NL.583
Begrijpen
L2
L3
L4
Duiden hun boekkeuze.
Nederlands › Literatuur › Interactie met literatuur › Leesidentiteit
- Leeftijd
- 7-8,8-9,9-10 jaar
- Handelingswerkwoord
- Duiden
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- L4 1.5.4
- In de PDF
- pagina 3
Leerlijn
Duiden hun boekkeuze.
MIA
Boekkeuze:
• aangereikte of zelfgekozen boeken
• fictie- en non fictie
• leesdoel: ter ontspanning, om te leren, om iets te weten te komen
• eigen interesse, voorkeur, leesmotivatie
• eigen leesvaardigheid
Te hanteren begrippen
fictie, non-fictie, de tekst
Voorbeelden
Boekkeuze duiden:
• Ik ben gefascineerd door insecten en weet er al veel over, als ik nog meer te weten wil
komen, neem ik geen eenvoudig boek over insecten, want wat daar in staat weet ik
waarschijnlijk al. (leesdoel)
• Lezen in het Nederlands vind ik nog altijd een beetje moeilijk omdat Frans mijn
thuistaal is. Daarom kies ik boeken die ik ook in het Frans kan lezen. Thuis lees ik de
Franse versie, in de klas lees ik de Nederlandse versie. Op die manier kan ik ook boeken
lezen in het Nederlands, die nog wat moeilijk voor me zijn. (eigen leesvaardigheid)
Hangt samen met
- Schakel NL.607 Illustreren hun literaire leesvoorkeuren. L2,L3,L4
- Vlag BU.100 Illustreren verschillende aspecten van persoonlijke identiteit. L3,L4
- Vlag LL.112 Herkennen ondernemingszin. L1,L2,L3
- Vlag NL.089 Onderscheiden fictie en non-fictie bij gelezen teksten. L3,L4,L5,L6
- Vlag NL.094 Verwoorden hoe een tekst aansluit bij het leesdoel. L3,L4,L5,L6
Wordt verwezen vanuit
- Vlag NL.094 Verwoorden hoe een tekst aansluit bij het leesdoel. L3,L4,L5,L6
- Schakel NL.607 Illustreren hun literaire leesvoorkeuren. L2,L3,L4
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Literatuur”
KO De kleuters kennen 1.5.1 auteur, illustrator, titel, kaft. De kleuters kunnen 1.5.2 gedachten of gevoelens verwoorden bij het in contact komen met bekroonde jeugdliteratuur, zowel fictie als non-fictie. < bv. de Boon voor Jeugdliteratuur, de Gouden Griffel, de Kinderjury Nederland, de Leesjury Vlaanderen, de Woutertje Pieterse Prijs > 1.5.3 een eigen voorkeur tonen voor bepaalde verhalen of personages. 1.5.4 in eigen woorden de kern van een prentenboek navertellen met ondersteuning van beelden of symbolen. L4 De leerlingen kennen 1.5.1 personage, hoofdpersonage, thema. 1.5.2 plot: belangrijkste gebeurtenissen. 1.5.3 context: tijd en plaats. De leerlingen kunnen 1.5.4 voor hen geschikte boeken kiezen uit een variatie aan genres, passend bij het leesdoel en de eigen leesvoorkeur. 1.5.5 aangereikte en zelfgekozen bekroonde jeugdliteratuur lezen, zowel fictie als non-fictie. < bv. de Boon voor Jeugdliteratuur, de Gouden Griffel, de Kinderjury Nederland, de Leesjury Vlaanderen, de Woutertje Pieterse Prijs > 1.5.6 verwoorden waarom een tekst aanspreekt. 1.5.7 verbanden leggen tussen elementen uit de tekst en emoties en gedachten tijdens het lezen van de tekst. 1.5.8 complexere verhaallijnen navertellen. 1.1.4 teksten en boeken lezen met aandacht en doorzettingsvermogen. L6 De leerling kent 1.5.1 vertelperspectief: ik-verteller. De leerling kan 1.5.2 literaire voorkeuren verwoorden binnen fictie, non- fictie en bekroonde jeugdliteratuur. 1.5.3 zelfgekozen bekroonde jeugdliteratuur lezen, zowel fictie als non-fictie < bv. de Boon voor Jeugdliteratuur, de Gouden Griffel, de Kinderjury Nederland, de Leesjury Vlaanderen, de Woutertje Pieterse Prijs > 1.5.4 elementen uit de tekst situeren binnen zijn/haar vakspecifieke kennis en voorkennis.
KO De kleuters kunnen 1.5.5 experimenteren met taal en verhalen via spreken, tekenen en eenvoudige spelvormen. L4 De leerlingen kunnen 1.5.9 op basis van voorbeelden een eigen talige creatie maken. < bv. een verhaal, een gedicht, een toneeldialoog > L6 De leerling kan 1.5.5 een eigen talige creatie mondeling of schriftelijk presenteren. < bv. een verhaal, een gedicht, een toneeldialoog >