Leerplannen Leerplandoelen
WT.211 Begrijpen L5

Beschrijven het mechanisme van ademhalen.

Wetenschap en techniek Het menselijk lichaam Fysieke functies van het menselijk lichaam Ademhalingsstelsel

Leeftijd
10-11 jaar
Handelingswerkwoord
Beschrijven
Verwerkingsaspect
Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
Minimumdoelen
L6 3.3.1; L6 3.3.2
In de PDF
pagina 70,71

Leerlijn

Beschrijven het mechanisme van ademhalen.

MIA
Ademhalen:
• inademen: Lucht komt via de neus of mond binnen en stroomt via de luchtpijp naar
    de longblaasjes in de longen, waar zuurstof wordt opgenomen in het bloed.
• uitademen: Koolstofdioxide (CO₂) verlaat het lichaam via de luchtwegen.
• mechanisme: Bij het inademen bewegen de ribben en het middenrif om de longen
    ruimte te geven. Bij uitademen ontspannen deze en wordt de lucht naar buiten
    geduwd.

Te hanteren begrippen
de mondholte, de neusholte, de keelholte, de luchtpijp, de rib, het middenrif, de
ademhaling, de keel, de longen

Hangt samen met

Wordt verwezen vanuit

Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Het menselijk lichaam”
KO

De kleuters kennen
3.3.1 de volgende begrippen:
• de spieren, de botten, de longen, het hart, de maag,
    de ogen, de oren, de neus, de mond, de huid;
• bewegen, steunen, ademen, de hartslag, de honger,
    de dorst;
• zien, horen, ruiken, proeven, voelen.

L4

De leerlingen kennen
3.3.1 de volgende begrippen:
• de spijsvertering, de slokdarm, de lever, de darmen,
    de anus;
• de beweging, de spieren, de pezen, het skelet, de
    gewrichten.

L6

De leerlingen kennen
3.2.9 de volgende begrippen:
• de kelkbladeren, de kroonbladeren, de stamper, de
    meeldraden, het vruchtbeginsel;
• de cel;
• de evolutie, de soort, de aanpassing, de erfelijke
    eigenschappen.
3.3.2 lichaamsdelen en hun functie: spieren, botten,
longen, hart, maag, ogen, oren, neus, mond, huid.

De kleuters kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen op het eigen lichaam aanduiden
en benoemen.
3.1.2
• organismen beschrijven op basis van waarneembare
    kenmerken;
• fauna beschrijven op basis van voortplantingswijze.

3.3.2 fysieke functies van de mens en de bijbehorende
weefsels en organen met hun functie: spijsvertering,
beweging, steun (skelet).

De leerlingen kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen, weefsels en organen op het
eigen lichaam aanduiden en benoemen.

3.3.1 de volgende begrippen:
• de waarneming, de zintuigen, de hersenen, de
    zenuwen;
• de voortplanting, de teelbal, de zaadleider, de penis,
    het sperma, de eierstok, de eileider, de eicel, de
    baarmoeder, de vagina;
• de ademhaling, de keel, de luchtpijp, de longen;
• de bloedsomloop, de bloedvaten, de ader, de
    slagader, de haarvaten, zuurstofrijk, zuurstofarm.
3.3.2 fysieke functies van de mens, en de bijbehorende
weefsels en organen met hun functie: waarneming,
voortplanting, ademhaling, bloedsomloop.
3.2.17 de volgende begrippen:
• de fotosynthese, de koolstofdioxide, het zuurstofgas;
• de voedingsstoffen, de suiker, het eiwit, het vet, het
    water, het mineraal, de vitamine, de vezels.
De leerlingen weten
3.2.12 dat alle organismen uit één of meer cellen bestaan.

De leerlingen kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen, weefsels en organen
schematisch weergeven.