Leerplannen Leerplandoelen
Leerjaar
Verwerkingsaspect

23 doelen

CSV downloaden filters wissen

vak: NL ✕ Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur ✕

  1. NL.119 Begrijpen K1 K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.1.13

    Herkennen een grote variatie aan teksttypes.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Teksttypes:
    instructie, recept, handleiding, schema, flyer, boekbespreking, e-mail, liedjestekst,
    gedicht, verhaal, formulier, verslag, artikel, opinietekst, historische bronnen
  2. NL.120 Begrijpen L3 L4 L5 L6 L4 1.1.13; L6 1.1.9

    Verwoorden het doel van een teksttype bij het lezen.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Doel:
    informeren, mening vertellen, gevoelens tot uitdrukking brengen, overtuigen,
    aansporen, amuseren, raad geven, waarschuwen

    Te hanteren begrippen

    informeren, mening vertellen, gevoelens tot uitdrukking brengen, overtuigen,
    aansporen, amuseren, adviseren, waarschuwen
  3. NL.121 Begrijpen K1 K2 KO 1.1.10

    Begrijpen de leesrichting.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Leesrichting:
    van links naar rechts, van boven naar beneden, van voor naar achter
  4. NL.122 Gebruiken K1 K2 K3 KO 1.1.10

    Volgen tijdens het voorlezen de leesrichting en paginawisseling.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

  5. NL.123 Begrijpen K3 L1 KO 1.1.10

    Duiden het principe van leesrichting.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Leesrichting:
    van links naar rechts, van boven naar beneden, van voor naar achter
  6. NL.124 Begrijpen K1 K2 KO 1.1.10

    Herkennen het verschil tussen tekst en beeld.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Verschil tussen:
    • symbolen
    • pictogrammen
    • afbeeldingen
    • letters en andere tekens
  7. NL.125 Begrijpen K1 K2 K3 KO 1.1.10

    Begrijpen de congruentie tussen tekst en beeld.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Congruentie:
    • de tekening in het prentenboek laat precies zien wat de tekst zegt
    • de bewegingen bij een liedje ondersteunen de tekst. Bij het woord ‘springen’
        springen de kleuters
    • afbeeldingen bij woordplaten
  8. NL.126 Gebruiken K2 K3 KO 1.1.10

    Onderscheiden letters als verschillend van andere symbolen.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Letters:
    in verschillende verschijningsvormen: leesletters, schrijfletters
  9. NL.127 Begrijpen K1 K2 K3 KO 1.1.11

    Herkennen dat geschreven taal een communicatief en esthetisch doel heeft.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Communicatief doel:
    • Taal kan bewaard blijven.
    • Taal kan tijd en afstand overbruggen.
    • Taal kan gelezen worden.
    • Taal kan gebruikt worden om iets te onthouden.
    • Taal kan gebruikt worden om een boodschap over te brengen.
    • Taal kan gebruikt worden om iets te benoemen.
    • Taal kan gebruikt worden om een verhaal weer te geven.
    
    Esthetisch doel:
    • Taal kan gebruikt worden om van te genieten.
  10. NL.128 Begrijpen K2 K3 L4 1.1.12

    Illustreren dat verhalen een opbouw hebben.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

  11. NL.129 Begrijpen L1 L2 L4 1.1.12

    Begrijpen de functie van hoofdletters en interpunctie bij het lezen van een tekst.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Functies van hoofdletters en interpunctie bij het lezen:
    • De hoofdletter duidt het begin van een nieuwe zin aan.
    • De hoofdletter geeft een naam aan.
    • Het punt, uitroepteken en vraagteken duiden het einde van een zin aan.
    • Een uitroepteken geeft weer dat de tekst luid wordt gelezen.
    • Een vraagteken geeft weer dat een zin vragend wordt gelezen.
  12. NL.130 Begrijpen L2 L4 1.1.12

    Herkennen vormelijke elementen van tekststructuur/verhaalstructuur.*

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vormelijke elementen van tekststructuur/verhaalstructuur:
    • de alinea
    • de titel
    • de tussentitel

    Te hanteren begrippen

    de alinea, de tussentitel, de titel
    
    * Tekststructuur: informatieve teksten. Verhaalstructuur: verhalende teksten.
  13. NL.131 Begrijpen L3 L4 1.1.12

    Herkennen elementen van tekststructuur/verhaalstruc tuur.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Elementen van tekststructuur/verhaalstructuur:
    • de regel
    • het begin
    • het midden
    • het slot

    Te hanteren begrippen

    de regel, het begin, het midden, het slot
  14. NL.132 Begrijpen L4 L5 L6 L6 1.1.8

    Herkennen vormelijke elementen van tekststructuur/verhaalstructuur.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vormelijke elementen van tekststructuur/verhaalstructuur:
    • de tekstopmaak
    • cursief
    • vet
    • hoofdstuk

    Te hanteren begrippen

    de tekstopmaak, cursief, vet, het hoofdstuk
  15. NL.133 Begrijpen L5 L6 L6 1.1.8

    Begrijpen vormelijke elementen van tekststructuur.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Begrijpen:
    • doel en gebruik
    
    Vormelijke elementen van tekststructuur:
    • de index
    • de inhoudsopgave
    • de legende
    • de tabellen
    • de figuren
  16. NL.134 Begrijpen L2 L3 L4 L4 1.1.13

    Illustreren het verband tussen tekststructuur/verhaalstructuur en teksttype.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de tekst, het teksttype

    Voorbeelden

    Verband tekststructuur en teksttype:
    • Binnenkort gaat de klas naar een interactief museum. De leraar bracht een folder
        mee. De kinderen ontdekken zelf wat er allemaal te beleven valt door de folder te
        lezen. Het valt op dat elke activiteit wordt voorgesteld in een apart stukje tekst in
        de folder. Ze ontdekken de inkomprijs, het adres en de openingsuren achteraan op
        de folder.
    • Bij het lezen van een verslag van een activiteit merkt Tijl op dat er eerst een
        inleiding is over de activiteit en dat daarna de gebeurtenissen beschreven worden.
  17. NL.135 Begrijpen L3 L4 L5 L6 L4 1.1.13; L6 1.1.9

    Begrijpen de hoofdgedachte van een tekst aan de hand van inhoudelijke elementen van tekststructuur/verhaalstructuur.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Inhoudelijke elementen van tekststructuur:
    • oorzaak-gevolgstructuur
    • chronologische opbouw
    • probleem-oplossingsstructuur
    • vergelijkende opbouw
    • beschrijvende opbouw
    
    Inhoudelijke elementen van verhaalstructuur:
    • begin (kennismaking: personages, situatie, plaats), midden (probleem en obstakels),
        slot (oplossing en afloop)
    • chronologische opbouw

    Voorbeelden

    Oorzaak-gevolg:
    In een tekst over de opwarming van de aarde lezen de leerlingen dat door de
    opwarming de ijskappen smelten en daardoor de zeespiegel stijgt. De hoofdgedachte in
    de tekst (oorzaak-gevolg) is: “de opwarming van de aarde zorgt voor een stijgende
    zeespiegel”
    Chronologisch opbouw:
    In een tekst over de levenscyclus van een vlinder leiden leerlingen aan de hand van de
    opeenvolgende chronologische stappen volgende hoofdgedachte af: “Het leven van een
    vlinder bestaat uit vier fases die elkaar opvolgen.”
    Probleem-oplossing:
    In een tekst over het verkeer lezen de leerlingen over de toenemende
    verkeersonveiligheid en mogelijke oplossingen. De hoofdgedachte is: “Toenemend
    verkeer veroorzaakt gevaar voor voetgangers en fietsers, dus worden er maatregelen
    genomen.”
    Vergelijkende opbouw:
    In een tekst over de verschillen en gelijkenissen tussen haaien en dolfijnen leiden
    leerlingen aan de hand van vergelijkende elementen volgende hoofdgedachte af:
    “Dolfijnen en haaien leven in zee maar verschillen sterk in bouw en ademhaling.”
    Beschrijvende opbouw:
    In een tekst over het leven in een middeleeuwse stad leiden de leerlingen aan de hand
    van de verschillende beschrijvende elementen af dat de tekst beschrijft hoe een
    middeleeuwse stad eruitzag en hoe het leven daar georganiseerd was.
  18. NL.136 Gebruiken L5 L6 L6 1.1.9

    Analyseren de doelen van teksten aan de hand van tekststructuur/verhaalstructuur.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Tekststructuur/verhaalstructuur:
    • vormelijke elementen
    • inhoudelijke elementen
  19. NL.137 Begrijpen L2 L4 1.1.12

    Herkennen samenhang in teksten.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Samenhang:
    woorden die de volgorde aanduiden

    Voorbeelden

    Woorden die de volgorde aanduiden:
    eerst, toen, daarna
  20. NL.138 Begrijpen L3 L4 1.1.12

    Herkennen samenhang in teksten aan de hand van structuuraanduiders.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Structuuraanduiders:
    • verwijswoorden: verwijzen naar andere woorden of woordgroepen in de tekst
    • signaal- en verbindingswoorden: verbinden zinnen of tekstdelen en geven aan wat
        voor verband er tussen die zinnen of tekstdelen bestaat.

    Voorbeelden

    Verwijswoorden
    “Lisa zocht haar potlood maar ze kon het nergens vinden”
    Signaal- en verbindingswoorden:
    • Oorzaak-gevolg: “Door de zware regenval trad de rivier buiten haar oevers zodat
        verschillende dorpen tijdelijk onbereikbaar waren.”
    • Chronologisch: “Toen de eerste telescopen werden uitgevonden, konden mensen
        voor het eerst planeten bestuderen.”
    • Probleem-oplossing: “De waterfilter werd aangepast om de kwaliteit te
        verbeteren.”
    • Vergelijking:” De lynx beweegt geruisloos net als andere katachtigen die in bossen
        leven.”
    • Beschrijving: “De stad heeft historische gebouwen, onder andere kerken en
        marktpleinen.”
  21. NL.139 Begrijpen L4 L4 1.1.12; L6 1.1.9

    Begrijpen de betekenis van structuuraanduiders.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Structuuraanduiders:
    • verwijswoorden
    • signaal- en verbindingswoorden

    Te hanteren begrippen

    de structuuraanduider

    Voorbeelden

    Signaal- en verbindingswoorden:
    • Oorzaak-gevolg: “Veel mensen rijden met de wagen dus stijgt de luchtvervuiling
        aanzienlijk.”
    • Chronologisch: “Hij oefende elke dag dus werd hij beter in piano spelen..”
    • Probleem-oplossing: “Sommige leerlingen hebben moeite met concentratie en
        daarom bieden scholen stilteplekken aan.”
    • Vergelijking:” De tijger jaagt in het donker terwijl de leeuw meestal overdag jaagt.”
    • Beschrijving: “Sommige vlinders hebben bijzondere patronen bijvoorbeeld stippen
        of strepen”
  22. NL.140 Begrijpen L5 L6 L4 1.1.12

    Herkennen de invloed van zinsconstructies en tekststructuur/verhaalstructuur op het tekstbegrip bij het lezen.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    De invloed van zinsconstructies en tekststructuur/verhaalstructuur:
    • Korte concrete zinnen geven duidelijk de boodschap weer.
    • Zinnen met structuuraanduiders geven een oorzaak-gevolg, chronologie, probleem-
        oplossing, vergelijking of beschrijving weer.
    • In een informatieve tekst geven tussentitels bij alinea’s kort weer welke informatie
        in die alinea over het onderwerp zal gegeven worden.

    Te hanteren begrippen

    de redenering
  23. NL.141 Engageren L4 L5 L6 L6 1.1.8

    Tonen hun kennis van tekstconventies in verschillende contexten.

    Nederlands Lezen › Tekstconventies en tekst-/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Thijs kan goed voorlezen. Dat komt omdat hij tijdens het lezen goed kijkt naar de
        leestekens. Zo weet hij wanneer hij moet ademhalen, de zinnen moet splitsen, even
        moet wachten enzovoort.
    • Amina en Leyla lezen samen in een boek. Ze lezen om de beurt een zin. Daarbij
        kijken ze goed naar de hoofdletters en de leestekens. Zo weten zij waar de zin
        begint en waar die stopt.