Leerplannen Leerplandoelen
WI.847 Begrijpen K3

Verwoorden wat ze zien vanuit een ander gezichtspunt.

Wiskunde Meetkunde Plaatsbepaling Ruimtelijke relaties

Leeftijd
5-6 jaar
Handelingswerkwoord
Verwoorden
Verwerkingsaspect
Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
Minimumdoelen
KO 2.4.9
In de PDF
pagina 33

Leerlijn

Verwoorden wat ze zien vanuit een ander gezichtspunt.

MIA
Ander gezichtspunt:
door zich te verplaatsen

Voorbeeld
• Mieke zegt: “Als ik achter het konijn sta, dan zie ik de staart van het konijn, als ik
    voor het konijn sta zie ik de kop van het konijn.”
• Lina zegt: “Nu zit ik hier en ik zie een grijze doos, een bal en een bruine doos. Janne
    zit aan de andere kant waar ik zat en ziet nu een bruine doos, een bal en grijze
    doos.”

Hangt samen met

Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Meetkunde”
KO

De kleuters kennen
2.4.1 volgende begrippen [F]:
• het punt, de lijn, recht, gebogen, rond;
• de hoek;
• de driehoek, de rechthoek, het vierkant, de cirkel
    (vlakke figuren);
• de kubus, de balk, de bol, de piramide (ruimtefiguren);
• het patroon, opnieuw, hetzelfde, anders.

De kleuters kunnen
2.4.2 vanuit handelen meetkundige objecten (vlakke figuren
en ruimtefiguren) herkennen, benoemen en sorteren.
2.4.3 vanuit handelen meetkundige objecten opdelen in en
samenstellen uit andere meetkundige objecten.
2.4.18 objecten sorteren op basis van een
gemeenschappelijke eigenschap volgens 1 of 2 criteria.
< bv. kwalitatief classificeren op basis van criteria zoals
kleur, vorm, grootte, soort/kwantitatief classificeren op
basis van aantal >

L4

De leerlingen kennen
2.4.1 eigenschappen als uitspraken die waar zijn voor alle
elementen van een verzameling [I].
< bv. ‘bij een parallellogram zijn de overstaande zijden even
lang’ is een uitspraak die waar is voor alle
parallellogrammen en dus een eigenschap >
2.4.2 volgende begrippen [F]:
• het punt, de halfrechte, de rechte, het lijnstuk, de
    kromme;
• de breedte, de lengte;
• de scherpe, rechte, stompe, (overstaande) hoek, het
    hoekpunt, de benen;
• de (overstaande) zijde, de diagonaal;
• vlakke figuren: de gelijkzijdige driehoek, de gelijkbenige
    driehoek; de rechthoekige driehoek, de stomphoekige
    driehoek, de scherphoekige driehoek; het vierkant, de
    rechthoek, de ruit, het parallellogram, de trapezium, de
    vierhoek, de vijfhoek, de zeshoek, de (regelmatige)
    veelhoek;
• ruimtefiguren: de kubus, de balk, de cilinder, de kegel,
    de bol, de piramide;
• herhalende en veranderende patronen, de eenheid.
2.4.17 de onderlinge ligging van rechten/lijnstukken in een
vlak [I].
2.4.18 de volgende begrippen en wiskundige notaties [F]:
evenwijdig (∥), loodrecht (⊥), snijdend (∦).
2.4.44 de volgende begrippen [F]: scherpe, rechte en
stompe hoeken.

L6

De leerling kent
2.4.1 definities als uitspraken die bepalen welke elementen
tot een verzameling horen en welke niet [I] .
2.4.2 volgende begrippen en wiskundige notaties [F]:
• notaties: de punt (𝐴), de rechte (𝑎), de halfrechte
    [𝐴𝐵, lijnstuk [𝐴𝐵], de hoek 𝐴̂ , de vlakke figuur (∆𝐴𝐵𝐶,
    de vierhoek 𝐴𝐵𝐶𝐷);
• begrensd, onbegrensd;
• de ongelijkbenige driehoek, de (on)regelmatige
    veelhoek;
• de hoogte, de basis, de schuine zijde;
• de diagonaal, de loodlijn;
• het middelpunt, de diameter, de straal;
• het oppervlak, het zijvlak, het grondvlak, de
    ontvouwing, de ribbe, het gebogen oppervlak;
• het veelvlak.

De leerling kan
2.4.3 eigenschappen in verband met diagonalen vaststellen
en formuleren op verschillende types van eenzelfde vlakke
figuur.
2.4.4 meetkundige objecten classificeren met behulp van
verzamelingen volgens toenemend of afnemend aantal
eigenschappen voor de driehoeken, vierhoeken,
veelhoeken, vlakke figuren en de ruimtefiguren en kan
hierbij de woorden en, of en niet gebruiken.
< bv. verzamel de figuren die een rechthoek of een ruit zijn >
De leerlingen kunnen
2.4.3 eigenschappen in verband met zijden (lengte,
onderlinge ligging) en hoekgrootte vaststellen en
formuleren op verschillende types van eenzelfde vlakke
figuur.
< bv. vaststellen dat de hoeken van een smalle, brede,
gedraaide, kleine of grote rechthoek altijd recht zijn en dit
formuleren in de eigenschap ‘een rechthoek heeft 4 rechte
hoeken’ >
2.4.4 vlakke figuren sorteren op basis van eigenschappen.
< bv. verzamel alle figuren met 4 rechte hoeken >
2.4.5 vlakke figuren opdelen in en samenstellen uit andere
vlakke figuren als voorbereiding op het afleiden van
formules voor oppervlakte.
2.4.6 vlakke meetkundige objecten tekenen met
hulpmiddelen zoals lat, cirkelsjabloon en ruitjespapier.
2.4.7 ruimtefiguren benoemen.
2.4.19 rechten en lijnstukken tekenen die loodrecht,
evenwijdig en snijdend zijn.
2.4.45 hoeken kwalitatief:
• vergelijken;
    < bv. door hoeken op elkaar te leggen >
• sorteren in scherpe, stompe en rechte hoeken door te
    vergelijken met een rechte hoek;
• ordenen (seriëren);
• samenstellen.

2.4.5 vanuit het classificeren de definities formuleren,
beoordelen en corrigeren voor:
• soorten driehoeken;
• soorten vierhoeken;
• (on)regelmatige veelhoeken.
2.4.6 vlakke, meetkundige objecten tekenen vanuit
eigenschappen en hun werkwijze toelichten.
< bv. een gelijkbenige driehoek tekenen met behulp van een
passer en toelichten waarom deze werkwijze een
gelijkbenige driehoek oplevert/de diagonalen gebruiken om
een ruit te tekenen >
2.4.7 de juiste ontvouwing(en) selecteren uit verschillende
(juiste en foute) varianten van dezelfde ruimtefiguur voor:
• een kubus;
• een balk;
• een cilinder.
KO

De kleuters kennen
2.4.14 de volgende begrippen [F]:dezelfde vorm, even
groot.

De kleuters kunnen
2.4.15 met concreet materiaal figuren met verschillende
oriëntatie identificeren die:
• congruent zijn (gelijke vorm en gelijke grootte);
• gelijkvormig zijn (gelijke vorm).
2.4.16 symmetrie in eenvoudige figuren herkennen.
< bv. door te plooien/vouwdruk >
2.4.18 objecten sorteren op basis van een
gemeenschappelijke eigenschap volgens 1 of 2 criteria.

L4

De leerlingen kunnen
2.4.20 symmetrieassen in figuren tekenen door gebruik te
maken van een geospiegel.
2.4.21 met concrete materialen gelijkheid van vorm en
grootte vaststellen bij een verschuiving, draaiing en
spiegeling.

L6

De leerling kent
2.4.17 symmetrie als een spiegeling die een figuur op
zichzelf afbeeldt [I] .
2.4.18 volgende begrippen [F]:
• congruent, gelijkvormig;
• (a)symmetrie, (a)symmetrisch, de symmetrieas.

De leerling kan
2.4.19 congruentie vaststellen bij een spiegeling.
2.4.20 congruente figuren tekenen.
2.4.21 symmetrieassen in figuren tekenen.
2.4.22 vlakke meetkundige objecten tekenen vanuit
meetkundige relaties en de gebruikte werkwijze
verklaren.
< bv. kwalitatief classificeren op basis van criteria zoals
kleur, vorm, grootte, soort/kwantitatief classificeren op
basis van aantal >

< bv. de symmetrieas gebruiken om een gelijkbenige
driehoek te tekenen >
KO

De kleuters kennen
2.4.10 volgende begrippen [F]:
• verschuiven, draaien, spiegelen;
• het spiegelbeeld;
• vervormen, vergroten, verkleinen;
• de voorkant, de achterkant, de zijkant, de onderkant,
    de bovenkant.

De kleuters kunnen
2.4.11 spiegelbeelden ontdekken met een (geo)spiegel.
2.4.12 eenvoudige spiegelbeelden met materiaal leggen
met behulp van een (geo)spiegel.

L4

De leerlingen kennen
2.4.11 een verschuiving, draaiing en spiegeling [I].
2.4.13 de volgende begrippen [F]:
• het origineel, het beeld;
• het spiegelbeeld, de spiegelas;
• het grondplan, het vooraanzicht, het bovenaanzicht,
    het zijaanzicht.

De leerlingen kunnen
2.4.14 een verschuiving, draaiing of spiegeling herkennen .
2.4.15 figuren spiegelen om een spiegelas, tekenen op
geruit papier en met een geospiegel controleren.

L6

De leerling kent
2.4.11 een vergroting/verkleining met een vaste verhouding
[I].
2.4.12 schaal als het verband tussen lengtes van het
origineel en die van zijn vergroting/verkleining [I].
2.4.13 de volgende begrippen [F]: de schaal, de lijnschaal,
de breukschaal, de verhouding.
2.3.11 de samengestelde grootheid schaal als verhouding
tussen de getekende afstand en de werkelijke afstand [I/F].

De leerling kan
2.4.14 figuren om een spiegelas spiegelen, gebruik makend
van de eigenschappen van een spiegeling.
2.4.15 figuren vergroten/verkleinen met een vaste
verhouding.
2.4.19 congruentie vaststellen bij een spiegeling.
2.3.17 de schaal, de werkelijke lengte of de lengte op schaal
bepalen wanneer twee van de drie grootheden gegeven zijn.
KO

De kleuters kennen
2.4.5 de volgende begrippen [F]:
• in, tussen, uit, binnen, buiten;
• (er)voor, (er)achter, (er)onder, (er)boven, (er)op,
    (er)naast;
• ver, dichtbij, tegen, tegenover;
• omhoog, naar boven, omlaag, naar beneden, vooruit,
    achteruit;
• naar mij toe, van mij weg, dichterbij komen;
• recht naar, schuin naar.
2.4.10 de volgende begrippen [F]:
• verschuiven, draaien, spiegelen;
• het spiegelbeeld;
• vervormen, vergroten, verkleinen;
• de voorkant, de achterkant, de zijkant, de onderkant,
    de bovenkant.

De kleuters kunnen
2.4.6 zichzelf oriënteren in een ruimte op basis van positie,
afstand en richting.
2.4.7 personen en objecten situeren op basis van positie,
afstand en richting ten opzichte van zichzelf en elkaar.
2.4.9 met de gepaste begrippen verwoorden wat ze zien
vanuit een ander gezichtspunt door zich te verplaatsen.
2.4.13 constructies uitvoeren op basis van verbale
instructies, voorschriften op foto’s en voorschriften op
tekeningen.

L4

De leerlingen kennen
2.4.9 het volgende begrip en de wiskundige notatie [F]:
coördinaat (notatie: D5) .
2.4.12 een aanzicht als een 2D projectie van een 3D
      figuur [I] .
2.4.13 de volgende begrippen [F]:
• het origineel, het beeld;
• het spiegelbeeld, de spiegelas;
• het grondplan, het vooraanzicht, het bovenaanzicht,
    het zijaanzicht.

De leerlingen kunnen
2.4.10 in concrete situaties verwoorden wat ze zien vanuit
een ander gezichtspunt door zich mentaal te verplaatsen in
de ruimte.
2.4.16 aanzichten van een 3D model tekenen.
< bv. aanzichten tekenen van een blokkenbouwsel >

L6

De leerling kent
2.4.8 de volgende begrippen en wiskundige notatie [F]: de
horizontale as, de verticale as, de coördinaat (notatie:
(3, 4)) .

De leerling kan
2.4.9 puntcoördinaten gebruiken om een punt in een
assenstelsel vast te leggen.
2.4.10 kijklijnen aangeven op een schets en gebruiken om
de plaats van de waarnemer te bepalen.
2.4.16 op basis van een grondplan of aanzichten een 3D
model bouwen.
< bv. een stappenplan volgen om met lego een toren na te
bouwen >
KO

De kleuters kennen
2.4.17 de volgende begrippen [F]:
• in, uit, binnen, buiten;
• als … dan …;
• en, of, niet.

De kleuters kunnen
2.4.18 objecten sorteren op basis van een
gemeenschappelijke eigenschap volgens 1 of 2 criteria.
< kwalitatief classificeren op basis van criteria zoals kleur,
vorm, grootte, soort/kwantitatief classificeren op basis
van aantal >
2.4.19 als ... dan ... uitspraken gebruiken.
< bv. bij het spel schipper-mag-ik-overvaren?: ‘als je een
rode trui draagt, dan mag je overvaren’ >

L4

De leerlingen kennen
2.4.22 volgende begrippen [F]:
• de verzameling, de deelverzameling;
• behoort (niet) tot;
• sommige, geen enkele;
• en, of, niet;
• waar/niet waar.

De leerlingen kunnen
2.4.23 een verzameling van objecten voorstellen door
middel van een Venndiagram.
2.4.24 nagaan of een uitspraak waar of onwaar is, onder
andere met verzamelingen en (tegen)voorbeelden.
< bv. ’alle rechthoeken hebben vier rechte hoeken’ is
waar/‘alle rechthoeken hebben vier gelijke zijden’ is
onwaar >

L6

De leerling kent
2.4.1 definities als uitspraken die bepalen welke
elementen tot een verzameling horen en welke niet [I].
2.4.23 de doorsnede als het gemeenschappelijk gebied
met de elementen die tot de twee verzamelingen
behoren [I].
2.4.24 volgende begrippen [F]:
• als … dan …;
• alle, niet alle, juist één, geen, ten minste, ten
    hoogste.

De leerling kan
2.4.25 uitdrukkingen met logische begrippen gebruiken in
concrete situaties.
< bv. alle ruiten hebben gelijke zijden/een rechthoek die
geen vierkant is, heeft juist 2 symmetrieassen >
2.4.26 classificeren volgens meerdere criteria.
< bv. de vierhoeken classificeren volgens hoeken en zijden
>
2.4.27 nagaan of een uitspraak waar of onwaar is voor
nieuwe (meetkundige) begrippen in het 6de jaar.
< bv. ’alle vierkanten hebben loodrechte diagonalen’ is
waar/‘alle vierhoeken met loodrechte diagonalen zijn
vierkanten’ is onwaar >
KO

De kleuters kennen
2.4.1 volgende begrippen [F]:
• het punt, de lijn, recht, gebogen, rond;
• de hoek;
• de driehoek, de rechthoek, het vierkant, de cirkel
    (vlakke figuren);
• de kubus, de balk, de bol, de piramide (ruimtefiguren);
• het patroon, opnieuw, hetzelfde, anders.

De kleuters kunnen
2.4.4 patronen hanteren:
• rijen te maken met een afgesproken eenheid;
    < bv. kralen rijgen, versieringen maken >
• herhalende patronen te herkennen, (na)maken,
    verderzetten, opvullen;
    < herhalende patronen zijn rijen waarvan de eenheid
    (bv. rood-blauw-blauw) zich herhaalt (bv. ‘rood-
    blauw-blauw-rood-blauw-blauw-…’) >
• de eenheid te herkennen in een herhalend patroon.
    < bv. de eenheid is ‘rood-blauw-blauw’ in het patroon
    ‘rood-blauw-blauw-rood-blauw-blauw-…’ >

L4

De leerlingen kennen
2.4.2 volgende begrippen [F]:
• het punt, de halfrechte, de rechte, het lijnstuk, de
    kromme;
• de breedte, de lengte;
• de scherpe, rechte, stompe, (overstaande) hoek, het
    hoekpunt, de benen;
• de (overstaande) zijde, de diagonaal;
• vlakke figuren: de gelijkzijdige driehoek, de gelijkbenige
    driehoek; de rechthoekige driehoek, de stomphoekige
    driehoek, de scherphoekige driehoek; het vierkant, de
    rechthoek, de ruit, het parallellogram, de trapezium, de
    vierhoek, de vijfhoek, de zeshoek, de (regelmatige)
    veelhoek;
• ruimtefiguren: de kubus, de balk, de cilinder, de kegel,
    de bol, de piramide;
• herhalende en veranderende patronen, de eenheid.

De leerlingen kunnen
2.4.8 herhalende en veranderende patronen hanteren
voor meetkundige objecten/figuren: patronen
• herkennen;
• beschrijven;
• maken;
• verderzetten;
• opvullen.

L6

De leerling kan
2.1.7 orde, regelmaat, verbanden en patronen tussen
getallen herkennen, beschrijven, maken, verderzetten en
opvullen.