van woordbetekenissen.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
-
Reflecteren in luister- en leessituaties op verbanden tussen woorden en hun betekenis.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
-
Analyseren concrete en abstracte woorden in een gelezen tekst.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Abstractiegraad van woorden
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Concrete en abstracte woorden: hoe meer abstracte woorden gebruikt worden in een tekst, hoe complexer de tekst is
Voorbeelden
Concrete woorden: voetballer, appel, lopen, wakker, rood, lauw Abstracte woorden: verandering, democratie, analyseren, evalueren
-
Herkennen in lees- en luistersituaties de figuurlijke betekenis van woorden en woordgroepen.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Figuurlijk taalgebruik
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Figuurlijke betekenis: uitdrukkingen
Voorbeelden
figuurlijke betekenis van woorden en woordgroepen: • Het hoofdpersonage in het luisterverhaal wordt ‘een brave Hendrik’ genoemd. De meester legt uit dat dit een uitdrukking is voor een gehoorzaam iemand die zich netjes aan de regels houdt. • De juf leest een verhaal voor waarin wordt verteld dat een personage ‘met hart en ziel’ haar werk deed. Ze legt uit dat dit een gezegde is en dat het betekent dat het personage haar werk heel graag doet. • De juf leest een verhaal voor over ‘een buitenbeentje’. Ze legt uit dat het een uitdrukking is voor iemand die een beetje anders dan anderen is. • In de tekst lezen de kinderen dat prinses Elisabeth ‘blauw bloed’ heeft. De leerkracht legt uit dat prinses Elisabeth haar bloed niet blauw van kleur is, maar dat het een gezegde is dat betekent dat zij van adel is en dus geboren is in een voorname familie. -
Begrijpen in lees- en luistersituaties de letterlijke en figuurlijke betekenis van woorden en woordgroepen.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Figuurlijk taalgebruik
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Figuurlijke betekenis: uitdrukkingen
Te hanteren begrippen
letterlijk, figuurlijk, de uitdrukking, het figuurlijk taalgebruik
Voorbeelden
Figuurlijke betekenis: • In het beluisterde nieuwsbericht horen de kinderen een geïnterviewd persoon zeggen: ‘Genoeg is genoeg!’. Ze denken samen na over de betekenis van deze uitdrukking en komen tot de conclusie dat het betekent dat die persoon het beu is. • De kinderen beluisteren een interview met een bekend persoon. Als antwoord op een vraag van de interviewer antwoordt de persoon: ‘Dat is de hamvraag.’ De leerkracht verduidelijkt dat de ‘hamvraag’ de vraag is waar het allemaal om draait. • In een aflevering van het jeugdjournaal zegt de sportjournalist dat de atleet ‘de handdoek in de ring gooit’. De meester legt uit dat dit spreekwoord betekent dat de atleet het opgeeft en niet verder deelneemt aan de wedstrijd. • In de tekst lezen de kinderen dat het hoofdpersonage ‘groen’ is. De leerkracht legt uit dat ‘groen’ meerdere betekenissen kan hebben. Groen is letterlijk een kleur. Maar het kan figuurlijk als betekenis jong of milieubewust hebben. • Aan het einde van het verhaal leest Timon: ‘na regen komt zonneschijn’. Hij zoekt het spreekwoord op in het online spreekwoordenboek en komt te weten dat het betekent dat na alle tegenslag alles weer goed komt. -
Reflecteren over de figuurlijke betekenis van woorden en woordgroepen.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Figuurlijk taalgebruik
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Reflecteren: • met elkaar • in verschillende lees- en luistercontexten
-
Herkennen samenstellingen.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordvorming
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Voorbeelden
Samenstellingen: De leerkracht toont verschillende soorten ballen en zegt daarbij het woord ‘bal’. ‘Hoe weten jullie nu welke bal ik bedoel?’ De kinderen merken wellicht op dat er een voetbal, een tennisbal en een basketbal liggen. De leerkracht modelleert dat je een basketbal kan aanduiden door niet alleen ‘bal’ te zeggen, maar er het woorddeel ‘basket’ aan toe te voegen: ‘Wanneer ik een ander deel aan het woord bal toevoeg weet ik welke bal het precies is, de basket-bal!’ Samen met de kleuters ontdekt de leerkracht dat er nog andere delen aan het woord ‘bal’ kunnen toegevoegd worden om precies te kunnen zeggen over welke bal het gaat.
-
Herkennen samenstellingen.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordvorming
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Te hanteren begrippen
de samenstelling
Voorbeelden
Samenstellingen: • /korfbal/ bestaat uit /korf/+/bal/ • /zaalvoetbal/ bestaat uit /zaal/+/voet/+/bal/
-
Benoemen het grondwoord in afleidingen.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordvorming
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Te hanteren begrippen
de afleiding, het grondwoord
Voorbeelden
Afleidingen: • Bij /onschuldig/ is /schuldig/ het grondwoord • Bij /dagelijks/ is /dag/ het grondwoord
-
Benoemen de structuur bij afleidingen.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordvorming
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Te hanteren begrippen
het voorvoegsel, het achtervoegsel
-
Begrijpen in lees- en schrijfsituaties vormelijke kenmerken van verbuigingen.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordvorming
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Vormelijke kenmerken van verbuigingen: • bij bijvoeglijke naamwoorden • bij trappen van vergelijking
Te hanteren begrippen
de verbuiging, het bijvoeglijk naamwoord
Voorbeelden
Vormelijke kenmerken van verbuigingen: • Een spannend boek, het spannende boek • Spannend, spannender, spannendst
-
Zetten hun kennis van woorden genuanceerd en gepast in.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordvorming
-
Zetten woorden genuanceerd en gepast in.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordvorming
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Genuanceerd en gepast: met steeds hogere abstractiegraad en figuurlijk taalgebruik
-
Herkennen het getal van zelfstandige naamwoorden.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordvorming
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Getal: • enkelvoud • meervoud
Te hanteren begrippen
het enkelvoud, het meervoud
-
Herkennen in lees- en schrijfsituaties de vervoeging van een werkwoord.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Woordvorming
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Vervoeging werkwoord: • eerste persoon enkelvoud en meervoud (ik en wij) • tweede persoon enkelvoud en meervoud (jij, u en jullie) • derde persoon enkelvoud en meervoud (hij, zij, het en zij)
Te hanteren begrippen
de vervoeging
-
Verwoorden basisverschillen tussen formele en informele taal.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Formeel en informeel taalgebruik
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Te hanteren begrippen
formeel taalgebruik, informeel taalgebruik
Voorbeelden
Formele en informele taal: • formeel: Een onbekende volwassene in een interview aanspreken met ‘U’. • informeel: Jongerentaal gebruiken om een spannende anekdote aan vrienden te vertellen. -
Duiden formele en informele taal.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Formeel en informeel taalgebruik
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Te hanteren begrippen
formeel taalgebruik, informeel taalgebruik
-
Zetten hun kennis over formele en informele taal in overeenstemming met de context in.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Formeel en informeel taalgebruik