WT.212
Begrijpen
L6
Beschrijven de functie van het ademhalingsstelsel in termen van gasuitwisseling.
Wetenschap en techniek › Het menselijk lichaam › Fysieke functies van het menselijk lichaam › Ademhalingsstelsel
- Leeftijd
- 11-12 jaar
- Handelingswerkwoord
- Beschrijven
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- L6 3.3.1; L6 3.3.2; L6 3.2.17
- In de PDF
- pagina 71
Leerlijn
Beschrijven de functie van het ademhalingsstelsel in termen van gasuitwisseling.
MIA
Functie ademhalingsstelsel:
• Ademhalen zorgt ervoor dat het lichaam zuurstof opneemt en koolstofdioxide
afgeeft.
• Zuurstof komt via de luchtwegen in de longen, wordt opgenomen in de longblaasjes
en gaat van daaruit het bloed in, zodat het naar de organen kan worden
getransporteerd.
• Koolstofdioxide (CO₂: een afvalstof) wordt vanuit het bloed afgevoerd naar de
longen en verlaat het lichaam bij het uitademen.
Te hanteren begrippen
de koolstofdioxide, het longblaasje, het bloed
Hangt samen met
- Schakel WT.225 Beschrijven de werking van de bloedsomloop. L6
- Vlag AA.067 Beschrijven de rol en samenstelling van de atmosfeer. L5,L6
- Vlag WT.224 Beschrijven de functie van de bloedsomloop. L6
Wordt verwezen vanuit
- Schakel WT.224 Beschrijven de functie van de bloedsomloop. L6
- Schakel WT.225 Beschrijven de werking van de bloedsomloop. L6
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Het menselijk lichaam”
KO
De kleuters kennen
3.3.1 de volgende begrippen:
• de spieren, de botten, de longen, het hart, de maag,
de ogen, de oren, de neus, de mond, de huid;
• bewegen, steunen, ademen, de hartslag, de honger,
de dorst;
• zien, horen, ruiken, proeven, voelen.
L4
De leerlingen kennen
3.3.1 de volgende begrippen:
• de spijsvertering, de slokdarm, de lever, de darmen,
de anus;
• de beweging, de spieren, de pezen, het skelet, de
gewrichten.
L6
De leerlingen kennen
3.2.9 de volgende begrippen:
• de kelkbladeren, de kroonbladeren, de stamper, de
meeldraden, het vruchtbeginsel;
• de cel;
• de evolutie, de soort, de aanpassing, de erfelijke
eigenschappen.
3.3.2 lichaamsdelen en hun functie: spieren, botten,
longen, hart, maag, ogen, oren, neus, mond, huid.
De kleuters kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen op het eigen lichaam aanduiden
en benoemen.
3.1.2
• organismen beschrijven op basis van waarneembare
kenmerken;
• fauna beschrijven op basis van voortplantingswijze.
3.3.2 fysieke functies van de mens en de bijbehorende
weefsels en organen met hun functie: spijsvertering,
beweging, steun (skelet).
De leerlingen kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen, weefsels en organen op het
eigen lichaam aanduiden en benoemen.
3.3.1 de volgende begrippen:
• de waarneming, de zintuigen, de hersenen, de
zenuwen;
• de voortplanting, de teelbal, de zaadleider, de penis,
het sperma, de eierstok, de eileider, de eicel, de
baarmoeder, de vagina;
• de ademhaling, de keel, de luchtpijp, de longen;
• de bloedsomloop, de bloedvaten, de ader, de
slagader, de haarvaten, zuurstofrijk, zuurstofarm.
3.3.2 fysieke functies van de mens, en de bijbehorende
weefsels en organen met hun functie: waarneming,
voortplanting, ademhaling, bloedsomloop.
3.2.17 de volgende begrippen:
• de fotosynthese, de koolstofdioxide, het zuurstofgas;
• de voedingsstoffen, de suiker, het eiwit, het vet, het
water, het mineraal, de vitamine, de vezels.
De leerlingen weten
3.2.12 dat alle organismen uit één of meer cellen bestaan.
De leerlingen kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen, weefsels en organen
schematisch weergeven.