Leerplannen Leerplandoelen
NL.584 Begrijpen L5 L6

Verwoorden literaire voorkeuren.

Nederlands Literatuur Interactie met literatuur Leesidentiteit

Leeftijd
10-11,11-12 jaar
Handelingswerkwoord
Verwoorden
Verwerkingsaspect
Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
Minimumdoelen
L6 1.5.2
In de PDF
pagina 3

Leerlijn

Verwoorden literaire voorkeuren.

MIA
Literaire voorkeur:
• bekroonde kinder- en jeugdliteratuur
• fictie en non-fictie

Voorbeelden
Literaire voorkeur:
• Ik lees graag waargebeurde verhalen over dingen die we in de geschiedenislessen
    leren. Zo kan ik me beter inleven in hoe het vroeger was. (fictie)
• Ik ben altijd nieuwsgierig naar de laatste nieuwe boeken die bekroond werden door de
    leesjury!

Hangt samen met

Wordt verwezen vanuit

Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Literatuur”
KO

De kleuters kennen
1.5.1 auteur, illustrator, titel, kaft.

De kleuters kunnen
1.5.2 gedachten of gevoelens verwoorden bij het in
contact komen met bekroonde jeugdliteratuur, zowel
fictie als non-fictie.
< bv. de Boon voor Jeugdliteratuur, de Gouden Griffel, de
Kinderjury Nederland, de Leesjury Vlaanderen, de
Woutertje Pieterse Prijs >
1.5.3 een eigen voorkeur tonen voor bepaalde verhalen
of personages.
1.5.4 in eigen woorden de kern van een prentenboek
navertellen met ondersteuning van beelden of symbolen.

L4

De leerlingen kennen
1.5.1 personage, hoofdpersonage, thema.
1.5.2 plot: belangrijkste gebeurtenissen.
1.5.3 context: tijd en plaats.

De leerlingen kunnen
1.5.4 voor hen geschikte boeken kiezen uit een variatie
aan genres, passend bij het leesdoel en de eigen
leesvoorkeur.
1.5.5 aangereikte en zelfgekozen bekroonde
jeugdliteratuur lezen, zowel fictie als non-fictie.
< bv. de Boon voor Jeugdliteratuur, de Gouden Griffel, de
Kinderjury Nederland, de Leesjury Vlaanderen, de
Woutertje Pieterse Prijs >
1.5.6 verwoorden waarom een tekst aanspreekt.
1.5.7 verbanden leggen tussen elementen uit de tekst en
emoties en gedachten tijdens het lezen van de
tekst.
1.5.8 complexere verhaallijnen navertellen.
1.1.4 teksten en boeken lezen met aandacht en
doorzettingsvermogen.

L6

De leerling kent
1.5.1 vertelperspectief: ik-verteller.

De leerling kan
1.5.2 literaire voorkeuren verwoorden binnen fictie, non-
fictie en bekroonde jeugdliteratuur.
1.5.3 zelfgekozen bekroonde jeugdliteratuur lezen, zowel
fictie als non-fictie
< bv. de Boon voor Jeugdliteratuur, de Gouden Griffel, de
Kinderjury Nederland, de Leesjury Vlaanderen, de
Woutertje Pieterse Prijs >
1.5.4 elementen uit de tekst situeren binnen zijn/haar
vakspecifieke kennis en voorkennis.
KO

De kleuters kunnen
1.5.5 experimenteren met taal en verhalen via spreken,
tekenen en eenvoudige spelvormen.

L4

De leerlingen kunnen
1.5.9 op basis van voorbeelden een eigen talige creatie
maken.
< bv. een verhaal, een gedicht, een toneeldialoog >

L6

De leerling kan
1.5.5 een eigen talige creatie mondeling of schriftelijk
presenteren.
< bv. een verhaal, een gedicht, een toneeldialoog >