WT.371
Begrijpen
L3
L4
Herkennen dat geluid wordt veroorzaakt door trillingen.
Wetenschap en techniek › Natuurkundige verschijnselen › Natuurkundige verschijnselen › Geluid
- Leeftijd
- 8-9,9-10 jaar
- Handelingswerkwoord
- Herkennen
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- L4 3.5.1; L4 3.5.5
- In de PDF
- pagina 110
Leerlijn
Herkennen dat geluid wordt veroorzaakt door trillingen.
MIA
Trillingen en geluid:
Geluid ontstaat wanneer iets heel snel heen en weer beweegt. Dat noemen we trillen.
Die trillingen duwen tegen de lucht om ons heen. De lucht gaat ook trillen en die
trillingen gaan naar je oren. Daar maakt je oor er geluid van. Sommige trillingen gaan
heel snel heen en weer. Andere gaan langzamer. De frequentie is het aantal trillingen
per seconde. Hoge frequentie is veel trillingen per seconde: je hoort een hoog geluid.
Lage frequentie is weinig trillingen per seconde: je hoort een laag geluid.
Sterke trillingen geeft een grote geluidssterkte (hard geluid), zwakke trillingen een kleine
geluidssterkte (zacht geluid)
Te hanteren begrip
de trilling, de frequentie, de toonhoogte, hoog, laag, de geluidssterkte
Voorbeelden
• Kenji spant een ballon strak en tikt erop, waarna hij de trillingen voelt.
• Cléo onderzoekt met elastiekjes, buizen en houten stokjes hoe trillingen geluid
veroorzaken.
Hangt samen met
- Vlag LL.098 Voeren een onderzoek uit. K3,L1,L2,L3,L4,L5,L6
- Vlag WT.406 Voeren een wetenschappelijk – technologisch onderzoek. L3,L4
Wordt verwezen vanuit
- Vlag WT.239 Beschrijven de structuur en werking van het oor en het proces van horen. L5
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Natuurkundige verschijnselen”
KO
De kleuters kennen
3.5.1 de volgende begrippen met betrekking tot
natuurkundige verschijnselen:
• de zon, de lamp, licht, donker, de schaduw, de
spiegel;
• het stopcontact, de batterij;
• aantrekken, afstoten, de magneet, magnetisch.
3.5.2 licht: de lichtbron, de reflectie.
3.5.3 geluid: hard, zacht.
3.5.4 magnetisme
• eigenschappen van magneten: aantrekken, afstoten.
De kleuters kunnen
3.5.5 magnetische en niet-magnetische materialen
onderscheiden.
L4
De leerlingen kennen
3.5.1 de volgende begrippen:
• de kracht, de massa;
• de plaats, de beweging, de snelheid, de weerstand,
versnellen, vertragen, de richting;
• de energie, de energie-omzetting;
• de thermische energie, de temperatuur;
• de geluidsbron, de luidspreker, de toonhoogte, hoog,
laag, de trilling;
• het magnetisme, de noordpool, de zuidpool, de
magnetische kracht, de magnetische polen, het
magnetisch veld, het kompas;
• de aggregatietoestand, vast, vloeibaar, gasvormig,
smelten, stollen, verdampen, condenseren, het
smeltpunt, het kookpunt.
3.5.2 kracht en beweging:
• de relatie tussen kracht en de verandering van de
beweging bij een bepaalde massa;
• de relatie tussen massa en de verandering van de
beweging bij een bepaalde kracht.
3.5.3 energie en energievormen:
• bewegingsenergie;
< vb. windenergie >
• thermische energie.
< vb. zonne-energie >
3.5.4 licht: rechtlijnige beweging.
3.5.5 geluid:
• ontstaan van geluid: trilling;
L6
De leerlingen kennen
3.5.1 de volgende begrippen:
• het gewicht, de druk, de weerstand;
< vb. verschil in weerstand bij beweging in lucht of
water >
• de energieomzetting;
• reflecteren, absorberen, doorlaten;
• de stroomkring, de geleider, de isolator, de spanning,
de stroomsterkte
.
3.5.2 kracht en beweging:
• het onderscheid tussen gewicht en massa;
• gewicht als kracht en massa als maat voor de
hoeveelheid materie van een bepaalde stof;
• effecten van krachten: verandering van
bewegingstoestand.
3.5.3 energie:
• kernenergie;
• elektrische energie;
• chemische energie.
< vb. biomassa, fossiele energie >
3.5.4 licht: reflecteren, absorberen en doorlaten van licht.
3.5.5 geluid: de relatie tussen geluidssterkte en afstand
tot de geluidsbron.
3.5.6 elektrische verschijnselen:
• elektrische schakeling, stroomkring;
• toonhoogte of frequentie;
• geluidssterkte.
3.5.6 magnetisme:
• polen, noordpool, zuidpool, magnetische kracht;
• aarde als magneet.
3.5.7 aggregatietoestanden:
• de faseovergangen;
• de relatie tussen temperatuur en faseovergangen.
• geleiders, isolatoren;
• symbolen bij het voorstellen van een eenvoudige
schakeling: energiebron, verbruiker, geleider,
schakelaar.
< vb. energiebron: batterij, verbruiker: lamp >
3.7.9 de werking van technische systemen op basis van
kennis over natuurkundige verschijnselen.
De leerlingen kunnen
3.5.7 natuurkundige verschijnselen onderzoeken met
behulp van de onderzoekscyclus.