NL.602
Begrijpen
L2
L3
L4
L5
L6
Drukken de eigen beleving bij het lezen van teksten uit.
Nederlands › Literatuur › Interactie met literatuur › Spreken over literatuur
- Leeftijd
- 7-8,8-9,9-10,10-11,11-12 jaar
- Handelingswerkwoord
- Drukken
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- L4 1.5.5; L4 1.5.7
- In de PDF
- pagina 7,8
Leerlijn
Drukken de eigen beleving bij het lezen van teksten uit.
MIA
Teksten:
• fictie en non-fictie
• bekroonde kinder- en jeugdliteratuur
Eigen beleving:
• de inhoud van het boek: persoonlijke interesse, herkenbare situatie, herkenbaar
personage, emoties die het teweeg brengt
• illustraties in het boek: tekenstijl, kleurgebruik, details, herkenbaarheid
• de vorm van de tekst in het boek: doorlopende tekst, rijmvorm, tekstopmaak,
lettertypes
• de structuur van de tekst in het boek: indeling in hoofdstukken, indeling in alinea’s al
dan niet met tussentitels,
Hangt samen met
- Vlag BU.100 Illustreren verschillende aspecten van persoonlijke identiteit. L3,L4
- Vlag BU.101 Illustreren verschillende aspecten van persoonlijke identiteit. L5,L6
- Vlag NL.098 Geven eigen gedachten en meningen weer over teksten. L3,L4,L5,L6
- Vlag SV.008 Geven de eigen gevoelens*, behoeften, ervaringen e n gedachten weer. L1,L2,L3,L4,L5,L6
- Vlag SV.009 Tonen in hun omgang empathie voor de ander. K3,L1,L2,L3,L4,L5,L6
Wordt verwezen vanuit
- Vlag NL.098 Geven eigen gedachten en meningen weer over teksten. L3,L4,L5,L6
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Literatuur”
KO De kleuters kennen 1.5.1 auteur, illustrator, titel, kaft. De kleuters kunnen 1.5.2 gedachten of gevoelens verwoorden bij het in contact komen met bekroonde jeugdliteratuur, zowel fictie als non-fictie. < bv. de Boon voor Jeugdliteratuur, de Gouden Griffel, de Kinderjury Nederland, de Leesjury Vlaanderen, de Woutertje Pieterse Prijs > 1.5.3 een eigen voorkeur tonen voor bepaalde verhalen of personages. 1.5.4 in eigen woorden de kern van een prentenboek navertellen met ondersteuning van beelden of symbolen. L4 De leerlingen kennen 1.5.1 personage, hoofdpersonage, thema. 1.5.2 plot: belangrijkste gebeurtenissen. 1.5.3 context: tijd en plaats. De leerlingen kunnen 1.5.4 voor hen geschikte boeken kiezen uit een variatie aan genres, passend bij het leesdoel en de eigen leesvoorkeur. 1.5.5 aangereikte en zelfgekozen bekroonde jeugdliteratuur lezen, zowel fictie als non-fictie. < bv. de Boon voor Jeugdliteratuur, de Gouden Griffel, de Kinderjury Nederland, de Leesjury Vlaanderen, de Woutertje Pieterse Prijs > 1.5.6 verwoorden waarom een tekst aanspreekt. 1.5.7 verbanden leggen tussen elementen uit de tekst en emoties en gedachten tijdens het lezen van de tekst. 1.5.8 complexere verhaallijnen navertellen. 1.1.4 teksten en boeken lezen met aandacht en doorzettingsvermogen. L6 De leerling kent 1.5.1 vertelperspectief: ik-verteller. De leerling kan 1.5.2 literaire voorkeuren verwoorden binnen fictie, non- fictie en bekroonde jeugdliteratuur. 1.5.3 zelfgekozen bekroonde jeugdliteratuur lezen, zowel fictie als non-fictie < bv. de Boon voor Jeugdliteratuur, de Gouden Griffel, de Kinderjury Nederland, de Leesjury Vlaanderen, de Woutertje Pieterse Prijs > 1.5.4 elementen uit de tekst situeren binnen zijn/haar vakspecifieke kennis en voorkennis.
KO De kleuters kunnen 1.5.5 experimenteren met taal en verhalen via spreken, tekenen en eenvoudige spelvormen. L4 De leerlingen kunnen 1.5.9 op basis van voorbeelden een eigen talige creatie maken. < bv. een verhaal, een gedicht, een toneeldialoog > L6 De leerling kan 1.5.5 een eigen talige creatie mondeling of schriftelijk presenteren. < bv. een verhaal, een gedicht, een toneeldialoog >